Laat ik het maar toegeven. Ik ben lang niet die geweldige sportieveling die veel mensen in mij zien. Niet ik ben zo sportief, maar zij komen helemaal niet van hun luie reet. Of is dit te confronterend? Misschien klinkt het prettiger voor hen als ik zeg dat zij andere keuzes maken dan ik.
Goed, ik ren elke week twee of drie keer. Maar wat is nu 10 of 15 kilometertjes rennen? Er zijn er tienduizenden die dit wekelijks enkele keren doen. En dagelijks één of meer keren naar de 8e etage lopen is ook zo bijzonder niet. Het lijkt veel, maar in werkelijkheid valt het zo ongelooflijk mee.
Nee, als ik werkelijk zo sportief was dan had ik mij vanmorgen niet nog eens tien keer omgedraaid, maar was ik er om zeven uur uit gegaan in plaats van om negen uur. Wat heb ik er spijt van dat ik ben blijven liggen.
Alleen in het voorjaar of in de herfst als het om zeven uur ’s morgens nog donker is en de mist als een wollen deken over de verkilde schouders van het barre land ligt, kan ik het soms opbrengen om in alle vroegte naar buiten te gaan om mij te laten betoveren door het ogenlik dat de zon deze deken in nevelige slierten laat oplossen, waarna uit de vlammende kleuren van een nieuwe dag de verkleumde aarde glinsterend van dauwdruppels tevoorschijn komt.
Maar als je dan weer eens veel te laat en veel te stoned naar bed gaat en je partner wèl om zeven op staat en je het bed even helemaal voor jezelf hebt, dan is de verleiding om te blijven liggen af en toe te groot.
Als je dan toch tegen de verdrukking in stoer wil zijn en er ook uit wil gaan, heb je het gevoel dat je jezelf uit een doodskist naar de oppervlakte worstelt. Na deze valse start word je vanuit de spiegel aangestaard door een nog niet geheel verteerd lijk en is je keel zo scherp en zit zo dicht dat het voelt alsof iemand die nacht met een Wc-borstel door je strot heeft zitten raggen.
Op zondagmorgen ligt heel Nederland halfdood in bed of zit in de kerk. De enkeling die toch op pad is gegaan wordt als een halve zool beschouwd of als zo bijzonder gezien, dat in beide gevallen de mensen een excuus hebben om te blijven liggen. Wie wil er immers vergeleken worden met een halve zool? Juist zondagmorgen voel je jezelf heel gewoontjes en heb je behoefte solidair te zijn met die andere slaapkoppen.
Degenen die naar de kerk gaan dutten wat in de kerkbanken weg of knappen later op de dag een uiltje om hun gemis aan slaap te compenseren. Veel van wat de dominee of pastoor zegt gaat het ene oor in en andere uit. “Waar heeft hij het over?” vragen ze zich af en na afloop van de dienst zeggen ze elkaar dat het een mooie preek was.
Zondagmorgen: het is het tijdstip waarop onze vijanden alle ruimte krijgen voor hun slechte bedoelingen. Wij draaien ons nog een keertje om en trekken de dekens stevig om ons heen. We willen maar één ding: met rust gelaten worden.
1 opmerking:
die sjonnie toch.
Een reactie posten