De wereld verandert in een razend tempo. Wet- en regelgeving die nog net niet uit de middeleeuwen stamt en die m.i. niet meer past in deze tijd, hobbelt maar wat achter de ontwikkelingen aan. Nu is er dan toch eindelijk een kans dat het Verbod op Godslastering verdwijnt. Jan Donner, de grootvader van onze eigen lasterlijke Piet Donner, heeft er voor gezorgd dat deze wet er in 1932 kwam. Reden was dat het Nederlandse communistische blad De Tribune artikelen en spotprenten publiceerde tegen de godsdienst. Vlak voor Kerst in 1930 publiceerde het blad een artikel dat opriep het Kerstfeest af te schaffen. Twee jaar later toonde het blad een spotprent waarin twee arbeiders de bijl aan het Kruis van Christus zetten.
Ik had mij nog niet eerder in dit wetsartikel verdiept en ik vermoed dat dit ook geldt voor vele anderen. Lees even mee:
Artikel 147 en 147a Wetboek van Strafrecht
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;
2. hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;
3. hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Van dik hout zaagt men planken. En al staan deze straffen niet in verhouding tot de vaak draconische straffen die er bestaan voor godslastering in sommige andere godsdiensten, het is natuurlijk bar en boos dat anno 2009 deze wet er nog steeds is.
Het zijn de oppositiepartijen D66, SP en VVD die vandaag een gezamenlijk initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend om het verbod op godslastering te schrappen.
Als het puur om afschaffing van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht gaat, kunnen ze rekenen op steun van regeringspartij PvdA. Daarmee is er een meerderheid in de Tweede Kamer die ervan af wil.
Het wetsartikel blijkt in de praktijk niet erg goed te functioneren en de reden daarvan is het “Ezelsproces” Ik neem hier de tekst integraal over van Wikipedia. Scheelt me weer tijd.
Het ezelsproces
In de allereerste aflevering van "Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij" had Gerard Kornelis van het Reve (zoals hij toen nog heette) een 'Brief aan mijn Bank' opgenomen. Daarin vertelde de schrijver hoe hij zich de Wederkomst voorstelde:
’Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’
Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis Kamervragen (aan de ministers van justitie en van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk) over deze uitlatingen en drong aan op vervolging op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. De ministers antwoordden dat het Amsterdamse parket inderdaad vervolging zou instellen. De officier van justitie betrok in zijn dagvaarding ook een nauw verwante passage uit de inmiddels verschenen bundel 'Nader tot U'. Daarin had Van het Reve namelijk geschreven: ’En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’
De rechtbank oordeelde dat de passages weliswaar godslasterlijk waren, maar geen smalend karakter hadden. Reve ging daarop in hoger beroep, waarbij hij zelf zijn verdediging voerde. Hij wees er onder andere op dat de wet een onzinnig onderscheid maakt tussen het lasteren van personen die als God worden vereerd en het uitschelden van bijvoorbeeld Maria, Boeddha, of Krishna, die immers niet als goden worden beschouwd. [6] [10] Van het Reve werd vrijgesproken — een oordeel dat in april 1968 door de Hoge Raad werd bevestigd. Kort daarop werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend.
Dappere mensen zijn er gelukkig altijd geweest.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten