Denk nu niet dat ik als docent het leven heb van een luis. Gisteren begon ik om één uur, vandaag om elf uur en morgen word ik al om half negen verwacht. Als we dit gaan extrapoleren dan sta ik overmorgen al om zes uur op de stoep.
Zo’n schooljaar komt op gang als een oude locomotief. Het duurt even voor hij op stoom is gebracht. Als hij eenmaal rijdt is het een genoegen om hem in beweging te zien.
Ik heb het ritje nu al heel wat keren gemaakt en kan er nog steeds niet genoeg van krijgen.
Morgen stappen er weer nieuwe passagiers in. Een paar van hen mag ik begeleiden op hun reis. Jammer dat de helft van hen al weer is uitgestapt voordat we het eindpunt hebben bereikt. De neiging om deze metafoor nog verder uit te melken is verleidelijk, maar ik laat het hierbij.
Om anderen, mezelf, bestaande en niet-bestaande personen die toevallig een grote gelijkenis vertonen met personen die wel of niet bestaan te beschermen tegen laster en ander ongerief, heb ik besloten om wel over Buitenkunst te schrijven, maar hierbij een loopje te nemen met de waarheid, wat niet zeggen wil dat alles wat ik vermeld niet waar zou zijn of alleen maar fantasie.
Ik veroorloof mij dus enige zo niet veel artistieke vrijheid en als toevallig een verdwaalde lezer de situatie of zichzelf meent te herkennen in wat ik geschreven heb, dan adviseer ik deze om nog eens goed na te denken en zich af te vragen of wat er staat nu echt is gebeurd. Wij weten allen dat het geheugen uiterst onbetrouwbaar is en zeker geen maatstaf voor het maken van onderscheid tussen waarheid en fantasie.
Wat er staat kan gebeurd zijn, misschien ook niet, net een beetje anders of misschien moet het nog gebeuren.
Om het gemakkelijker te maken put ik uit mijn herinnering van 25 jaar Buitenkunst en voer ik personen aan die toevallig enige gelijkenis vertonen met bestaande personen.
In die 25 jaar heb ik zoveel gezien, gehoord en gedaan dat het logisch is dat fictie en facts door elkaar gaan lopen. Nou, en? Neem bijvoorbeeld het volgende verhaal.
Ik ben zo dronken als een tor en struikel in het donker over takken en lage struiken. Ik ben verdwaald en nu dat tot mij doordringt begin ik te giechelen. Heb ik eindelijk een afspraak en ben ik voor het eerst van mijn leven uitgenodigd om een niet onaantrekkelijk wezentje van het andere geslacht midden in de nacht op te vrolijken met mijn sprankelende aanwezigheid (“Dus ik hoef je alleen maar te vragen om naar mijn tent te komen en dan doe je dat? Zo eenvoudig is het?”) of daar lig ik met mijn liederlijke fantasieën in het gras te rollen in de pikdonkere nacht omdat ik niet meer op mijn benen kan staan en ik haar tent niet kan vinden. Hier zie ik natuurlijk de humor wel van in.
Ik besluit dat ik niet kan blijven liggen en om verder te gaan. Tot mijn verbazing sta ik opeens op een veldje waar ik een tent zie die net zoveel licht geeft als een grote lamp. Hoewel ik gewoonlijk een bescheiden en teruggetrokken persoontje ben helpt de drank mij aan een passend gedragsrepertoire voor deze gelegenheid. Hier past geen twijfel maar wordt om actie gevraagd. Ik doe de tent open en zie dat er tientallen theelichtjes branden die overal langs de kant op de grond zijn gezet.
Zij ziet er stralend uit bij dit warme licht. Haar donkere krullen vallen golvend over haar welgevormde schouders. Ze lacht en doet alsof ze verlegen is. Hoe gek kun je als vrouw een man maken…Ik kijk nog eens goed. Nee, haar heb ik niet eerder overdag gezien.
Als ik niet veel later onder haar lig gaat ze als een beest te keer. Ik kan haar niet bijhouden maar zij lijkt dat niet erg te vinden. Dan komt ze klaar en word ik besproeid door haar vocht. Zoiets heb ik nog niet eerder meegemaakt. Omdat ze aan mijn gezicht ziet dat ik het niet erg vind dat zij zoveel rommel maakt gaat ze vrolijk door en komt nog een keer.
Als ze even in mijn armen uitrust zegt ze dat ze het heerlijk vindt om zo ongeremd te kunnen zijn. Ik luister naar haar vriendelijke stem en hoor hoe de ritsen van andere tenten nadrukkelijk worden open- en dichtgetrokken. Met al dit licht en haar kermen en steunen wilde zij de anderen zeker laten weten dat deze nacht haar prooi niet aan haar ontsnapt was.
Ik weet niet hoe ze heet, waar haar tent precies staat en niet hoe laat het is. Maar ik vind het welletjes geweest.. Ze smeert nog een boterham met pindakaas voor me, want ik vertel haar dat ik honger heb gekregen. Dan legt ze mij uit hoe ik bij het kruispunt met de afvalcontainers komen kan, zoent me nog eens hartstochtelijk en neemt afscheid van me. Ik heb haar daarna nooit meer gezien en zou haar op straat zo voorbij lopen als ik haar toevallig zou tegenkomen.
Wat is er nu waar van wat hier geschreven staat? Had deze vrouw bijvoorbeeld wel donker krullend haar? Of was zij blond?
Maakte zij inderdaad zoveel herrie of verzin ik dat? Ben ik misschien gewoon haar naam vergeten? Was het één boterham met pindakaas of waren het er meer. Was het wel pindakaas? Erger nog, heeft deze vrouw wel bestaan? Heeft deze gebeurtenis eigenlijk wel plaats gehad? Vragen, vragen en nog eens vragen.
Ik ben niet het type dat biechtbehoeftig is en exhibitionisme is mij vreemd. Hoewel?
Wordt vervolgd, lieve lezertjes. Als ik daar tenminste de kans toe krijg van mijn vriendinnetje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten