Langs gaan bij twee bewust asociale vrienden van vroeger, die je jaren niet hebt gezien maar op een begrafenis van een gemeenschappelijke vriendin bent tegengekomen, is toch zo leuk. Ik raad iedereen geen begrafenis over te slaan. De dood brengt leven in de brouwerij. Deze keer was ik voor een etentje uitgenodigd. Mijn vorige bezoekjes waren op een verjaardag en dan zitten er ook veel andere mensen. Maar nu had ik ze helemaal voor mezelf. Voor mij alleen. En natuurlijk waren zij ook blij dat zij hun knuffeldier niet met anderen hoefden te delen.
Zij waren het die mij inspireerden tot het schrijven en ook deze keer werd ik rijkelijk voorzien van inspirerend materiaal en zoveel dope, dat ik op de terugweg in de tram bijna psychotisch werd. Ik maar zoeken naar die reep chocolade die ik natuurlijk al lang had opgegeten.
Ik sta nu wel weer voor een lastig dilemma. Ga ik net als vorige keer een serie nonsensverhaaltjes schrijven, waarin ik de verdwaalde reiziger mee neem naar sprookjesland, waar agenten en spionnen samen met mooie vrouwen, veel drank en dope de bloemetjes buiten zetten? En bedien ik mij deze keer dan van woeste planten, kleine kindertjes, dolgedraaide docenten en een maniakale paus om mijn verhaaltjes vorm te geven? Dit alles natuurlijk overgoten met een stevige doop wat, zoals sommigen wel weten, een Nederlands woord is uit de 17de eeuw, wat toen 'dikke saus' betekende.
Of zal ik de brokken schroeiend metaal die in het hersenvocht van mijn verdorven geest ronddrijven juist gebruiken om bij andere verdorven geesten het liquor cerebrospinalis in de ventrikels tot kookpunt te brengen? Geen honing maar venijn. Ik zou misschien alleen die ene lezer of lezeres over houden die het fijn vindt om een emmer stront over zich heen gekiept te krijgen. Overigens zou dat voor mij genoeg motivatie zijn om door te gaan met schrijven.
Alleen al door op te schrijven wat ik werkelijk denk zou ik anderen beledigen. Zoals zij dat ook zouden doen bij mij. Ga maar eens bij jezelf na wanneer je jezelf beledigd voelt. Is dat bijna niet altijd als iemand tegen je zegt dat jouw manier van denken en voelen niet is zoals het zou moeten zijn?
Eén van mijn favoriete schrijvers is Gerrit Komrij. Deze dappere man kan niet anders dan hele bevolkingsgroepen tegen zich in het harnas jagen. En dat alleen al door de dingen bij hun naam te noemen.
Nee, ik ben net als de vele mensen om mij heen als laffaard geboren en dat pak staat me goed. Als ik soms een heldendaad bega dan is dat per ongeluk. Je kunt niet èn held zijn en ook nog eens geliefd. Helden of mensen die hier voor door gaan laten ons voelen hoe klein wij zelf zijn en voor de vorm juichen we mee, maar het gaat ons hierbij meer om het gejuich en de sfeer (lache…, zuipe…) dan om de held. Volgens mij heb ik daar wel eens eerder over gerept. Ik besluit om het netjes te houden.
De muzen hebben vrij vanavond en daarom zal ik het zonder hun hulp moeten stellen. Laat ik bij het begin beginnen. Ik weet nog niet waar dit toe leidt, maar ongetwijfeld komen we ergens.
Het is donker. Pikdonker. Om mij heen is het een gewriemel van jewelste. Ik wriemel mee en ben op weg naar het licht. De goede God heeft het nodig gevonden om mij op aarde te zetten als een made. Een vette bleke made die straks na verpopt te zijn uit zal groeien tot een schitterende strontvlieg. Maar zover is het nog niet. Mijn lot is onzeker want vogels doen zich kwetterend en snaterend tegoed aan mijn broertjes en zusjes en als ze mij te pakken krijgen is het ook met mij gedaan. Dan ga ik weer voor honderden jaren de vergetelheid in en krijg daarna misschien een nieuwe kans.
Gelukkig is er een grote kat die zich onverwachts op de vogels stort en één van hen bij de vleugels te pakken krijgt. De anderen vliegen geschrokken op en blijven scheldend op een tak wachten tot het monster verdwenen is.
Ik heb bij wijze van spreken één hersencel meer dan de andere maden. Dit komt omdat mijn vader geboren is uit de drol van een academicus. Mijn moeder was zo’n type dat het deed met iedereen en ik ben daar later door anderen veel mee gepest. Maar ik loop hiermee vooruit op het verhaal.
Ik wriemel mij naar de rand van de mestvaalt waar zich weinig andere maden ophouden. Zo weet ik deze eerste dag te overleven.
Nu zit ik ondersteboven tegen het plafond. Ik heb heerlijk gegeten. Een beetje gesnoept van de zoete bessen die in een schaal op het aanrecht staan. En van de vla waarin deze bessen straks gegooid worden. Natuurlijk van het vlees dat op de snijplank ligt. De boerin heeft tevergeefs geprobeerd om mij dood te slaan en nu zit ik tegen een houten balk waar ik niet opval. Beneden mij prevelt de boer het avondgebed, krabbelt aan zijn zak en zegt “eet smakelijk”. De restjes zijn straks voor de hond, die kwijlend naast de tafel staat. Wat er dan nog overblijft is voor mij en mijn familie.
Deze vrome boer heeft achter in zijn kassen een enorme wietplantage. Ik weet dat, want vandaag ben ik met hem mee naar binnen gevlogen. Dat was niet zonder gevaar, want hij heeft er alles aan gedaan om de kas vrij te houden van insecten. De geur van dit alles beviel me wel. Ik besluit daarom in de buurt van deze geur te blijven.
“Morgen komen ze het ophalen” hoor ik de boer tegen zijn vrouw zeggen. Wat hij hiermee bedoelt ontgaat me maar ik vermoed dat het iets met de geur te maken heeft. De boer ruikt ook zo lekker. Hij draagt de geur van vieze onderbroeken en aangekoekt zweet met zich mee. Een mix die ik onweerstaanbaar vind. Maar tegen de wietgeur kan het niet op.
De volgende dag komt er een klein bestelbusje het terrein oprijden. Er worden grote zakken met heerlijke geuren in gegooid en ik verstop me in een hoekje. Ik hoor dat ze naar Rotterdam gaan. Ik weet niet waar dit ligt want ik ben pas één week oud en ken slechts de boerderij met de stallen er om heen. Maar ik heb wel zin in de reis. Bedwelmd door de geuren en de warmte val ik in slaap en word dan met een schok wakker als de wagen stopt. We zijn op onze bestemming.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten