Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

02 september 2009

Laat het vuur branden.

Mochten er mensen na mijn hardcore-introductie van Buitenkunst nu gelijk willen boeken voor volgend jaar, dan wil ik hier wel even overduidelijk vermelden dat het in mijn verhaal om het informele programma ging. Voor zo’n programma hoef je je niet ergens te melden, maar je moet er wel voor zorgen dat er minimaal één ander mee wil doen. En het wordt aan je eigen creativiteit overgelaten hoe je dit doet.
De opwinding die de formele programma’s kunnen geven zijn voor velen voldoende. Nog voor elf uur liggen zij uitgevloerd in hun slaapzak. Sommigen van hen ontdekken pas tegen het eind van de week hoe gezellig het ’s avonds en ’s nachts bij het vuur is en komen de laatste avond alsnog met zakken vol marshmallows en emmers met beslag hun schade inhalen. Om de indruk weg te nemen dat zij al dit lekkers hebben meegenomen voor zichzelf planten zij enkele kinderen bij het vuur neer, die de kans krijgen om zich hiermee vol te proppen. Ook volwassenen (als je 16 jaar of ouder bent dan ben je bij Buitenkunst volwassen) laten zich niet onbetuigd. Tussen twee slokken wijn in doen zij zich tegoed aan een geblakerd stukje deeg of nog nasmeulende marshmallow.

Wil je geloven dat ik werkelijk nog nooit een vervelend incident aan het vuur heb meegemaakt? De sfeer magisch te noemen is nog te zwak uitgedrukt. Laat ik eens proberen zo’n sfeertekening neer te zetten.
Het is nu net twaalf uur geweest. De vrouw waarmee ik heb zitten praten over haar scheiding en liefde voor wandelen is al een kwartier eerder naar haar tent vertrokken.
Wat ga jij morgen doen? vroeg ze nog voordat ze weg ging. Weet ik niet, was mijn reactie. Er zijn weer zulke leuke dingen. Ik denk ‘theater’. Maar ‘dans’ klonk ook wel goed.
Hoewel er nu niet meer aan het vuur gemusiceerd mag worden omdat sommigen die slapen willen daar last van hebben, zitten twee diehards nog steeds enthousiast maar zachtjes gitaar te spelen. Zij zijn de enige twee die zijn overgebleven van het gelegenheidsensemble dat eerder die avond nog bestond uit drie gitaristen, een violist, iemand met een trekzak en een trompettist.
Alle evergreens zijn de revue gepasseerd en sommige daarvan meerdere malen. Het koor van zangers is uitgedund. Ik schat dat er nog zo’n vijftig mensen bij het vuur zitten.
Het was een lange warme dag en morgenochtend vroeg is er om half zes een voorstelling van de zigeuners. Als je deze wil zien moet je vroeg gaan slapen.
Ik staar wat dromerig in het vuur. Meer dan twee glazen wijn heb ik niet gedronken. De nacht is nog jong. Ik herken een liedje van Tom Waits en neurie zachtjes mee. De tekst wil me niet te binnen schieten.
Twee zachte maar stevige handen worden op mijn schouders gelegd. Ik weet niet van wie. Als ik mij wil omdraaien om te kijken word ik zo vastgehouden dat dit mij niet lukt.
Wie ben je, vraag ik. Ssssst, is alles wat ik als reactie krijg. Dan is het goed, mompel ik en laat mezelf eens stevig masseren. Even sluit ik mijn ogen en dreig in te dommelen. Wat heb ik een slaap en wat ben ik moe.
De handen laten los. Bedankt, zeg ik. Ik draai mij om maar mijn masseur is verdwenen.
Ik kijk naar de mensen die nog bij het vuur zitten. De gezichten op de achterste rijen blijven in het duister gehuld. Het lukt me niet om mijn weldoener te achterhalen.
Het vuur is nu zo laag dat de heldere sterrenhemel zichtbaar is geworden. Ik leun achterover en herken de staart van de Draak die een slinger maakt tussen de Grote en Kleine Beer. Cassiopeia is duidelijk te zien. Laag aan de horizon zie ik de Pleiaden. Altijd als er een heldere sterrenhemel is ga ik naar de Zeven Zusters op zoek. Zij zijn mijn vriendinnen die mij begeleiden sinds de dag dat Kennedy werd vermoord. Ik hoorde dit tijdens een avondwandeling en diep bedroeft koos ik hen als mijn gidsen voor de toekomst. Ik was toen twaalf.
In de rode gloed van het smeulende vuur wordt het steeds moeilijker om de gezichten te herkennen en ik besluit om er wat hout op te gooien. Even later schieten de vlammen hoog op. Zo hoog dat ik zelfs de mensen op de achterste rijen kan herkennen.
Goed zo vuurman, wordt er geroepen. Mensen die eerst van plan waren om naar hun tent te gaan besluiten om nog even te blijven zitten. Zo hoort het ook.
Zachtjes wordt het “Hallelujah” van Leonard Cohen gezongen. Slechts enkelen kennen de hele tekst, maar bij het refrein zingt iedereen bewogen mee.
Dan is het opeens alsof ik wakker word. De slaap en vermoeidheid zijn van het ene op het andere moment verdwenen. Ik weet dat als ik nu de stick die ik in mijn binnenzak heb zitten opsteek ik weer in elkaar zal kakken en stel dit daarom nog even uit. De nacht is jong. Er kan nog van alles gebeuren. Dat blijkt als er een jong meisje geheel onverwachts naast me gaat zitten met een fles wijn in haar hand en zegt “Zo, ik heb een slokje op en nu durf ik wel. Ik heb je de hele week al willen aanspreken. Ik voel me zo ontzettend gelukkig.” Ik zie de tranen in haar ogen en voel me overdonderd door haar openhartigheid. Even weer voel ik de genade die mij ten deel valt. De onzichtbare hand die mij zachtjes optilt en laat voelen dat ik deel uitmaak van een wonder dat zich steeds opnieuw lijkt te herhalen op die kleine plek in Drenthe, waar ook het vuur in de harten van de mensen opnieuw tot leven komt.

Geen opmerkingen: