Na een kwartiertje varen begon het te regenen. Dit was normaal voor het seizoen.
De verwachting was dat het na enkele uurtjes weer zou opklaren.
De zee was asgrauw en we zaten onder een zeiltje mistroostig voor ons uit te staren over het rimpelige water. De regensluier had onze wereld veranderd in een viskom en ik begreep nu pas waarom goudvissen altijd een zeer beperkte kijk op het leven hebben. Als je zo weinig kunt zien is het moeilijk om te begrijpen dat de wereld meer te bieden heeft.
Het voelde voor mij aan alsof wij op ons bootje de enige overlevenden waren van een grote ramp, op zoek naar een veilige haven. Deze hadden wij echter net verlaten en ik hoopte maar dat de visser die ons had meegenomen de wateren met zijn ondiepten goed kende.
Gelukkig bleek dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. Uit de grijze nevel doemde onverwachts het donkere silhouet van een rotsachtig eiland op en op zo’n vijftig meter daarvandaan gooide de visser het anker uit. Ik keek over de railing en zag dat er een stevige stroming stond.
Dit is de plek, verzekerde Joep mij. Paula was er bij komen staan. Gaan we hier duiken?, vroeg ze. Het lijkt me hier niet ongevaarlijk. We begrepen dat de tijd gekomen was om haar bij te praten. Toen Joep haar zijn verhaal had verteld schudde ze haar hoofd.
Als wij hier gaan duiken gebeuren er ongelukken. De stroming is veel te sterk.
Joep verzekerde ons dat over een uurtje de stroming zou afnemen bij het wisselen van het tij. We zouden dan een half uurtje hebben om te duiken. Voor de zekerheid zouden we ons vast moeten maken aan een lange lijn, die Joep had meegenomen.
Ook de anderen hadden meegeluisterd en het leek dat zij door de vooruitzichten op het mogelijk vinden van een schat een beetje opgewonden waren geraakt, ook al zouden Paula en ik als enigen het water in gaan.
Theo besloot op zijn manier een bijdrage te leveren. Hij had het bizarre vermogen om zichzelf in trance te brengen en kreeg daardoor toegang tot een soort van kosmisch bewustzijn. Mogelijk is dat hetzelfde als het Akasha archief. Voorwaarde was dat hij in een staat van opwinding gebracht moest worden. Het verhaal over de schat had hem reeds in die staat gebracht, want hij zat met grote bolle ogen en zacht voor zich uit prevelend naar het water te staren. Alsof er een magneet aan hem trok.
Resoluut draaide hij zich opeens naar ons toe. Hier is het, zei hij plechtig. Ik voel het aan mijn water, waarna hij naar de achtersteven liep om over de railing te piesen.
Yvonne bevestigde ons dat Theo met zijn gevoel bijna nooit fout zat en toen even later de stroming langzaam afnam en uiteindelijk helemaal stil kwam te liggen was Paula gelukkig overtuigd. We trokken onze pakken aan, maakten ons vast aan het touw en lieten ons in het water zakken. Inmiddels was het gestopt met regenen en brak hier en daar de zon door het wolkendek heen. Toen we naar beneden doken waaierden lichtbundels als zoeklichten uit en zorgden voor een adembenemend schouwspel.
Het water was zo’n vijftien meter diep, kristalhelder en had een aangename temperatuur. Kort gezegd, Paula en ik genoten. We wisten dat we maar een half uur hadden, met de decompressietijd meegerekend, en daarom niet meer dan een kwartier om de bodem af te zoeken. Al heel snel zagen we de contouren van diverse uiteen gereten scheepswrakken die hier blijkbaar door de stroming naar toe waren gevoerd. Het zag er fascinerend uit.
Paula wees op een wrak dat haar aandacht getrokken had. Het wrak zat ingeklemd tussen twee rotsen en ik vermoedde dat dit de reden was waarom het nog niet uit elkaar was getrokken door de stroming. Het zag er nog redelijk intact uit en daarom besloten we dat als eerste te onderzoeken. Niet dat we echt de verwachting hadden om iets te vinden, maar we moesten toch ergens beginnen.
Via een fors gat in de romp zwom ik voorzichtig naar binnen en bescheen met mijn lamp de binnenkant. Bijna gelijk zag ik de schedel van een mens liggen in een laagje zand op de bodem. Naast de schedel stak iets hoekigs uit het zand omhoog. Ik wrikte het voorzichtig los. Het bleek een Samsonite koffer te zijn. Deze was onbeschadigd. Hoewel we hier niet naar op zoek waren leek het mij geen kwaad kunnen om de koffer mee te nemen.
Ik maakte Paula duidelijk dat er verder niets bijzonders te vinden was in het wrak en toen ik op mijn klokje zag dat er 15 minuten voorbij waren zwommen we beiden naar boven. De stroming nam weer toe en langer in het water blijven leek ons niet verantwoord.
Toen we uiteindelijk aan dek stonden, de blauwe koffer naast ons en iedereen opgewonden over onze vondst, ontging het mij niet dat Joep van ons allen de meeste moeite had om zijn opwinding onder controle te houden. Gewoonlijk straalde hij een en al rust uit, maar nu liep hij bijna te dansen alsof er een pepertje in zijn hol zat.
Met moeite slaagde hij er in om zijn geduld te bewaren tot wij weer waren omgekleed. Nee, hij vond het niet erg dat we de gouden Boeddha niet gevonden hadden. Het zou hem werkelijk verbaasd hebben als dit wel het geval zou zijn geweest. Er was immers helemaal geen sprake van een gouden Boeddha. Het was deze koffer waar hij werkelijk naar op zoek was geweest en hij beschouwde het als een klein wonder dat wij hem al bij onze eerste duik gevonden hadden. Zijn berekeningen bleken helemaal te kloppen. Door de sterke stroming werden al de wrakken voor de kust naar deze plek toe gevoerd. Daarom stond het gebied bekend als interessant voor duikers maar ook als levensgevaarlijk. Duiken was slechts twee keer per etmaal mogelijk en langer dan een half uur onder water was hier regelrechte zelfmoord. Paula en ik stonden perplex van de ongedwongenheid waarop hij dit allemaal aan ons op biechtte. Het was gelukkig allemaal goed gegaan en wij vroegen ons natuurlijk af wat er nu zo belangrijk aan onze vondst was dat hij bereid was geweest zulke risico’s te nemen met onze levens. Ik realiseerde mij opeens dat die AIVD-ers bereid waren om over lijken te gaan en die lieve Joep met zijn vriendelijke blik was hierop helaas geen uitzondering.
Natuurlijk wist ik niet dat ook de anderen in het complot zaten want zij zaten, zoals sommigen weten, allemaal bij de AIVD. Ik had dan ook destijds maar een klein stukje van het verhaal gehoord van mijn broer, die ook lid was van deze club.
Als ik het wel had geweten was ik niet eens bij Joep en zijn mooie Thaise langs gegaan. Mijn God, wat voelde ik mij genaaid. Paula wist niets van dit alles. Zij dacht slechts dat Joep een of andere malloot was, maar omdat ze hier niets verder achter zocht maakte ze zich niet al te druk.
Ik vermoedde dat er geheime documenten in de koffer zaten. En kon niet laten om dit te zeggen. Hoewel ik het niet leuk vond om gebruikt te worden door de AIVD kon ik mij wel voorstellen dat zij soms burgers als Paula en ik voor hun karretjes spanden. Tenslotte waren wij volkomen ongevaarlijk voor hen en hadden wij alle reden om onze mond te houden.
Geheime documenten? Theo barste in lachen uit. Joep grinnikte. Had ik iets doms gezegd?
Joep legde de koffer op zijn kant. Met een schroevendraaier bewerkte hij vakkundig het slot en binnen enkele minuten had hij dit open.
We keken met z’n allen met belangstelling toe. Als er geen documenten in zaten wat dan wel? Coke? Diamanten? Werkelijk, ik had geen idee. Ja, zij wisten het, maar dat maakte hen niet minder nieuwsgierig.
Joep vouwde de koffer open. Deze bleek waterdicht te zijn. Niet één druppel was er naar binnen gedrongen. In de koffer zaten zes albums en een grote hoeveelheid losse plastic zakjes. Ik keek nog eens goed en kon mijn ogen niet geloven. Postzegels, een koffer vol met postzegels. Paula en ik hadden ons leven gewaagd voor postzegels en, naar wat later bleek, suikerzakjes. Want deze zaten in de losse plastic zakjes. Ik voelde mij duizelig worden en ging even zitten.
Joep vertelde dat zijn vroegere buurman net als hij een enthousiaste verzamelaar van suikerzakjes en postzegels was. Hij dreef hier een levendige handel in en ging regelmatig met zijn boot de kustplaatsen langs om postzegels en suikerzakjes te ruilen en te verkopen. De dag vóór de tsunami had hij Joep laten zien waar deze keer zijn handelswaar uit bestond. Likkebaardend had Joep deze bekeken en zichzelf vervloekt dat hij voor de AIVD werkte. Met zijn schamele loontje zou hij nooit, maar dan ook nooit een verzameling kunnen aanleggen zoals zijn buurman die had.
Op de dag van de tsunami was hij zoals gewoonlijk met zijn blauwe koffer vertrokken. De rest was geschiedenis. Nu, vijf jaar later, was de koffer van zijn vroegere buurman eindelijk in zijn bezit gekomen. Nooit eerder had hij zoveel voldoening ervaren.
Nadat hij Paula en mij zijn verhaal, dat bij de anderen al bekend was, had verteld, sloot hij mij in zijn armen.
Het spijt me oprecht dat ik jullie twee zo heb gebruikt, maar ik zag geen andere mogelijkheid, zei hij. Paula en jij hebben mij tot de gelukkigste mens ter wereld gemaakt. De anderen keken ontroerd toe. Het was geweldig om een collega zo blij te zien.
We bleven nog één nacht bij Kunika en Joep slapen. Theo en Yvonne hadden ons thuis gebracht en waren al snel hierna weer vertrokken.
Ik was bezig met het inpakken van onze koffers toen Joep opeens in de slaapkamer stond. In zijn hand had hij iets wat leek op een doek, maar toen hij deze uitvouwde bleek het een lange onderbroek te zijn.
Ik wil dat je deze meeneemt, zei hij. Ik weet dat het vreemd klinkt en dat je denkt dat ik niet helder in mijn hoofd ben, maar ik heb nu eenmaal iets met lange onderbroeken. Hebben wij niet allemaal onze eigenaardigheden? Nee, neem maar rustig aan. Hij is gewassen.
Ik zag hem even aarzelen. Toen zei hij: Als je het echt bezwaarlijk vindt geef mij dan een onderbroek van jou. Het is niet erg als deze vuil is.
Ik heb zijn onderbroek aangenomen want hij keek zo vreemd uit zijn ogen en eerlijk gezegd weet ik niet hoe hij zou hebben gereageerd als ik geweigerd had.
Natuurlijk heb ik hem weggegooid zodra ik hiertoe een kans zag. De onderbroeken van Paula en mij vond hij te gewoontjes, dus die heb ik gewoon ingepakt. Hij bracht ons samen met Kunika naar het vliegveld, waar hij afscheid van ons nam. We zijn nog twee weken in Thailand geweest, maar gedoken hebben we niet meer in die vakantie.
Dat was een lang en spannend verhaal, zeg ik hem. Als strontvlieg kan ik heel goed begrijpen waarom hij zo verzot was op onderbroeken. Ik ben er zelf ook dol op.
De oude man haalt plotseling naar mij uit en ik kan nog net wegvliegen. Geschrokken ga ik op een hoekje van de tafel zitten.
Waarvoor was dat nodig, vraag ik hem boos. Mag ik geen begrip tonen voor iemand die dezelfde smaak heeft als ik?
Sorry, zegt de oude man. Verschoven agressie. Ik neem het je niet kwalijk dat je het voor Joep opneemt. Maar als ik terugdenk aan wat er is gebeurd voel ik mijn bloeddruk stijgen.
Geeft niet, reageer ik. Daar heb ik begrip voor. Ik vind dat jij en ik een leuke tijd samen hebben gehad en we hebben volgens mij veel van elkaar geleerd. Niets is wat het lijkt, zeg ik altijd maar. Nu wordt het tijd voor mij om aan mijn toekomst te denken. We zitten hier vlak bij de polder en ik verwacht dat ik daar wel een goede koeienvlaai en enkele dametjes kan vinden, waarmee ik voor mijn nageslacht kan zorgen. Echt, het was een leuke tijd, maar nu moet ik gaan.
Omdat ik de oude man geen hand kan geven druk ik mijn achterste even tegen zijn wang aan.
Het ga je goed, zegt de oude man. Als je in de buurt mocht zijn kom dan weer even langs. Ik stijg op en vlieg door het bovenlicht naar buiten. Nieuwe avonturen tegemoet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten