De twee dagen die volgen heb ik een heerlijk leven. De bloemen in de vensterbank geven voldoende stuifmeel om mij te voeden. Aan de drollen die de hond op balkon keurig op een krant deponeert heb ik niks. Wij strontvliegen kunnen immers niet van stront leven. Daar worden wij wel in geboren en planten wij ons ook in voort, maar zonder stuifmeel en zo af en toe een andere vlieg leggen wij al gauw het loodje.
Ik ben terecht gekomen in een nijver gezin. ’s Avonds zitten vader en moeder met hun drie kinderen van tien, elf en twaalf jaar oud gezellig om een grote houten tafel en worden de gedroogde planten van takjes en blaadjes ontdaan, zodat alleen de gedroogde topjes overblijven en die worden in kleine plastiek zakjes gestopt. Er wordt gelachen en gezongen en vader vertelt spannende verhalen. Echt een leuk gezin.
Af en toe komen er mensen langs en dan krijgen zij één of meerdere zakjes met kruiden mee. Eén van hen is een goedlachse oudere man die mijn aandacht trekt. Al ruikt hij niet zo lekker als de boer waarbij ik ben opgegroeid, ik voel al gelijk een band met hem.
Wij strontvliegen hebben een oog voor zulke mensen en verblijven graag in hun nabijheid.
Als hij weg gaat, land ik zacht op zijn linker schouder. En nu zit ik bij hem thuis.
Het is avond. De man zit beneden aan tafel achter het beeldscherm van zijn computer. Zijn vriendin zit boven in haar werkkamer te naaien. Het wordt donker en de man doet de gordijnen aan de straatkant dicht. Ik waag het er op en strijk neer naast het toetsenbord.
Als de man mij ziet maakt hij een vreemd zoemend geluid. Hij doet pogingen om met mij in gesprek te komen. Aandoenlijk. Zou dit misschien komen door de kruiden die hij zo af en toe rookt? Ik weet dat de boerin ook contact had met dieren. Eens riep zij met een hoog geluid een kip bij zich die op het erf scharrelde. Het beest hield op met het zoeken naar voedsel en liep rustig naar haar toe. Toen sprong zij pardoes omhoog en landde op haar schoot. De boerin lachte vertederd, aaide haar zachtjes over haar bolletje waarna de kip tevreden haar ogen sloot. En terwijl de kip in lichte extase genoot van dit gekroel pakte zij haar opeens bij de nek. Nog voordat zij een geluid had kunnen uitbrengen had ze haar de nek omgedraaid.
Met deze kennis was ik wel wat voorzichtiger geworden.
Hoe is het met jou, vliegje? vraagt de man.
Uitstekend, antwoord ik.
De man is aangenaam verrast door mijn reactie. Hij kijkt schuw door het trappengat naar boven. Is de deur dicht? Hij heeft geen zin betrapt te worden tijdens een conversatie met een vlieg. Maar de deuren zijn boven dicht en hij kan het gesprek rustig voort zetten.
We maken kennis met elkaar. Ik heb niet veel te vertellen. Ik leef immers nog maar kort. Maar hij toont interesse in alles wat ik hem vertel en ondertussen maakt hij aantekeningen. Ik vraag hem waarom hij dat doet. Hij verklapt me dat hij af en toe wat schrijft en al heb ik dan nog niet veel meegemaakt, hij vindt het toch wel bijzonder dat wij hier samen zitten te babbelen.
Wat schrijf je dan? vraag ik hem. Ik zou over jou kunnen schrijven, is zijn reactie. Over mij?
Mijn borst begint te gloeien.
De man lacht. Het is niet de eerste keer dat er wat geschreven is over een vlieg, zegt hij. Eén schrijver, een zekere Jean-Paul Sartre had in 1943 zelfs een toneelstuk geschreven dat “De vliegen” heette. Waren dat ook strontvliegen? vraag ik. De man bekent me dat hij dat niet weet. Ik ken nog wel een liedje over een strontvlieg, zegt hij. En hij zingt:
In het land van Suriname
holadiejeejee, holadiejo
Zat een strontvlieg voor de ramen
holadiejeejee, holadiejo
Waar zat die strontvlieg naar te kijken
holadiejeejee, holadiejo
Naar een olifant die stond te zeiken
holadiejeejee, holadiejo
En die olifant die dikke donder
holadiejeejee, holadiejo
Ik onderbreek hem. Leuk, leuk, roep ik en denk “wat een flauwekul” Fijn om te weten. Kan ik je ergens mee helpen, vraag ik de man.
Zeker wel, zegt de man en schenkt zichzelf een glas water in. Eén druppel laat hij vallen op tafel. Die is blijkbaar voor mij.
Ik zoek iemand om mijn ideeën mee te bespreken. Een onafhankelijke niet goed gesocialiseerde ziel, die zichzelf een mening vormen kan over wat hem wordt voorgelegd.
Onder mijn soortgenoten komen weliswaar veel niet goed gesocialiseerde zielen voor, maar de meesten zijn niet onafhankelijk en een eigen mening hebben ze al helemaal niet. Ik denk dat jij een ideale sparringpartner bent.
Daar ben ik het mee eens, is mijn reactie
Ik bedoel, ik meen dat jij daar gelijk in hebt. Waar wil je het over hebben?
Over Godsdienst.
Ik schrik. Politiek en Godsdienst zijn juist de onderwerpen waarover je met anderen alleen maar ruzie maken kan. En als dit niet zo is en iedereen is het met elkaar eens, dan geeft dat ook een onbevredigd gevoel. Een beetje als masturberen met handschoenen aan.
Maar ik weet niets van Godsdienst, werp ik tegen.
Natuurlijk weet je daar wel wat van. Jouw God is toch de duivel, Beëlzebub, Belial of Lucifer of hoe je hem ook wilt noemen? De God van de vliegen?Ik kan het niet ontkennen. Ik hoor het niet graag, maar het is niet anders. Wij vliegen worden als zonen en dochters gezien van de vorst der duisternis. Veel begrip is er niet voor ons.
En deze mens wil met mij in gesprek. Wat een malloot.
Waar zit je mee? vraag ik hem.
Dat zal ik je vertellen, zegt de man en hij schuift wat dichter bij. Ik deins een stapje terug van zijn frisse adem en wacht af wat hij me te vertellen heeft.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten