Vandaag een ‘knipselkrant’ met zomaar wat reacties op het feest waar iedereen zo lang naar had uitgekeken. Wat een ‘waar hoogtepunt’ had moeten worden, zoals door onze bestuursvoorzitter zo mooi onder woorden werd gebracht in de folder waar ‘dream city werd aangeprezen, eindigde in een stevige vechtpartij die zelfs de landelijke bladen haalde. Zes man werden aangehouden voor onder meer mishandeling. Zeven mensen raakten gewond door de vechtpartijen, meldt de politie zondag. Vier gewonden moesten naar het ziekenhuis. Drie gewonden konden ter plaatse worden behandeld aan onder meer snijwonden.
Ik laat een paar van onze leerlingen hier zelf even aan het woord.
Tess: Alleen jammer dat ik zolang voor de deur moest wachten.
Het was te druk binnen, dus stond ik zeker een uur te wachten.
Kwamen die politiemannen nog met paarden en honden ons naar achter drijven..
Volgende x is het handig als jullie dat iets beter regelen, de binnenkomst enzo.
MAAR VERDER WAS HET TOP!
Maaike: ik vond er zelf niks aan, ik hoorde iets over een goodiebag aan het eind van de avond. ik heb niks gekregen en toen ik het ging vragen hoorde ik dat je het via school moest regelen, en hoe weet de school nou dat je geweest bent?
verder te lang buiten wachten & alles stopte om 12 uur zodat je wel moest gaan, de helft liep om kwart over 12/half 1 al buiten.
Lindsay: Het aantal gevechten was wel echt heel erg jammer! Vriendinnen van ons mochten niet meer binnen vanwege de gevechten! Dat snap ik nooit hoor.. Stelletje idioten.. Je komt toch om te feesten!? Verder was het wel beeere gezellig!
Charel: wij mochten niet meer naar binnen door de drukte!!!
stond daar 3 kwartier te wachten..
wil me geld terug
Jessica: De entree blijkt naar vele reacties dus idd bagger te zijn, ook mijn ervaring was niet best... Volgende x moeten ze gwn hekken nemen zoals bij attractieparken...
Verders was feest top, ook wel jmmr dat het om half 12 afgelopen was
Patty: Jammer van de gevechten en de gespannen sfeer. En ik wil m’n Goodiebag
Kim: dramatisch
Viletta: Ik vind ook dat de entree beter kon. Had dan idd hekken neergezet ofzo want nu kwamen ze opeens met paarden aan om ons terug te dringen. En een beetje jammer van die goodiebag idd. Niks gezien. En nog een minpuntje was dat het om half 12 afgelopen was
Mehran: volgende keer bokshandschoen bij ingang uitdelen inplaats van goodybags
Patty: Het boekje zou ook online moeten staan. Deze link is alleen niet meer beschikbaar. Ik ben mijn boekje kwijt geraakt in de menigte op de terug weg.Ben maar klein en werd telkens omver gelopen. Kun jij het formuliertjes anders scannen voor de liefhebber? Dat zou fijn zijn!
Chiar: Het binnenkomen was echt drama!
Verder heb ik -buiten het feit dat ik iemand op een brancard afgevoerd heb zien worden- niet veel gemerkt van rellen.
Eerst vond ik het nog niet zo leuk, maar de loop van de avond begon iedereen te dansen, toen vond ik het wel gezellig!
Jammer inderdaad dat het rond half 12 ineens was afgelopen! Het zou tot 0100 duren...
Naar het volgende event? Ja, lijkt me wel leuk!
Shirley23: Goeie muziek, de rest echt té slecht geregeld...zwaar kutfeest met kutsfeer. Schandalig hoe het geregeld was! Door politiepaarden verdrongen worden in de rij,..echt ongelofelijk. Dat ze zoiets niet kunnen organiseren...Kwam voor de vette line-up, en de muziek in sommige zalen was dan ook het enige goeie aan dat baggerfeest. Leek wel een uit de hand gelopen schoolfeest, en dan ook nog vechtpartijen zien en lastig gevallen worden door dronken Marokkaantjes van 16...Ben er nog geen 3 uur geweest, zonde van m'n geld, en goodiebag? Waar dan? Nooit meer zo'n feestje.
Vievy: Muziek was goed en heb me prima vermaakt, maar wat een volk liep er rond zeg! Ik heb zeker 30 meiden half aangerand zien worden en dan vinden ze het gek dat je een hekel aan buitenlanders krijg?
Robbekop: Geen sfeer, vervelende mensen, veel vechtpartijen, lauwe drank, wel goede muziek maar die kon t niet redden.
In totaal misschien 2 uur daar geweest.. Blij toen ik weg was..
Nouk02: Mijn hemel wat een feest... In de eerste plaats snapte ik het concept al niet zo goed (een goede line-up, maar ook een gaming area, workshop paaldansen, je kon er voetballen, je haar er laten knippen..HUH??!) maar oke a la door die 10 euro (HUH?!) zo overgehaald! Daar op het feest kwam ik erachter dat het een 16+ feest was (dat stond nergens aangegeven toch?) dus even slikken maar nog steeds met volle moed. Muziek was top., alleen jammer dat er smiddags al zo ontzettend gebeukt werd met allemaal hitjes, dus waar zit dan het hoogtepunt? Publiek was DRAMA. Je merkte dat naarmate de avond vorderde de spanningen hoop opliepen en dat uitte zich dus ook in gevechten. Mensen werden afgevoerd op brancards en buiten stond de politie al in grote getalen paraat. Om half 10 ging ik weg en kon toen al niet via de normale uitgang naar buiten wegens teveel gezeik. Toen naar een andere uitgang gebracht waar ik eerst moest wachten op weer een passerende brancard. Een goodiebag kregen we niet omdat dat volgens de politie voor teveel overlast zou zorgen.. My god waar gaat dit heen.. Erg jammer.
Kleintje: Feest eerder geëindigd na vechtpartijen
Rond het feest Dream City in Ahoy zijn zaterdagavond zes mensen gearresteerd en zeven mensen gewond geraakt. Het feest werd door de organisatie in overleg met de politie eerder afgesloten.
Het feest was zaterdagmiddag rond vier uur begonnen. Rond zeven uur was er een grote toestroom van bezoekers. Daarbij ontstonden veel gevechten. Ook binnen was de sfeer niet al te feestelijk door ongeregeldheden.
Het feest werd rond half twaalf beëindigd. Dat was twee uur eerder dan gepland.
De RET zette extra metrostellen in om bezoekers op ordelijke wijze te vervoeren.
Nu je er toch bent...
Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.
Pagina's
30 november 2009
29 november 2009
feest?
Natuurlijk had ik beter moeten weten. Maar na de tweede brief van school en de moeite die ik gedaan had om op het laatste moment een kaartje te krijgen, gingen Paula en ik gisteravond toch naar Dream-City in de Ahoyhal. Daar zou een swingend feest georganiseerd worden voor zowel docenten als leerlingen. De kaartjes waren € 10,- als je ze via de school bestelde en je betaalde wat meer als je ze ergens anders kocht.
Paula had eigenlijk wel wat anders aan haar hoofd door de onverwachtse dood van Jan. Uiteindelijk kwamen we overeen dat ik in mijn eentje verder zou gaan en zij bij het station de tram terug zou nemen.
Bij de ingang van de Ahoyhal werd iedereen tot bijna in de bilnaad gefouilleerd. De joker die mij visiteerde had voorheen blijkbaar in de bajes gewerkt want hij onderzocht werkelijk alles, tot en met de inhoud van mijn portemonnee toe. Ik wist niet waar hij naar op zoek was, maar hield voor de zekerheid zijn handen goed in de gaten toen hij door de bankbiljetten bladerde.
Eindelijk mocht ik naar binnen. Ik voelde mij behoorlijk opgelaten. Een dergelijke vernederende behandeling ben ik niet gewend, al heb ik vele jaren geleden bij een bezoek aan Neil Young aan de Ahoyhal een zelfde grondig onderzoek meegemaakt.
Binnen gekomen ging ik op zoek naar collega’s maar ik kwam er niet één tegen. Dwalend door de zes grote zalen, waar een soort van hakketakketering muziek werd gedraaid, telde ik een paar honderd leerlingen en evenveel beveiligingspersoneel en ik kreeg de indruk dat het feest nog moest beginnen. Het was inmiddels zeven uur ’s avonds en het openingsprogramma met Chuckie was om vier uur geweest. Wat was er in de afgelopen drie uur gebeurd?
Nergens een bekend gezicht. De leerlingen die ik tegen kwam waren van andere opleidingen. Natuurlijk niet zo vreemd dat ik mij voelde als een bezoeker van een andere planeet. Na een half uur had ik het wel gezien en besloot om weg te gaan. Blijkbaar was ik de eerste die vroeg naar de uitgang, want de beveiligers aan wie ik vroeg waar de uitgang was keken mij en elkaar verbaasd aan. Een jongen was zo vriendelijk om mij te adviseren via de ingang naar buiten te gaan. En dat ging probleemloos.
Buiten gekomen ademde ik de frisse lucht met volle teugen in. Binnen zou het feest of wat er voor doorging nog uren door gaan maar gelukkig zonder mij. Ik was blij dat Paula al eerder was afgehaakt. Opnieuw nam ik mij voor om voortaan ver uit de buurt te blijven van wat anderen een ‘waar hoogtepunt’ noemen waarbij ‘niemand zich dan ook één moment zal vervelen’ en meer van die onzin, zoals door onze bestuursvoorzitter zo mooi gezegd werd in de folder waar het hele gebeuren werd aangeprezen. Ik begin blijkbaar te oud te worden voor die flauwekul.
Paula had eigenlijk wel wat anders aan haar hoofd door de onverwachtse dood van Jan. Uiteindelijk kwamen we overeen dat ik in mijn eentje verder zou gaan en zij bij het station de tram terug zou nemen.
Bij de ingang van de Ahoyhal werd iedereen tot bijna in de bilnaad gefouilleerd. De joker die mij visiteerde had voorheen blijkbaar in de bajes gewerkt want hij onderzocht werkelijk alles, tot en met de inhoud van mijn portemonnee toe. Ik wist niet waar hij naar op zoek was, maar hield voor de zekerheid zijn handen goed in de gaten toen hij door de bankbiljetten bladerde.
Eindelijk mocht ik naar binnen. Ik voelde mij behoorlijk opgelaten. Een dergelijke vernederende behandeling ben ik niet gewend, al heb ik vele jaren geleden bij een bezoek aan Neil Young aan de Ahoyhal een zelfde grondig onderzoek meegemaakt.
Binnen gekomen ging ik op zoek naar collega’s maar ik kwam er niet één tegen. Dwalend door de zes grote zalen, waar een soort van hakketakketering muziek werd gedraaid, telde ik een paar honderd leerlingen en evenveel beveiligingspersoneel en ik kreeg de indruk dat het feest nog moest beginnen. Het was inmiddels zeven uur ’s avonds en het openingsprogramma met Chuckie was om vier uur geweest. Wat was er in de afgelopen drie uur gebeurd?
Nergens een bekend gezicht. De leerlingen die ik tegen kwam waren van andere opleidingen. Natuurlijk niet zo vreemd dat ik mij voelde als een bezoeker van een andere planeet. Na een half uur had ik het wel gezien en besloot om weg te gaan. Blijkbaar was ik de eerste die vroeg naar de uitgang, want de beveiligers aan wie ik vroeg waar de uitgang was keken mij en elkaar verbaasd aan. Een jongen was zo vriendelijk om mij te adviseren via de ingang naar buiten te gaan. En dat ging probleemloos.
Buiten gekomen ademde ik de frisse lucht met volle teugen in. Binnen zou het feest of wat er voor doorging nog uren door gaan maar gelukkig zonder mij. Ik was blij dat Paula al eerder was afgehaakt. Opnieuw nam ik mij voor om voortaan ver uit de buurt te blijven van wat anderen een ‘waar hoogtepunt’ noemen waarbij ‘niemand zich dan ook één moment zal vervelen’ en meer van die onzin, zoals door onze bestuursvoorzitter zo mooi gezegd werd in de folder waar het hele gebeuren werd aangeprezen. Ik begin blijkbaar te oud te worden voor die flauwekul.
28 november 2009
De dood.
Het valt mij op dat ik het in de stukjes, die ik de laatste tijd geschreven heb, vaak over de dood heb. Onze verwevenheid met de natuur uit zich immers in onze gemoedsstemming. En zeg nu zelf, dit zijn toch troosteloze dagen?
Voor mij en vele anderen is de herfst een tijd van afscheid nemen. Onze zomerdromen zijn door een slecht geheugen en een teveel aan fantasie tot anekdotes geworden die het op feestjes en in een weblog soms goed doen, maar in feite niets anders zijn dan een vorm van geschiedvervalsing. Was het eten in dat bijzondere restaurant in dat kleine pittoreske plaatsje aan het strand wel echt zo lekker als je jezelf nu herinnert of had je toen gewoon een vreselijke honger? Of was het de veel te hoge rekening waardoor je achteraf moet vaststellen dat het wel heel lekker moet zijn geweest?
En dat meisje of die jongen waarmee het zo leuk klikte. Was die nu echt leuker dan de partner waarmee je al jaren het bed deelt?
Het blijven onbeantwoorde vragen, want we koesteren onze leugens als kostbare juwelen. Niemand kan ons dwingen er afstand van te doen.
Met het korter worden van de dagen raken we wat ingekeerd. Te grote uitbundigheid kost nu eenmaal teveel energie en als voorbereiding op de winter moet ons organisme daar zuinig mee zijn. Zo is het bekend dat veel mensen in deze tijd behoorlijk in gewicht aankomen en het zal ook wel niet voor niets zijn dat we ons tijdens de vele feestdagen kunnen volproppen. Over enkele maanden, als al die vetlagen hinderlijk beginnen te worden bij het naderen van de zomer omdat ze dan weer zichtbaar worden voor onze medemens, staan we met een spijtige blik naar ons zelf in de spiegel te staren. Vaak is dit voldoende om ons te motiveren een extra sprintje te trekken of om drie keer per week naar de sportschool te gaan in plaats van één keer.
Gelukkig helpt de natuur ons dan een handje om ons weer min of meer in vorm te krijgen. De grote schoonmaak in het voorjaar ruimt niet alleen de troep op die we om ons heen hebben verzameld maar ook de rotzooi van binnen raken we wat makkelijker kwijt.
Behalve dat de dood zich uit in het symbolisch afscheid nemen van het verleden is er ook de echte fysieke dood. Terwijl ik aan mijn weblog werk zit Paula in het ziekenhuis een vriendin te troosten omdat haar man een paar uur geleden een hartstilstand heeft gehad. Van het ene op het andere moment was hij dood. Hij stierf onder haar ogen.
En nog geen maand geleden kreeg een collega waarmee ze goed kon opschieten een hersenbloeding die haar fataal werd.
Vooral als de dood onaangekondigd komt en wij er als het ware door worden overvallen, is de verbijstering groot.
Ik zat gitaar te spelen toen de telefoon ging en Paula het slechte nieuws kreeg. Aan haar gezicht zag ik hoe ernstig het nieuws was en ik stopte met spelen. Ik begreep dat er iemand was dood gegaan maar ik wist nog niet wie. Heel even was ik bang dat het één van onze kinderen zou zijn. Maar ik zag aan haar gezicht dat dit niet zo was. En als je dan hoort wat er werkelijk aan de hand is en er wordt bevestigd dat het niet om iemand gaat die je zelf goed kent en waar je mogelijk een band mee hebt is er, ook al is het nieuws nog zo slecht, vreemd genoeg toch ook een gevoel van opluchting.
Voor mij en vele anderen is de herfst een tijd van afscheid nemen. Onze zomerdromen zijn door een slecht geheugen en een teveel aan fantasie tot anekdotes geworden die het op feestjes en in een weblog soms goed doen, maar in feite niets anders zijn dan een vorm van geschiedvervalsing. Was het eten in dat bijzondere restaurant in dat kleine pittoreske plaatsje aan het strand wel echt zo lekker als je jezelf nu herinnert of had je toen gewoon een vreselijke honger? Of was het de veel te hoge rekening waardoor je achteraf moet vaststellen dat het wel heel lekker moet zijn geweest?
En dat meisje of die jongen waarmee het zo leuk klikte. Was die nu echt leuker dan de partner waarmee je al jaren het bed deelt?
Het blijven onbeantwoorde vragen, want we koesteren onze leugens als kostbare juwelen. Niemand kan ons dwingen er afstand van te doen.
Met het korter worden van de dagen raken we wat ingekeerd. Te grote uitbundigheid kost nu eenmaal teveel energie en als voorbereiding op de winter moet ons organisme daar zuinig mee zijn. Zo is het bekend dat veel mensen in deze tijd behoorlijk in gewicht aankomen en het zal ook wel niet voor niets zijn dat we ons tijdens de vele feestdagen kunnen volproppen. Over enkele maanden, als al die vetlagen hinderlijk beginnen te worden bij het naderen van de zomer omdat ze dan weer zichtbaar worden voor onze medemens, staan we met een spijtige blik naar ons zelf in de spiegel te staren. Vaak is dit voldoende om ons te motiveren een extra sprintje te trekken of om drie keer per week naar de sportschool te gaan in plaats van één keer.
Gelukkig helpt de natuur ons dan een handje om ons weer min of meer in vorm te krijgen. De grote schoonmaak in het voorjaar ruimt niet alleen de troep op die we om ons heen hebben verzameld maar ook de rotzooi van binnen raken we wat makkelijker kwijt.
Behalve dat de dood zich uit in het symbolisch afscheid nemen van het verleden is er ook de echte fysieke dood. Terwijl ik aan mijn weblog werk zit Paula in het ziekenhuis een vriendin te troosten omdat haar man een paar uur geleden een hartstilstand heeft gehad. Van het ene op het andere moment was hij dood. Hij stierf onder haar ogen.
En nog geen maand geleden kreeg een collega waarmee ze goed kon opschieten een hersenbloeding die haar fataal werd.
Vooral als de dood onaangekondigd komt en wij er als het ware door worden overvallen, is de verbijstering groot.
Ik zat gitaar te spelen toen de telefoon ging en Paula het slechte nieuws kreeg. Aan haar gezicht zag ik hoe ernstig het nieuws was en ik stopte met spelen. Ik begreep dat er iemand was dood gegaan maar ik wist nog niet wie. Heel even was ik bang dat het één van onze kinderen zou zijn. Maar ik zag aan haar gezicht dat dit niet zo was. En als je dan hoort wat er werkelijk aan de hand is en er wordt bevestigd dat het niet om iemand gaat die je zelf goed kent en waar je mogelijk een band mee hebt is er, ook al is het nieuws nog zo slecht, vreemd genoeg toch ook een gevoel van opluchting.
27 november 2009
Eén gaatje.
Mijn tandarts is een vriendelijke man, die als gewoonte heeft om je bij elke stap van de behandeling te vertellen wat hij gaat doen. Een beetje op de manier van “en nu ga ik eerst die vulling verwijderen” en even later, terwijl de stukjes vulling worden weggezogen, “en nu pak ik een boortje voor de randjes”. Dit alles met een rustige, ontspannen stem.
Deze keer zei hij er bij “Dit gaat een beetje pijn doen. Maar als het erg zeer doet, dan moet u het zeggen” en hij begon daarna de oude vulling te verwijderen. Toen dat was gebeurd, boorde hij het gat verder uit voor de nieuwe vulling. Natuurlijk deed het pijn. Dat had hij me ook gezegd. Het was alsof hij voorzichtig een spijker in het gat rond draaide. “Straks gaat het echt pijn doen”, dacht ik. “Dit voelt niet prettig, maar het is niks vergeleken met wat mij nog te wachten staat.” Ik lag achterover in de stoel en probeerde het woord te lezen dat geschreven stond op de rand van de lamp maar zonder bril kon ik de afzonderlijke letters niet zien. Terwijl de tandarts vakkundig de boor in mijn kies manipuleerde en zijn assistente met de speekselafzuiger de stukjes kies en het speeksel wegzoog, probeerde ik vast te stellen wat de kleur van haar ogen was. Maar ook dit lukte me niet. Ze hield haar gezicht te dicht bij het mijne. De tandarts nam een ander boortje en vroeg me hoe het ging. Nu is het moeilijk praten met een speekselafzuiger in je mond, maar uit de grimas die ik trok en het gesteun dat ik voort bracht trok hij de conclusie dat alles in orde was en dus ging hij door met zijn werk. Het gat was nu groot genoeg en hij begon het te vullen. Het drong tot me door dat hij bijna klaar was en dat mij nog meer pijn bespaard zou blijven.
“Nu het tandsteen nog” liet hij me weten. Het geluid van de boor ging omhoog. Ineens kwam de gedacht in mij op dat hij zou kunnen uitschieten met de boor en deze dan door mijn wang zou duwen. Een lichte tia zou hem uit zijn evenwicht brengen, waardoor ik verminkt zou raken. Ik dacht aan mijn vroegere tandarts. Dat was een echte hufter geweest. Niet te vergelijken met de tandarts die ik nu al zo’n twintig jaar had.
“Zo, dat is gebeurd”, sprak hij. “U kunt bij de assistente de rekening halen en een afspraak maken voor de halfjaarlijkse controle.” Opgelucht dat hij klaar was, bedankte ik hem. De rekening bleek € 86,- te zijn en dat deed mij eerlijk gezegd nog het meeste pijn.
Deze keer zei hij er bij “Dit gaat een beetje pijn doen. Maar als het erg zeer doet, dan moet u het zeggen” en hij begon daarna de oude vulling te verwijderen. Toen dat was gebeurd, boorde hij het gat verder uit voor de nieuwe vulling. Natuurlijk deed het pijn. Dat had hij me ook gezegd. Het was alsof hij voorzichtig een spijker in het gat rond draaide. “Straks gaat het echt pijn doen”, dacht ik. “Dit voelt niet prettig, maar het is niks vergeleken met wat mij nog te wachten staat.” Ik lag achterover in de stoel en probeerde het woord te lezen dat geschreven stond op de rand van de lamp maar zonder bril kon ik de afzonderlijke letters niet zien. Terwijl de tandarts vakkundig de boor in mijn kies manipuleerde en zijn assistente met de speekselafzuiger de stukjes kies en het speeksel wegzoog, probeerde ik vast te stellen wat de kleur van haar ogen was. Maar ook dit lukte me niet. Ze hield haar gezicht te dicht bij het mijne. De tandarts nam een ander boortje en vroeg me hoe het ging. Nu is het moeilijk praten met een speekselafzuiger in je mond, maar uit de grimas die ik trok en het gesteun dat ik voort bracht trok hij de conclusie dat alles in orde was en dus ging hij door met zijn werk. Het gat was nu groot genoeg en hij begon het te vullen. Het drong tot me door dat hij bijna klaar was en dat mij nog meer pijn bespaard zou blijven.
“Nu het tandsteen nog” liet hij me weten. Het geluid van de boor ging omhoog. Ineens kwam de gedacht in mij op dat hij zou kunnen uitschieten met de boor en deze dan door mijn wang zou duwen. Een lichte tia zou hem uit zijn evenwicht brengen, waardoor ik verminkt zou raken. Ik dacht aan mijn vroegere tandarts. Dat was een echte hufter geweest. Niet te vergelijken met de tandarts die ik nu al zo’n twintig jaar had.
“Zo, dat is gebeurd”, sprak hij. “U kunt bij de assistente de rekening halen en een afspraak maken voor de halfjaarlijkse controle.” Opgelucht dat hij klaar was, bedankte ik hem. De rekening bleek € 86,- te zijn en dat deed mij eerlijk gezegd nog het meeste pijn.
26 november 2009
Schrijven is schrappen.
Dagelijks aan je weblog werken is een leuke bezigheid maar kost wel veel tijd. Nu heb ik daar als docent gelukkig genoeg van. Het lukt mij daarom aardig om elke keer weer met een tekstje op de proppen te komen.
Als mijn bui er naar is hang ik zo af en toe de lolbroek uit en zit dan gniffelend achter mijn toetsenbord. Grijnzend lees ik na afloop mijn tekst en de gedachte dringt zich op dat ik zo slecht nog niet schrijf. Eigenlijk ben ik best wel grappig.
Pas als ik het raam heb open gezet en de wietwolken zijn verdwenen, bekruipt mij de twijfel. Is het werkelijk wel zo goed wat ik daar heb geschreven? Moet ik daar die zin niet inkorten? En dat woord heb ik daar ook al een paar keer gebruikt en kan ik beter weglaten. Waar gaat het stuk eigenlijk over?
Ik lees de tekst opnieuw en deze is dan al een beduidend stuk minder leuk.
De openhartigheid waarmee ik over mijn seksleven schrijf is bij nader inzien niet verstandig en dat stuk schrap ik dan. Ik besef dat de ontboezemingen over mijn notoire drugsgebruik verkeerd kunnen worden uitgelegd en kort de tekst wat in.
Ik zie dat ik te nadrukkelijk heb zitten schelden op mijn baas, die ik reken tot het type sulcus,
en haal zijn naam weg. Uiteindelijk besluit ik om deze keer mijn frustraties voor mij te houden en daarom moet het hele stuk er aan geloven.
Nu heb ik nog drie zinnen. Maar die staan los van elkaar. Met de deleteknop stuur ik ze naar het land van Oblivion. Een ijskoud leeg wit scherm staart mij aan. Dan kijk ik op de klok. Al weer twaalf uur geweest. En ik heb nog niets geschreven. Plotseling krijg ik een ingeving. Mijn vingers razen bijna over het toetsenbord met wel 80 aanslagen per minuut. Oké, 50 aanslagen. Maar binnen een half uur heb ik mijn stukje geschreven. Ik kijk het nog een keer na op taalfouten. Als ik de tekst herlees kan ik er geen touw aan vastknopen. Gelukkig wordt dit blog slechts door een enkeling gelezen, denk ik dan, en als je zo dapper en volhardend ben wil je misschien ook wel een poging doen om het te begrijpen. En ik besluit dat ik er een volgende keer meer samenhang in zal brengen en mijn stukje zal schrijven voordat ik heb geblowd.
Als mijn bui er naar is hang ik zo af en toe de lolbroek uit en zit dan gniffelend achter mijn toetsenbord. Grijnzend lees ik na afloop mijn tekst en de gedachte dringt zich op dat ik zo slecht nog niet schrijf. Eigenlijk ben ik best wel grappig.
Pas als ik het raam heb open gezet en de wietwolken zijn verdwenen, bekruipt mij de twijfel. Is het werkelijk wel zo goed wat ik daar heb geschreven? Moet ik daar die zin niet inkorten? En dat woord heb ik daar ook al een paar keer gebruikt en kan ik beter weglaten. Waar gaat het stuk eigenlijk over?
Ik lees de tekst opnieuw en deze is dan al een beduidend stuk minder leuk.
De openhartigheid waarmee ik over mijn seksleven schrijf is bij nader inzien niet verstandig en dat stuk schrap ik dan. Ik besef dat de ontboezemingen over mijn notoire drugsgebruik verkeerd kunnen worden uitgelegd en kort de tekst wat in.
Ik zie dat ik te nadrukkelijk heb zitten schelden op mijn baas, die ik reken tot het type sulcus,
en haal zijn naam weg. Uiteindelijk besluit ik om deze keer mijn frustraties voor mij te houden en daarom moet het hele stuk er aan geloven.
Nu heb ik nog drie zinnen. Maar die staan los van elkaar. Met de deleteknop stuur ik ze naar het land van Oblivion. Een ijskoud leeg wit scherm staart mij aan. Dan kijk ik op de klok. Al weer twaalf uur geweest. En ik heb nog niets geschreven. Plotseling krijg ik een ingeving. Mijn vingers razen bijna over het toetsenbord met wel 80 aanslagen per minuut. Oké, 50 aanslagen. Maar binnen een half uur heb ik mijn stukje geschreven. Ik kijk het nog een keer na op taalfouten. Als ik de tekst herlees kan ik er geen touw aan vastknopen. Gelukkig wordt dit blog slechts door een enkeling gelezen, denk ik dan, en als je zo dapper en volhardend ben wil je misschien ook wel een poging doen om het te begrijpen. En ik besluit dat ik er een volgende keer meer samenhang in zal brengen en mijn stukje zal schrijven voordat ik heb geblowd.
25 november 2009
Uitgeluld
Vandaag heb ik niet zo veel meer te zeggen.
Na bijna zeven uur onafgebroken voor de klas te hebben gestaan, ben ik helemaal uitgeluld. Mijn oren tuten en mijn keel schrijnt. Alsof ik geprobeerd heb het wereldrecord ver weg spuwen te verbreken.
Net als nu had ik ook mijn leerlingen niet veel te zeggen, maar dat hadden ze niet in de gaten.
Daarvoor waren ze teveel bezig met zichzelf en degene waar ze naast zaten.
Sommigen probeerden aan mijn woorden betekenis toe te dichten en misschien is hun dit inderdaad gelukt. Als mensen mij serieus willen nemen waardeer ik dat, maar het is wel hun probleem.
De taal heeft ons veel moois maar ook veel lelijks gebracht.
Het heeft er in ieder geval niet toe geleid dat het een betere wereld werd toen de eerste mensen begonnen te spreken. Maar wel een interessantere wereld. Al zal ook niet iedereen dit beseffen.
In den beginne was het woord….Maar ook toen al waren er geen oren om te luisteren.
Ik zou het prettiger hebben gevonden als er in den beginne stilte zou zijn geweest.
Was het leven van onze verre voorouders met gebarentaal, wat gegrom en zo af en toe een wip nu echt iets om zo ontevreden over te zijn? Het klinkt mij in ieder geval niet slecht in de oren. Laat ik nu maar stoppen. Ik ben moe en hard aan een pretsigaretje toe.
Na bijna zeven uur onafgebroken voor de klas te hebben gestaan, ben ik helemaal uitgeluld. Mijn oren tuten en mijn keel schrijnt. Alsof ik geprobeerd heb het wereldrecord ver weg spuwen te verbreken.
Net als nu had ik ook mijn leerlingen niet veel te zeggen, maar dat hadden ze niet in de gaten.
Daarvoor waren ze teveel bezig met zichzelf en degene waar ze naast zaten.
Sommigen probeerden aan mijn woorden betekenis toe te dichten en misschien is hun dit inderdaad gelukt. Als mensen mij serieus willen nemen waardeer ik dat, maar het is wel hun probleem.
De taal heeft ons veel moois maar ook veel lelijks gebracht.
Het heeft er in ieder geval niet toe geleid dat het een betere wereld werd toen de eerste mensen begonnen te spreken. Maar wel een interessantere wereld. Al zal ook niet iedereen dit beseffen.
In den beginne was het woord….Maar ook toen al waren er geen oren om te luisteren.
Ik zou het prettiger hebben gevonden als er in den beginne stilte zou zijn geweest.
Was het leven van onze verre voorouders met gebarentaal, wat gegrom en zo af en toe een wip nu echt iets om zo ontevreden over te zijn? Het klinkt mij in ieder geval niet slecht in de oren. Laat ik nu maar stoppen. Ik ben moe en hard aan een pretsigaretje toe.
24 november 2009
Kop in het zand
Ook dit jaar geven veel mensen met de Kerst en Sinterklaas cadeautjes aan elkaar. Net als in de voorgaande jaren staat op het verlanglijstje van velen met stip bovenaan de emmer met zand, waar we onze kop in kunnen steken. Tot nu toe zijn er de afgelopen jaren enkele miljoenen in Nederland verkocht en cadeau gedaan en hiermee staat de emmer met zand onbetwistbaar aan de top. Bij de emmer zit een bekend gedicht van Acda en de Munnik.
"Kop in het zand"
Tien jaar, de zomer hoog
Onder elke regenboog
Voldoende goud voor het leven
Maar nu ontdek je pas
Dat het niet zo simpel was
Waar is die tijd nu gebleven
En wat je ook doet
Het komt toch nooit meer goed
De wereld tuimelt over de rand
En al kan je wel huilen
Je rent om te schuilen
Je draait je om
En steekt je kop in het zand
Wees welkom ondergronds
We hopen dat je blijft bij ons
En veeg het zand uit je ogen
Hier word je ingewijd
Hoe het leven wordt geleid
Hier is nooit iemand bedrogen
En wat je ook doet
Het komt toch nooit meer goed
De wereld tuimelt over de rand
En al kan je wel huilen
Je rent om te schuilen
Je draait je om
En steekt je kop in het zand...
Een goede tweede is het boek “Struisvogelpolitiek”, geschreven door de politicus GW, waarin hij vooral de Haagse mores op de hak neemt. Als welbekend xenofoob pleit GW voor de kracht van herhaling en geeft hij zelf het goede voorbeeld door in het boek zijn overbekende standpunten te herhalen t.a.v. bepaalde religieuze groeperingen in Nederland. De afgelopen jaren heeft GW consequent al zijn eerdere opvattingen herhaalt en hij belooft in het voorwoord dat hij dit zal blijven doen. De mensen die al een emmertje hadden kunnen daar straks het boek van GW aan toevoegen.
Een erg leuk boek waarvan de inhoud te lezen is als een parodie op GW, is het boek “De Islam voor blondjes”, waar op komische wijze de draak wordt gestoken met het fenomeen GW. Helaas is de anonieme auteur voor zijn stoutmoedige poging om een zwaar thema luchtig te brengen zowel bedreigd door mensen uit de religieuze gemeenschap waaruit hij afkomstig is als door aanhangers van GW. Voorlopig ziet hij daarom af van publicatie. Ik zal het daarom van mijn verlanglijstje afvoeren.
"Kop in het zand"
Tien jaar, de zomer hoog
Onder elke regenboog
Voldoende goud voor het leven
Maar nu ontdek je pas
Dat het niet zo simpel was
Waar is die tijd nu gebleven
En wat je ook doet
Het komt toch nooit meer goed
De wereld tuimelt over de rand
En al kan je wel huilen
Je rent om te schuilen
Je draait je om
En steekt je kop in het zand
Wees welkom ondergronds
We hopen dat je blijft bij ons
En veeg het zand uit je ogen
Hier word je ingewijd
Hoe het leven wordt geleid
Hier is nooit iemand bedrogen
En wat je ook doet
Het komt toch nooit meer goed
De wereld tuimelt over de rand
En al kan je wel huilen
Je rent om te schuilen
Je draait je om
En steekt je kop in het zand...
Een goede tweede is het boek “Struisvogelpolitiek”, geschreven door de politicus GW, waarin hij vooral de Haagse mores op de hak neemt. Als welbekend xenofoob pleit GW voor de kracht van herhaling en geeft hij zelf het goede voorbeeld door in het boek zijn overbekende standpunten te herhalen t.a.v. bepaalde religieuze groeperingen in Nederland. De afgelopen jaren heeft GW consequent al zijn eerdere opvattingen herhaalt en hij belooft in het voorwoord dat hij dit zal blijven doen. De mensen die al een emmertje hadden kunnen daar straks het boek van GW aan toevoegen.
Een erg leuk boek waarvan de inhoud te lezen is als een parodie op GW, is het boek “De Islam voor blondjes”, waar op komische wijze de draak wordt gestoken met het fenomeen GW. Helaas is de anonieme auteur voor zijn stoutmoedige poging om een zwaar thema luchtig te brengen zowel bedreigd door mensen uit de religieuze gemeenschap waaruit hij afkomstig is als door aanhangers van GW. Voorlopig ziet hij daarom af van publicatie. Ik zal het daarom van mijn verlanglijstje afvoeren.
23 november 2009
Verlamd
Er zijn mensen die bang zijn om levend te worden begraven. En niet geheel ten onrechte.
In “De relatie tussen leven en dood” uit 1974 van Lyall Watson, vermeldt deze een aantal situaties, waarin men abusievelijk dacht dat een persoon dood was, maar deze achteraf gezien nog springlevend bleek te zijn.
Zo was Vesalius, de beroemde Belgische anatoom (1514 – 1564) bezig met het ontleden van een edelman, maar kwam deze tijdens het snijden weer tot leven. Vesalius werd hierna door de Inquisitie ter dood veroordeeld. De edelman herstelde van zijn wonden en leefde nog zo'n jaar of tien.
Maar niet alleen vroeger was het blijkbaar soms erg moeilijk om vast te stellen of iemand daadwerkelijk was overleden. In 1964 kwam een lichaam in New York bij de postmortale ontleding plotseling tot leven en greep de chirurg bij de keel. Deze schrok zo erg, dat hij een hartaanval kreeg en dood neer viel.
En wie kent er niet het beroemde verhaal van Romeo en Julia? Blijkbaar kon Romeo ook niet zien dat Julia slechts buiten bewustzijn was. Zijn zelfmoord is extra dramatisch omdat hij hiermee Julia en zichzelf de mogelijkheid ontnam om samen gelukkig te worden. Beiden hielden van elkaar en van het leven, maar konden de man uit Isfahan niet ontlopen.
Levend begraven worden lijkt mij geen lolletje. Maar wat ik vandaag las is nog gruwelijker.
Ruim 23 jaar geleden kwam een Belg na een ernstig auto ongeluk terecht in het ziekenhuis. Men stelde vast dat hij in coma lag. Onlangs werd echter met nieuwere apparatuur vastgesteld dat hij niet in coma lag, maar verlamd was. Al die jaren was hij bij volle bewustzijn. Hij heeft geprobeerd om te schreeuwen, maar door zijn verlamming kwam er geen geluid uit zijn keel. Elk gesprek dat er in zijn buurt werd gevoerd kon hij gewoon volgen. Nu kan hij met behulp van een computer weer met zijn omgeving communiceren. Probeer het je eens voor te stellen. Wat zal deze man zich hulpeloos hebben gevoeld.
Het is nu al weer tien jaar geleden dat ik met mijn auto uit de bocht vloog en tegen een boom knalde. Ik weet dat, omdat ze elke dag keurig de dag van gisteren doorkrassen op de kalender die aan de muur hangt en die ik vanuit mijn bed goed kan zien.
Ze zeggen dat ik in coma lig maar dat is niet zo. Alleen kan ik niemand duidelijk maken dat ik alles hoor en zie wat er om mij heen gebeurt. Als mijn buurman tv kijkt, kan ik via de spiegel aan de kast meekijken. Ik hoor echter niets want hij luistert met een koptelefoon.
Mijn vroegere verloofde zie ik al jaren niet meer. Ze vertelde me dat ze ging trouwen met de jongen waarmee ze af en toe naar bed ging toen wij samen nog een relatie hadden. Natuurlijk wist zij niet dat ik haar kon horen. Ze zei nog wel dat ze veel van me had gehouden toen ze voor het laatst weg ging.
Vorig jaar is mijn vader overleden. Dat vertelde mijn zus, die wekelijks langs komt. Een zuster vroeg haar eens waarom zij tegen mij zat te praten want als comapatiënt hoorde ik toch niets. Dat weet je niet, was haar antwoord. Ik praat tegen hem omdat ik denk dat hij mij toch kan verstaan.
Ik heb het opgegeven om contact te zoeken. Misschien lig ik hier de rest van mijn leven wel en zal niemand ooit weten dat ik al die tijd gewoon bij bewustzijn was.
Tien jaar zijn er nu voorbij. Ik blijf hopen dat ze eens zullen ontdekken dat ik niet in coma lig, zoals zij denken. Misschien volgend jaar. Of anders het jaar daarop. Ik zou zo graag gewoon weer eens buiten in de frisse lucht willen zijn.
In “De relatie tussen leven en dood” uit 1974 van Lyall Watson, vermeldt deze een aantal situaties, waarin men abusievelijk dacht dat een persoon dood was, maar deze achteraf gezien nog springlevend bleek te zijn.
Zo was Vesalius, de beroemde Belgische anatoom (1514 – 1564) bezig met het ontleden van een edelman, maar kwam deze tijdens het snijden weer tot leven. Vesalius werd hierna door de Inquisitie ter dood veroordeeld. De edelman herstelde van zijn wonden en leefde nog zo'n jaar of tien.
Maar niet alleen vroeger was het blijkbaar soms erg moeilijk om vast te stellen of iemand daadwerkelijk was overleden. In 1964 kwam een lichaam in New York bij de postmortale ontleding plotseling tot leven en greep de chirurg bij de keel. Deze schrok zo erg, dat hij een hartaanval kreeg en dood neer viel.
En wie kent er niet het beroemde verhaal van Romeo en Julia? Blijkbaar kon Romeo ook niet zien dat Julia slechts buiten bewustzijn was. Zijn zelfmoord is extra dramatisch omdat hij hiermee Julia en zichzelf de mogelijkheid ontnam om samen gelukkig te worden. Beiden hielden van elkaar en van het leven, maar konden de man uit Isfahan niet ontlopen.
Levend begraven worden lijkt mij geen lolletje. Maar wat ik vandaag las is nog gruwelijker.
Ruim 23 jaar geleden kwam een Belg na een ernstig auto ongeluk terecht in het ziekenhuis. Men stelde vast dat hij in coma lag. Onlangs werd echter met nieuwere apparatuur vastgesteld dat hij niet in coma lag, maar verlamd was. Al die jaren was hij bij volle bewustzijn. Hij heeft geprobeerd om te schreeuwen, maar door zijn verlamming kwam er geen geluid uit zijn keel. Elk gesprek dat er in zijn buurt werd gevoerd kon hij gewoon volgen. Nu kan hij met behulp van een computer weer met zijn omgeving communiceren. Probeer het je eens voor te stellen. Wat zal deze man zich hulpeloos hebben gevoeld.
Het is nu al weer tien jaar geleden dat ik met mijn auto uit de bocht vloog en tegen een boom knalde. Ik weet dat, omdat ze elke dag keurig de dag van gisteren doorkrassen op de kalender die aan de muur hangt en die ik vanuit mijn bed goed kan zien.
Ze zeggen dat ik in coma lig maar dat is niet zo. Alleen kan ik niemand duidelijk maken dat ik alles hoor en zie wat er om mij heen gebeurt. Als mijn buurman tv kijkt, kan ik via de spiegel aan de kast meekijken. Ik hoor echter niets want hij luistert met een koptelefoon.
Mijn vroegere verloofde zie ik al jaren niet meer. Ze vertelde me dat ze ging trouwen met de jongen waarmee ze af en toe naar bed ging toen wij samen nog een relatie hadden. Natuurlijk wist zij niet dat ik haar kon horen. Ze zei nog wel dat ze veel van me had gehouden toen ze voor het laatst weg ging.
Vorig jaar is mijn vader overleden. Dat vertelde mijn zus, die wekelijks langs komt. Een zuster vroeg haar eens waarom zij tegen mij zat te praten want als comapatiënt hoorde ik toch niets. Dat weet je niet, was haar antwoord. Ik praat tegen hem omdat ik denk dat hij mij toch kan verstaan.
Ik heb het opgegeven om contact te zoeken. Misschien lig ik hier de rest van mijn leven wel en zal niemand ooit weten dat ik al die tijd gewoon bij bewustzijn was.
Tien jaar zijn er nu voorbij. Ik blijf hopen dat ze eens zullen ontdekken dat ik niet in coma lig, zoals zij denken. Misschien volgend jaar. Of anders het jaar daarop. Ik zou zo graag gewoon weer eens buiten in de frisse lucht willen zijn.
22 november 2009
Oud
Met mijn feuilleton ga ik niet verder. Als ik dat wel doe vrees ik dat het een langdradig verhaal wordt. Kill your darlings oftewel schrijven is schrappen is een uitgangspunt dat ik volledig onderschrijf. Die letters hebben hun werk gedaan en kunnen nu de prullenbak in. Met mijn gebabbel sluit ik de komende tijd weer aan bij de actualiteit. De vorm die ik daar voor kies zal per keer verschillen.
Afgelopen dinsdag stierf de Mexicaanse Ana María Pérez González op 119-jarige leeftijd. Zij was de oudste vrouw ter wereld.
Vanuit het raam kun je de besneeuwde bergen zien. Ze kijkt naar buiten maar ziet slechts een waas. Eigenlijk is ze al jaren blind. Veel horen doet ze ook niet meer. Het einde zal nu wel niet lang meer op zich laten wachten.
Als ik dood ga heb ik minstens 250 nakomelingen, denkt ze. Het zijn er meer, maar het juiste getal is ze vergeten. Na haar dood wordt een getal van 266 genoemd.
Het is haar gelukt om in het Guiness Book of Records te komen als oudste vrouw ter wereld.
Het is prettig dat ze niet weet dat dit wordt betwist door een vrouw uit Turkije, waarvan haar familie beweert dat ze geboren is in 1884. Zij is slechts 119 jaar.
Nu het einde nadert kijkt ze vaak terug op haar leven. Veel herinnert ze zich niet meer. En wat ze zich wel herinnert wordt haar door één van haar nog levende dochters ingefluisterd.
Weet je nog hoe pa het hout in de herfst hakte en dat hij daar dagen lang mee bezig was? Dan konden we de winter doorkomen zonder dat we thuis kou hoefden te lijden.
Pa? dacht ze. Wie was pa ook al weer? En waarom moest hij zoveel hout hakken?
Ja, zegt ze dan. Ja, natuurlijk herinner ik mij dat. Maar ze heeft bijna geen herinneringen meer van zichzelf. Haar levensverhaal is door anderen vele malen herschreven.
Toen ze 115 werd, zijn ze met z’n allen op de foto gegaan.
Zij zat in haar rolstoel in het midden vooraan, terwijl haar kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en achterachterkleinkinderen zich om haar heen hadden verzameld.
Haar werd verteld dat ze 250 nakomelingen had. Er zouden er nog 16 bijkomen voordat ze stierf.
Men heeft haar de foto van deze reünie later laten zien, maar haar ogen waren toen al zo slecht dat het haar zelfs met het sterkste vergrootglas niet lukte om ook maar één gezicht te herkennen.
Tot vorige week woonde ze nog zelfstandig. Haar oudste dochter woonde bij haar in en verzorgde haar. De ander die nog leefde woonde in dezelfde straat en zij kwam dagelijks langs. Totdat ze tijdens een gewone verkoudheid toch nog onverwachts erg kortademig werd en moest worden opgenomen. Haar hele leven had ze ziekenhuizen weten te vermijden. Artsen en verpleegkundigen waren voor haar de handlangers van de dood.
Zoveel wist zij nog wel dat veel patiënten hun leven verloren door medische missers.
Al vroeg in haar leven had zij gezworen dat ze niet opgenomen wilde worden in een ziekenhuis omdat zij vreesde voor haar leven. Nu men haar tegen haar wil naar het ziekenhuis had gebracht zag zij dit als een stille wenk. Ga maar oudje. Je hebt nu lang genoeg geleefd. Het is niet normaal dat je nog steeds door gaat met ademhalen. We zullen je wel naar een ziekenhuis brengen. Daar weten ze wat wel normaal is.
Iemand houdt haar hand vast. Ze weet niet wie het is en het kan haar ook niet zo veel schelen. Ik ben een plant, denkt ze. Ik sta in een pot en krijg water. Ze laat het lopen in haar luier. Dat is lekker warm. Ze glimlacht.
Oma heeft het naar haar zin, hoort ze een stem in de verte zeggen. Ja, ze heeft het naar haar zin. Nu ze weet dat het binnenkort afgelopen is, heeft ze het naar haar zin.
Afgelopen dinsdag stierf de Mexicaanse Ana María Pérez González op 119-jarige leeftijd. Zij was de oudste vrouw ter wereld.
Vanuit het raam kun je de besneeuwde bergen zien. Ze kijkt naar buiten maar ziet slechts een waas. Eigenlijk is ze al jaren blind. Veel horen doet ze ook niet meer. Het einde zal nu wel niet lang meer op zich laten wachten.
Als ik dood ga heb ik minstens 250 nakomelingen, denkt ze. Het zijn er meer, maar het juiste getal is ze vergeten. Na haar dood wordt een getal van 266 genoemd.
Het is haar gelukt om in het Guiness Book of Records te komen als oudste vrouw ter wereld.
Het is prettig dat ze niet weet dat dit wordt betwist door een vrouw uit Turkije, waarvan haar familie beweert dat ze geboren is in 1884. Zij is slechts 119 jaar.
Nu het einde nadert kijkt ze vaak terug op haar leven. Veel herinnert ze zich niet meer. En wat ze zich wel herinnert wordt haar door één van haar nog levende dochters ingefluisterd.
Weet je nog hoe pa het hout in de herfst hakte en dat hij daar dagen lang mee bezig was? Dan konden we de winter doorkomen zonder dat we thuis kou hoefden te lijden.
Pa? dacht ze. Wie was pa ook al weer? En waarom moest hij zoveel hout hakken?
Ja, zegt ze dan. Ja, natuurlijk herinner ik mij dat. Maar ze heeft bijna geen herinneringen meer van zichzelf. Haar levensverhaal is door anderen vele malen herschreven.
Toen ze 115 werd, zijn ze met z’n allen op de foto gegaan.
Zij zat in haar rolstoel in het midden vooraan, terwijl haar kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en achterachterkleinkinderen zich om haar heen hadden verzameld.
Haar werd verteld dat ze 250 nakomelingen had. Er zouden er nog 16 bijkomen voordat ze stierf.
Men heeft haar de foto van deze reünie later laten zien, maar haar ogen waren toen al zo slecht dat het haar zelfs met het sterkste vergrootglas niet lukte om ook maar één gezicht te herkennen.
Tot vorige week woonde ze nog zelfstandig. Haar oudste dochter woonde bij haar in en verzorgde haar. De ander die nog leefde woonde in dezelfde straat en zij kwam dagelijks langs. Totdat ze tijdens een gewone verkoudheid toch nog onverwachts erg kortademig werd en moest worden opgenomen. Haar hele leven had ze ziekenhuizen weten te vermijden. Artsen en verpleegkundigen waren voor haar de handlangers van de dood.
Zoveel wist zij nog wel dat veel patiënten hun leven verloren door medische missers.
Al vroeg in haar leven had zij gezworen dat ze niet opgenomen wilde worden in een ziekenhuis omdat zij vreesde voor haar leven. Nu men haar tegen haar wil naar het ziekenhuis had gebracht zag zij dit als een stille wenk. Ga maar oudje. Je hebt nu lang genoeg geleefd. Het is niet normaal dat je nog steeds door gaat met ademhalen. We zullen je wel naar een ziekenhuis brengen. Daar weten ze wat wel normaal is.
Iemand houdt haar hand vast. Ze weet niet wie het is en het kan haar ook niet zo veel schelen. Ik ben een plant, denkt ze. Ik sta in een pot en krijg water. Ze laat het lopen in haar luier. Dat is lekker warm. Ze glimlacht.
Oma heeft het naar haar zin, hoort ze een stem in de verte zeggen. Ja, ze heeft het naar haar zin. Nu ze weet dat het binnenkort afgelopen is, heeft ze het naar haar zin.
19 november 2009
Op weg 3, gereviseerd.
Wat ben ik blij dat ik niet meer voor een baas hoef te werken. Met het geld van de levensverzekering kan ik het de komende jaren aardig redden.
Dertig jaar heb ik het volgehouden. Elke dag weer opnieuw naar dat klote bedrijf om dat stomme stoffige magazijn in te gaan. Alleen omdat er brood op de plank moest komen. Toen Greet dood was kreeg ik twee extra vrije dagen en een kaartje waarop ze hun deelneming betuigden. En toen ik me ziek meldde omdat ik ’s nachts slecht sliep en me overdag beroerd voelde werd ik de volgende dag al bij de bedrijfsarts verwacht. Binnen drie dagen was ik weer aan het werk.
Maar die Daan had ik toch nog even mooi te pakken voordat ik weg ging. Ik vergeet zijn gezicht nooit meer toen ik hem vertelde dat ik hem een zielig mannetje vond. Zou hij werkelijk geloofd hebben dat ik hem met die magere muts tekeer heb zien gaan in het magazijn? Ja, je kunt chef worden op veel manieren. Al die baasjes stellen niets voor. Als je hun bevoegdheden afneemt vallen ze gelijk door de mand. Ze kunnen niets en ze weten niets. Het is overal hetzelfde. Ik heb nooit begrepen waarom iemand graag baas wil spelen over anderen. Ja, als ze dat goed doen dan is dat niet verkeerd. Er zullen best wel goeie bazen zijn, maar ik ben ze nog nooit, maar dan ook nooit tegengekomen.
Het kan raar lopen in het leven. Een half jaar geleden was ik nog getrouwd en werkte ik in het magazijn. En nu ben ik weduwnaar, werk ik voor niemand meer en ga ik voor het eerst van mijn leven naar het buitenland. Alleen maar omdat Greet Hindoestaan was en omdat haar ziel rust moet krijgen zodat ik weer verder kan met mijn leven.
Ja, die Lydia had het wel goed gezien. Die begreep gelijk dat dit de beste oplossing was.
Haar advies om de as van Greet in de Ganges uit te strooien is zo slecht nog niet.
Het was trouwens toch wel een indrukwekkende vrouw. Ik was het weliswaar niet eens met alles wat ze zei, maar ze klonk wel overtuigend. Je hebt van die types. Die kunnen je laten geloven dat een drol een klompje goud is.
Ze mag dan wel beweren dat mensen Goddelijk zijn, maar dat geloof ik niet. Er is niets Goddelijks aan mensen. Niet aan hun kern en niet aan hun buitenkant. Eigenlijk was het maar een zelfgenoegzaam clubje dat daar in die zaal zat. Zij waren de uitverkorenen want zij kenden de waarheid. Maar volgens mij kan de waarheid niet door mensen gekend worden. Want er is niet één waarheid maar er zijn vele waarheden. Het gaat natuurlijk ook niet om de waarheid. Het gaat om wat de mensen geloven dat de waarheid is. Want dan weten ze waar ze staan en wie hun vijanden zijn. En die kunnen ze dan met de waarheid in hun hand eervol de hersens in slaan. Nee, als er al een waarheid bestaat vind je hem niet in een of ander boek maar in de harten van de mensen. Hun eigen waarheid en daar hebben ze genoeg aan. Ze willen van geen andere waarheid horen.
Maar eerlijk is eerlijk, zonder die Lydia had Greet nog steeds op de tafel onder de trap gestaan en dan lag ik nu in mijn bedje. Hè, ik begin opeens slaap te krijgen.
Dertig jaar heb ik het volgehouden. Elke dag weer opnieuw naar dat klote bedrijf om dat stomme stoffige magazijn in te gaan. Alleen omdat er brood op de plank moest komen. Toen Greet dood was kreeg ik twee extra vrije dagen en een kaartje waarop ze hun deelneming betuigden. En toen ik me ziek meldde omdat ik ’s nachts slecht sliep en me overdag beroerd voelde werd ik de volgende dag al bij de bedrijfsarts verwacht. Binnen drie dagen was ik weer aan het werk.
Maar die Daan had ik toch nog even mooi te pakken voordat ik weg ging. Ik vergeet zijn gezicht nooit meer toen ik hem vertelde dat ik hem een zielig mannetje vond. Zou hij werkelijk geloofd hebben dat ik hem met die magere muts tekeer heb zien gaan in het magazijn? Ja, je kunt chef worden op veel manieren. Al die baasjes stellen niets voor. Als je hun bevoegdheden afneemt vallen ze gelijk door de mand. Ze kunnen niets en ze weten niets. Het is overal hetzelfde. Ik heb nooit begrepen waarom iemand graag baas wil spelen over anderen. Ja, als ze dat goed doen dan is dat niet verkeerd. Er zullen best wel goeie bazen zijn, maar ik ben ze nog nooit, maar dan ook nooit tegengekomen.
Het kan raar lopen in het leven. Een half jaar geleden was ik nog getrouwd en werkte ik in het magazijn. En nu ben ik weduwnaar, werk ik voor niemand meer en ga ik voor het eerst van mijn leven naar het buitenland. Alleen maar omdat Greet Hindoestaan was en omdat haar ziel rust moet krijgen zodat ik weer verder kan met mijn leven.
Ja, die Lydia had het wel goed gezien. Die begreep gelijk dat dit de beste oplossing was.
Haar advies om de as van Greet in de Ganges uit te strooien is zo slecht nog niet.
Het was trouwens toch wel een indrukwekkende vrouw. Ik was het weliswaar niet eens met alles wat ze zei, maar ze klonk wel overtuigend. Je hebt van die types. Die kunnen je laten geloven dat een drol een klompje goud is.
Ze mag dan wel beweren dat mensen Goddelijk zijn, maar dat geloof ik niet. Er is niets Goddelijks aan mensen. Niet aan hun kern en niet aan hun buitenkant. Eigenlijk was het maar een zelfgenoegzaam clubje dat daar in die zaal zat. Zij waren de uitverkorenen want zij kenden de waarheid. Maar volgens mij kan de waarheid niet door mensen gekend worden. Want er is niet één waarheid maar er zijn vele waarheden. Het gaat natuurlijk ook niet om de waarheid. Het gaat om wat de mensen geloven dat de waarheid is. Want dan weten ze waar ze staan en wie hun vijanden zijn. En die kunnen ze dan met de waarheid in hun hand eervol de hersens in slaan. Nee, als er al een waarheid bestaat vind je hem niet in een of ander boek maar in de harten van de mensen. Hun eigen waarheid en daar hebben ze genoeg aan. Ze willen van geen andere waarheid horen.
Maar eerlijk is eerlijk, zonder die Lydia had Greet nog steeds op de tafel onder de trap gestaan en dan lag ik nu in mijn bedje. Hè, ik begin opeens slaap te krijgen.
18 november 2009
Op weg 2, gereviseerd.
Vreemd dat ik geen slaap heb. Het zal de spanning wel zijn. Ze kunnen dan wel schrijven dat vliegen veilig is, maar als je neer stort dan ben je er wel geweest.
De taxi zal nu zo wel komen. Ongeveer honderd euro had hij gezegd. Als ik mijn wagen daar parkeer ben ik net zo duur uit.
Nou Dirk heeft zo te zien geen zin om er uit te komen. Zo’n hamster heeft toch maar een luizenleven. Het staat misschien wat overdreven om acht volle borden met hamstervoer om zijn kooi te zetten, maar je kunt zo’n beest ook niet laten verhongeren terwijl jij zelf zo nodig naar India moet. Waar begin ik eigenlijk aan? Als Greet dit gezien zou hebben…
Hé Karel, maak je de gordijnen niet stuk, meisje. Dat is weer eens wat anders dan je kooitje, hè? Een hamster en een parkiet. Wat doe ik in godsnaam met een hamster en parkiet in huis? Die vogel loopt alleen maar te gillen en die veredelde rat zit zich de hele dag vol te stouwen. Ik had ze misschien beter gelijk weg kunnen doen na de begrafenis. Het waren tenslotte haar lievelingen.
Wat als het eten nu niet genoeg is? Misschien kan ik het bovenlicht wel open zetten. Dan kan Karel wegvliegen als dit nodig is. Maar misschien vliegt hij gelijk weg. Nee, ik hou de boel afgesloten. Dat is ook beter tegen inbrekers.
Ik kan altijd de buren nog een kaartje sturen en vragen om ze te eten geven als ik over een maandje nog niet terug ben.
Tachtig euro. Ik had verwacht dat het duurder zou zijn. Ik ben mooi op tijd. Eigenlijk veel te vroeg. Ik ben hier wel vaker met Greet geweest om naar de passagiers te kijken.
Dan vertelden we elkaar altijd gefantaseerde verhalen over waar ze naar toe gingen of waar ze vandaan kwamen. Hoe de reis was verlopen en wat ze gingen doen of hadden gedaan. Daar hadden we veel lol in. Het is jammer dat ze niet zo van reizen hield. Ik had natuurlijk af en toe wel in mijn eentje weg kunnen gaan, maar zoiets doe je niet als je getrouwd bent.
Ik tenminste niet. Er schijnen wel mannen te zijn die overal maling aan hebben en gewoon hun eigen gang gaan al zijn ze getrouwd. Maar daar ben je niet voor getrouwd, heb ik altijd gezegd. Dan kun je net zo goed vrijgezel blijven.
Zal ik die as toch maar in mijn handbagage meenemen? Of kan ik het beter in de koffer laten zitten. Wat als de koffer straks weg is en ik word tegengehouden met mijn as? Nou ja, de as van Greet. Ik zou ook een deel in de koffer kunnen laten en een deel in een plastiek zakje mee kunnen meenemen. Ik neem straks wel een besluit.
En als we daar zijn dan koop ik een mooi doosje voor haar en daar maakt ze dan haar laatste reis in. Die Greet. Nu gaan we toch samen naar het buitenland. Alleen had ik me dit vroeger wel anders voorgesteld.
De taxi zal nu zo wel komen. Ongeveer honderd euro had hij gezegd. Als ik mijn wagen daar parkeer ben ik net zo duur uit.
Nou Dirk heeft zo te zien geen zin om er uit te komen. Zo’n hamster heeft toch maar een luizenleven. Het staat misschien wat overdreven om acht volle borden met hamstervoer om zijn kooi te zetten, maar je kunt zo’n beest ook niet laten verhongeren terwijl jij zelf zo nodig naar India moet. Waar begin ik eigenlijk aan? Als Greet dit gezien zou hebben…
Hé Karel, maak je de gordijnen niet stuk, meisje. Dat is weer eens wat anders dan je kooitje, hè? Een hamster en een parkiet. Wat doe ik in godsnaam met een hamster en parkiet in huis? Die vogel loopt alleen maar te gillen en die veredelde rat zit zich de hele dag vol te stouwen. Ik had ze misschien beter gelijk weg kunnen doen na de begrafenis. Het waren tenslotte haar lievelingen.
Wat als het eten nu niet genoeg is? Misschien kan ik het bovenlicht wel open zetten. Dan kan Karel wegvliegen als dit nodig is. Maar misschien vliegt hij gelijk weg. Nee, ik hou de boel afgesloten. Dat is ook beter tegen inbrekers.
Ik kan altijd de buren nog een kaartje sturen en vragen om ze te eten geven als ik over een maandje nog niet terug ben.
Tachtig euro. Ik had verwacht dat het duurder zou zijn. Ik ben mooi op tijd. Eigenlijk veel te vroeg. Ik ben hier wel vaker met Greet geweest om naar de passagiers te kijken.
Dan vertelden we elkaar altijd gefantaseerde verhalen over waar ze naar toe gingen of waar ze vandaan kwamen. Hoe de reis was verlopen en wat ze gingen doen of hadden gedaan. Daar hadden we veel lol in. Het is jammer dat ze niet zo van reizen hield. Ik had natuurlijk af en toe wel in mijn eentje weg kunnen gaan, maar zoiets doe je niet als je getrouwd bent.
Ik tenminste niet. Er schijnen wel mannen te zijn die overal maling aan hebben en gewoon hun eigen gang gaan al zijn ze getrouwd. Maar daar ben je niet voor getrouwd, heb ik altijd gezegd. Dan kun je net zo goed vrijgezel blijven.
Zal ik die as toch maar in mijn handbagage meenemen? Of kan ik het beter in de koffer laten zitten. Wat als de koffer straks weg is en ik word tegengehouden met mijn as? Nou ja, de as van Greet. Ik zou ook een deel in de koffer kunnen laten en een deel in een plastiek zakje mee kunnen meenemen. Ik neem straks wel een besluit.
En als we daar zijn dan koop ik een mooi doosje voor haar en daar maakt ze dan haar laatste reis in. Die Greet. Nu gaan we toch samen naar het buitenland. Alleen had ik me dit vroeger wel anders voorgesteld.
17 november 2009
Eerst terug en dan weer op weg 1. gereviseerd.
De hoofdredacteur van dit blog en fervent groupie en stalker heeft mij gevraagd om mijn feuilleton in de ikvorm te schrijven. Ik heb hierover nagedacht en ik besef dat ik eigenlijk weinig keuze heb. Ik zie het als een uitdaging om wat ik geschreven heb over Piet nu door diens ogen op te schrijven. Bovendien wil ik die ene lezer graag behouden. Even heb ik nog overwogen om te emigreren, maar Paula merkte terecht op dat ik zoals altijd in mijn reactie op gebeurtenissen waar ik eigenlijk geen raad mee weet, te veel doorschiet. Maak je toch niet zo druk, zei ze en toen heb ik mijn koffer maar weer uitgepakt en terug gelegd op de vliering. Dat ik weinig ruggengraat heb was velen al bekend en daarom gaan we terug naar het moment dat Piet het licht in huis uit doet en de gordijnen opzij schuift.
Het is stil in huis. Het is elke avond stil in huis nu Greet er niet meer is. Daarom ga ik ’s avonds het liefst de deur uit. Ik kan niet zo goed tegen de stilte. Vanavond was er een programma op tv over die film van die man die steeds vreemd ging terwijl zijn vrouw aan kanker lag te sterven. Carice van Houten speelt die vrouw. Best wel een lekker wijf, die Carice. Mooie borstjes. Lieve blik in haar ogen. Wie had er ooit gedacht dat onze Minoes nog zo beroemd zou worden? Ik moest natuurlijk weer huilen omdat ik gelijk moest denken aan Greet. Die had weliswaar geen kanker, maar dood gaan aan de Mexicaanse griep is ook geen lolletje.
Mijn koffer heb ik gepakt en bij de deur gezet. Paspoort en geld zitten in mijn jaszak. Mijn God, wat een kutweer. Volgens mij heeft het vandaag echt de hele dag geregend. Ik zal straks eens op internet kijken wat het weer in Delhi is. Greet hield dan wel niet van reizen maar nu gaat ze gewoon met me mee in mijn koffer. Of zal ik haar meenemen in mijn handbagage?
Het is nu twaalf uur. Zouden er nog veel mensen wakker zijn in de straat?
Ik doe het licht uit, schuif de gordijnen opzij en kijk schuin naar beneden de straat in. Het lijkt of de meeste mensen nog wakker zijn. Daar zitten ze zelfs nog te kaarten. Gezellig.
Hé, daar heb je dat jonge ding van de overkant. Ik denk dat ze een jaar of zestien is. Ja meisje, tijd om naar bed te gaan. Waar kijkt ze nu naar? Ze kan me onmogelijk zien. Waarom kijkt ze dan zo mijn richting uit? Zou ze me toch zien? Waarom gaat ze nu weer weg? Leuk zo’n jonge meid. Moet alles nog ontdekken. Jammer dat Greet en ik zelf nooit kinderen hebben gehad.
Daar is ze weer. Is ze nu naakt? Het zal toch niet? Mijn God, ze drukt haar bovenlijf tegen het raam. Lijkt me erg koud. Doet ze dat voor mij? Ik zie niks. Alleen een silhouet. Oh, nu stuurt ze me een zoen. Ze ziet me blijkbaar wel. Hé, dat is jammer. Waarom trekt ze nu de gordijnen dicht?
Dat was snel voorbij. Zou ze nog terugkomen? Lekker bijdehand ding. Zouden haar ouders eens moeten weten…
Het is stil in huis. Het is elke avond stil in huis nu Greet er niet meer is. Daarom ga ik ’s avonds het liefst de deur uit. Ik kan niet zo goed tegen de stilte. Vanavond was er een programma op tv over die film van die man die steeds vreemd ging terwijl zijn vrouw aan kanker lag te sterven. Carice van Houten speelt die vrouw. Best wel een lekker wijf, die Carice. Mooie borstjes. Lieve blik in haar ogen. Wie had er ooit gedacht dat onze Minoes nog zo beroemd zou worden? Ik moest natuurlijk weer huilen omdat ik gelijk moest denken aan Greet. Die had weliswaar geen kanker, maar dood gaan aan de Mexicaanse griep is ook geen lolletje.
Mijn koffer heb ik gepakt en bij de deur gezet. Paspoort en geld zitten in mijn jaszak. Mijn God, wat een kutweer. Volgens mij heeft het vandaag echt de hele dag geregend. Ik zal straks eens op internet kijken wat het weer in Delhi is. Greet hield dan wel niet van reizen maar nu gaat ze gewoon met me mee in mijn koffer. Of zal ik haar meenemen in mijn handbagage?
Het is nu twaalf uur. Zouden er nog veel mensen wakker zijn in de straat?
Ik doe het licht uit, schuif de gordijnen opzij en kijk schuin naar beneden de straat in. Het lijkt of de meeste mensen nog wakker zijn. Daar zitten ze zelfs nog te kaarten. Gezellig.
Hé, daar heb je dat jonge ding van de overkant. Ik denk dat ze een jaar of zestien is. Ja meisje, tijd om naar bed te gaan. Waar kijkt ze nu naar? Ze kan me onmogelijk zien. Waarom kijkt ze dan zo mijn richting uit? Zou ze me toch zien? Waarom gaat ze nu weer weg? Leuk zo’n jonge meid. Moet alles nog ontdekken. Jammer dat Greet en ik zelf nooit kinderen hebben gehad.
Daar is ze weer. Is ze nu naakt? Het zal toch niet? Mijn God, ze drukt haar bovenlijf tegen het raam. Lijkt me erg koud. Doet ze dat voor mij? Ik zie niks. Alleen een silhouet. Oh, nu stuurt ze me een zoen. Ze ziet me blijkbaar wel. Hé, dat is jammer. Waarom trekt ze nu de gordijnen dicht?
Dat was snel voorbij. Zou ze nog terugkomen? Lekker bijdehand ding. Zouden haar ouders eens moeten weten…
16 november 2009
Op weg 3.
Sinds Greet dood is gaat Piet naar lezingen. Niet uit interesse voor een specifiek onderwerp, maar omdat hij het ’s avonds thuis alleen niet uithoudt en behoefte heeft aan mensen om zich heen. In de zaal waar de lezing wordt gehouden is het druk. Er zitten vooral vrouwen van onbestemde leeftijd en ouder. Een enkele man is met zijn vrouw meegegaan en doet of hij belangstelling heeft voor wat haar boeit.
Op het met bloemen versierde podium zit een mollige vrouw van middelbare leeftijd. Ze draagt een rosse sweater en een opzichtige ketting van grote glazen kralen. Met een vorsende blik monstert ze haar publiek, dat zachtjes met elkaar fluistert. Sommigen hebben elkaar lange tijd niet gezien en er is behoefte om even bij te praten.
De vrouw schraapt zachtjes haar keel en drinkt een slokje water uit het glas dat naast haar op een tafeltje staat. Ze legt een bundeltje blaadjes op haar schoot en pakt het bovenste er van af. Het geroezemoes verstomt. Als ze met een donkerbruine stem begint te spreken wordt het doodstil.
Lieve mensen, van harte welkom. Echt, van harte. Aan wie mij nog niet kent wil ik mij eerst even voorstellen. Mijn naam is Lydia Vermeer. In het dagelijkse leven geef ik Reiki één, twee en drie en leg ik de Tarot. Na afloop van mijn lezing kunt u mijn kaartje krijgen mocht u daarin geïnteresseerd zijn.
Vandaag wil ik het met jullie hebben over het Goddelijke in onszelf. Ik wil echter eerst vertellen dat ik het zo leuk vind, dat ik hier vorig jaar ook was en ik vind het heel erg fijn dat ik weer gevraagd ben. Dag mevrouw. Ik herken u nog van vorig jaar. Toen zat u volgens mij ook hier vooraan.
De vrouw vooraan knikt en wordt er een beetje verlegen van. Nooit ziet iemand haar staan, maar deze Lydia, die wist zelfs nog op welke stoel ze vorig jaar had gezeten. Hieruit bleek toch maar haar bijzondere krachten.
Ja, hier ben ik dan. Ook het afgelopen jaar zijn we allemaal weer een beetje spiritueel gegroeid. Ja toch,meneer? U toch ook? Lieve mensen, bent u niet allemaal op zoek naar de wijsheid in uzelf? De wijsheid van uw hart? Wie ben ik eigenlijk? Wat doe ik in dit leven? Wat doen wij als mensen in dit leven? Zijn dit niet de vragen die ons allemaal bezig houden? Met die vragen bedoelen we dat we onszelf willen leren kennen. Er is zelfs een spreekwoord dat zegt: Wie zichzelf kent, die kent de wereld. Dat is nogal wat. Die kennis waar het om gaat zit niet in ons hoofd. Maar het is de kennis van ons hart. De wijsheid van ons hart. Niet van een ander, niet de wijsheid vanavond van mij. De wijsheid van uw hart, die maakt dat u blij wordt van binnen. Dan weet u dat het ook uw wijsheid is. Ik ben er heilig van overtuigd dat onze kern, onze bron, datgene die we werkelijk zijn, u en ik, wij allemaal, dat deze kern goddelijk is. Ik heb ik in mijn zoektocht werkelijk ondervonden, dat het niet anders kan, dan dat de mensen licht in zich moeten hebben. Dat het goddelijke niet buiten mij is maar in mij, in u. In iedereen. Ons lichaam is eindig. Maar wie we werkelijk zijn is oneindig. Daar gaan we het zo meteen verder over hebben. Dat vieren we. En als er iets te vieren is, dan heet dat een feest. En bij feest hoort muziek.
Ze zet een CD-tje op en uit de speakers klinkt het geluid van stromend water en het ruisen van de wind. Een dwarsfluit en viool zacht op de achtergrond. Een macrobiologisch muziekje om je lekker op te ontspannen.
Piet is moe. De afgelopen nachten heeft hij slecht geslapen en langzaam dommelt hij in. Dan schiet hij met een schok weer wakker als hij hoort wat Lydia over afscheid nemen heeft te zeggen.
Van kalm en ontspannen is de stem van Lydia begeesterd geworden. Haar ogen glanzen en ze heeft rosse koortswangetjes gekregen.
En soms in ons leven moeten wij afscheid nemen van iemand die ons erg dierbaar is. En afscheid nemen is moeilijk. Het is vaak zo definitief. Toen mijn man een paar jaar geleden stierf leek het soms net of hij er nog was. Overal hoorde ik zijn stem. Op elke straathoek dacht ik hem te zien staan. Eerlijk gezegd leek het of hij bij zijn dood dichter bij mij was dan tijdens zijn leven. Wat vroeg die man om aandacht, lieve mensen. Ik voelde mij schuldig want die aandacht heb ik hem niet altijd gegeven. En na zijn dood leek het wel of hij die gemiste aandacht kwam opeisen. Soms kon ik er niet van slapen.
Ik kreeg toen van mijn therapeut het advies om opnieuw afscheid van hem te nemen. Ik heb zijn as op een dag meegenomen naar het strand en dat over de golven uitgestrooid. Ik heb hem bedankt voor de goede tijd dat we samen waren. Toen heb ik hem gezegd dat hij nu maar moest gaan en geloof me, na die dag heb ik hem niet meer gezien of gehoord.
Piet is nu helemaal wakker. Wat Lydia gezegd had over het goddelijke in hemzelf had bij hem geen snaar van herkenning geraakt. Ze kon mooi praten maar het boeide hem niet zo wat ze zei. En opeens had ze het over afscheid nemen gehad. Hij moest gelijk aan Greet denken. Die liet hem na haar dood ook niet met rust. Goed, zo lang geleden was het niet dat zij was gestorven, maar voor hem maakt dit niet uit. Hij wil zijn leven weer oppakken, maar dat lukt maar niet. Het wordt tijd dat hij definitief afscheid van haar neemt en wat Lydia gezegd had spreekt hem wel aan.
Na afloop van de lezing en pas als de meeste mensen weg zijn stapt hij op haar af en brengt haar verhaal over afscheid nemen ter sprake. Hij vertelt dat zijn Greet ook maar niet weg wil gaan. Lydia luistert naar hem zonder hem te onderbreken. Terwijl hij praat over zijn Greet zit zij met haar gedachte bij haar nieuwe vriend. Deze is nog wel getrouwd, maar hij heeft haar gezegd dat hij vast van plan is om bij zijn vrouw weg te gaan. Zou hij dit nu al met haar besproken hebben, vraagt ze zich af.
Als Piet opeens zijn mond houdt zegt ze verontschuldigend Ik was even met mijn gedachte ergens anders. Wat zei u ook al weer?
Dat uw Greet van huis uit Hindoestaan was? En dat met zo’n mooie Hollandse naam. Maar ze deed niets meer aan haar geloof… Mmmm…u zou haar as in de Ganges kunnen laten uitstrooien. Ik zeg niet dat u dit moet doen, maar als zij Hindoestaan was dan komt haar ziel zeker tot rust als deze opgenomen wordt in deze heilige rivier. Welke rivier? De Ganges natuurlijk.
In de daaropvolgende dagen zit Piet in de bibliotheek en leest alles over het Hindoeïsme en over India en bij hem rijpt het plan om naar Benares te gaan. Dat komt goed uit, want zoals reeds gezegd had hij een onverklaarbaar verlangen om te reizen sinds Greet dood was en hij het geld van de levensverzekering ontvangen had. Nu zit hij met de andere passagiers te wachten tot zij aan boord van het vliegtuig mogen dat hen naar Delhi zal brengen.
Hij hoopt maar één ding en dat is dat hij geen last krijgt van misselijkheid.
Onder de wachtenden is hem een slanke vrouw met glanzend donker haar en een lichtbruine huid opgevallen. Ze heeft een fijn gevormd gezicht en ogen die flonkerend schitteren. Door de karmozijnrode sari die ze draagt is gouddraad geweven en om haar nek heeft ze een ketting van bloedkoraal. Hij heeft al een paar keer gezien dat ze onderzoekend naar hem keek en hij vraagt zich af of ze wat van hem wil. Als ze ineens naast hem staat en hij door haar op een vriendelijke toon wordt aangesproken is hij daarom allerminst verbaasd.
Op het met bloemen versierde podium zit een mollige vrouw van middelbare leeftijd. Ze draagt een rosse sweater en een opzichtige ketting van grote glazen kralen. Met een vorsende blik monstert ze haar publiek, dat zachtjes met elkaar fluistert. Sommigen hebben elkaar lange tijd niet gezien en er is behoefte om even bij te praten.
De vrouw schraapt zachtjes haar keel en drinkt een slokje water uit het glas dat naast haar op een tafeltje staat. Ze legt een bundeltje blaadjes op haar schoot en pakt het bovenste er van af. Het geroezemoes verstomt. Als ze met een donkerbruine stem begint te spreken wordt het doodstil.
Lieve mensen, van harte welkom. Echt, van harte. Aan wie mij nog niet kent wil ik mij eerst even voorstellen. Mijn naam is Lydia Vermeer. In het dagelijkse leven geef ik Reiki één, twee en drie en leg ik de Tarot. Na afloop van mijn lezing kunt u mijn kaartje krijgen mocht u daarin geïnteresseerd zijn.
Vandaag wil ik het met jullie hebben over het Goddelijke in onszelf. Ik wil echter eerst vertellen dat ik het zo leuk vind, dat ik hier vorig jaar ook was en ik vind het heel erg fijn dat ik weer gevraagd ben. Dag mevrouw. Ik herken u nog van vorig jaar. Toen zat u volgens mij ook hier vooraan.
De vrouw vooraan knikt en wordt er een beetje verlegen van. Nooit ziet iemand haar staan, maar deze Lydia, die wist zelfs nog op welke stoel ze vorig jaar had gezeten. Hieruit bleek toch maar haar bijzondere krachten.
Ja, hier ben ik dan. Ook het afgelopen jaar zijn we allemaal weer een beetje spiritueel gegroeid. Ja toch,meneer? U toch ook? Lieve mensen, bent u niet allemaal op zoek naar de wijsheid in uzelf? De wijsheid van uw hart? Wie ben ik eigenlijk? Wat doe ik in dit leven? Wat doen wij als mensen in dit leven? Zijn dit niet de vragen die ons allemaal bezig houden? Met die vragen bedoelen we dat we onszelf willen leren kennen. Er is zelfs een spreekwoord dat zegt: Wie zichzelf kent, die kent de wereld. Dat is nogal wat. Die kennis waar het om gaat zit niet in ons hoofd. Maar het is de kennis van ons hart. De wijsheid van ons hart. Niet van een ander, niet de wijsheid vanavond van mij. De wijsheid van uw hart, die maakt dat u blij wordt van binnen. Dan weet u dat het ook uw wijsheid is. Ik ben er heilig van overtuigd dat onze kern, onze bron, datgene die we werkelijk zijn, u en ik, wij allemaal, dat deze kern goddelijk is. Ik heb ik in mijn zoektocht werkelijk ondervonden, dat het niet anders kan, dan dat de mensen licht in zich moeten hebben. Dat het goddelijke niet buiten mij is maar in mij, in u. In iedereen. Ons lichaam is eindig. Maar wie we werkelijk zijn is oneindig. Daar gaan we het zo meteen verder over hebben. Dat vieren we. En als er iets te vieren is, dan heet dat een feest. En bij feest hoort muziek.
Ze zet een CD-tje op en uit de speakers klinkt het geluid van stromend water en het ruisen van de wind. Een dwarsfluit en viool zacht op de achtergrond. Een macrobiologisch muziekje om je lekker op te ontspannen.
Piet is moe. De afgelopen nachten heeft hij slecht geslapen en langzaam dommelt hij in. Dan schiet hij met een schok weer wakker als hij hoort wat Lydia over afscheid nemen heeft te zeggen.
Van kalm en ontspannen is de stem van Lydia begeesterd geworden. Haar ogen glanzen en ze heeft rosse koortswangetjes gekregen.
En soms in ons leven moeten wij afscheid nemen van iemand die ons erg dierbaar is. En afscheid nemen is moeilijk. Het is vaak zo definitief. Toen mijn man een paar jaar geleden stierf leek het soms net of hij er nog was. Overal hoorde ik zijn stem. Op elke straathoek dacht ik hem te zien staan. Eerlijk gezegd leek het of hij bij zijn dood dichter bij mij was dan tijdens zijn leven. Wat vroeg die man om aandacht, lieve mensen. Ik voelde mij schuldig want die aandacht heb ik hem niet altijd gegeven. En na zijn dood leek het wel of hij die gemiste aandacht kwam opeisen. Soms kon ik er niet van slapen.
Ik kreeg toen van mijn therapeut het advies om opnieuw afscheid van hem te nemen. Ik heb zijn as op een dag meegenomen naar het strand en dat over de golven uitgestrooid. Ik heb hem bedankt voor de goede tijd dat we samen waren. Toen heb ik hem gezegd dat hij nu maar moest gaan en geloof me, na die dag heb ik hem niet meer gezien of gehoord.
Piet is nu helemaal wakker. Wat Lydia gezegd had over het goddelijke in hemzelf had bij hem geen snaar van herkenning geraakt. Ze kon mooi praten maar het boeide hem niet zo wat ze zei. En opeens had ze het over afscheid nemen gehad. Hij moest gelijk aan Greet denken. Die liet hem na haar dood ook niet met rust. Goed, zo lang geleden was het niet dat zij was gestorven, maar voor hem maakt dit niet uit. Hij wil zijn leven weer oppakken, maar dat lukt maar niet. Het wordt tijd dat hij definitief afscheid van haar neemt en wat Lydia gezegd had spreekt hem wel aan.
Na afloop van de lezing en pas als de meeste mensen weg zijn stapt hij op haar af en brengt haar verhaal over afscheid nemen ter sprake. Hij vertelt dat zijn Greet ook maar niet weg wil gaan. Lydia luistert naar hem zonder hem te onderbreken. Terwijl hij praat over zijn Greet zit zij met haar gedachte bij haar nieuwe vriend. Deze is nog wel getrouwd, maar hij heeft haar gezegd dat hij vast van plan is om bij zijn vrouw weg te gaan. Zou hij dit nu al met haar besproken hebben, vraagt ze zich af.
Als Piet opeens zijn mond houdt zegt ze verontschuldigend Ik was even met mijn gedachte ergens anders. Wat zei u ook al weer?
Dat uw Greet van huis uit Hindoestaan was? En dat met zo’n mooie Hollandse naam. Maar ze deed niets meer aan haar geloof… Mmmm…u zou haar as in de Ganges kunnen laten uitstrooien. Ik zeg niet dat u dit moet doen, maar als zij Hindoestaan was dan komt haar ziel zeker tot rust als deze opgenomen wordt in deze heilige rivier. Welke rivier? De Ganges natuurlijk.
In de daaropvolgende dagen zit Piet in de bibliotheek en leest alles over het Hindoeïsme en over India en bij hem rijpt het plan om naar Benares te gaan. Dat komt goed uit, want zoals reeds gezegd had hij een onverklaarbaar verlangen om te reizen sinds Greet dood was en hij het geld van de levensverzekering ontvangen had. Nu zit hij met de andere passagiers te wachten tot zij aan boord van het vliegtuig mogen dat hen naar Delhi zal brengen.
Hij hoopt maar één ding en dat is dat hij geen last krijgt van misselijkheid.
Onder de wachtenden is hem een slanke vrouw met glanzend donker haar en een lichtbruine huid opgevallen. Ze heeft een fijn gevormd gezicht en ogen die flonkerend schitteren. Door de karmozijnrode sari die ze draagt is gouddraad geweven en om haar nek heeft ze een ketting van bloedkoraal. Hij heeft al een paar keer gezien dat ze onderzoekend naar hem keek en hij vraagt zich af of ze wat van hem wil. Als ze ineens naast hem staat en hij door haar op een vriendelijke toon wordt aangesproken is hij daarom allerminst verbaasd.
15 november 2009
Op weg 2.
Het is altijd fijn als je weet wie je metgezel is als je op reis bent. En daarom zal ik je hier wat over Piet vertellen. Want met hem lopen we straks door Varanasi, de stad die ook wel bekend is onder de naam Benares, Kashi of Kasi en die een belangrijke pelgrimsplaats is voor de Hindoes. Bovendien is het één van de oudste steden ter wereld.
Piet is op 7 november 48 jaar geworden. Veel heeft hij niet aan zijn verjaardag gedaan. Zijn vrouw is al weer enkele maanden dood en met zijn dochter Irma die bij zijn ex woont heeft hij al tien jaar geen contact.
Familie heeft Piet niet. Althans geen familie waar hij mee omgaat. Zijn beide ouders zijn overleden en zijn enige broer heeft hij niet meer gezien sinds deze op twintigjarige leeftijd met onbekende bestemming naar Azië vertrok.
Piet is zijn leven lang magazijnbediende geweest en heeft ruim dertig jaar bij hetzelfde bedrijf gewerkt. Eind oktober was hij er weg gegaan, nog voordat ze een afscheidsreceptie voor hem hadden kunnen organiseren. Hij haatte zijn baan en het bedrijf waarvoor hij al die tijd gewerkt had. En hij had een gloeiende hekel aan Daan Platjes, zijn directe chef.
Daan was van het type bruine tong en eelt op je ellebogen. Drie jaar geleden was hij Piet op de ladder naar boven gepasseerd. Hij had zich daarvoor stevig ingelikt bij Clara, de secretaresse van Wouter, die als adjunct-directeur een klein legertje van lakeien om zich heen had verzameld. Clara was een spichtige dertiger met kleine borstjes en een droge huid.
Ze was uiterst onzeker en hypergevoelig voor een lovend woord. Dat kreeg zij niet of slechts zelden van Wouter, maar de laatste maanden des te meer van Daan, waarvan zij aanvankelijk niet eens wist dat hij ook bij het bedrijf werkte. Ze zagen elkaar vaak in de kantine of in de pauze voor de deur, waar ze met de anderen een peukje rookten.
Daan had haar zonder veel omhaal achter in het magazijn genomen toen zij op een vrijdag tegen sluitingstijd bij hem langs kwam en liet blijken dat ze zijn avances op prijs stelde. Drie weken later al had hij zijn promotie.
Toen Piet de deur voor het laatst achter zich dicht trok was het alsof er een last van zijn schouders viel. Voordat hij vertrok had hij als laatste afscheid genomen van Daan en hem een hand gegeven. Met een lach op zijn gezicht had hij hem verteld dat hij toevallig getuige geweest was van de vrijpartij in het magazijn drie jaar geleden. Hij vond het maar een onsmakelijke vertoning en dat Clara niet was gaan gillen kwam vast omdat Daan maar een klein pikkie had. Toen had hij al begrepen dat Daan bereid geweest was tot het brengen van grote offers om zijn ambities waar te kunnen maken. Piet vertelde dat hij hem deze tyfusbaan van harte gunde en dat hij hoopte dat hij tot zijn pensioen in het magazijn zou zitten. Daan had geprobeerd om zijn hand los te trekken toen hij begreep dat hij in de zeik werd genomen, maar Piet had een stalen greep en liet niet los.
Je bent een zielig mannetje, Daan. Dat was het laatste wat hij gezegd had. Daarna had hij zijn jas gepakt, een stevige fluim op de vloer gedeponeerd en was weggegaan.
Buiten in de frisse wind was langzaam het besef tot hem doorgedrongen dat hij zo-even zijn kluisters had afgelegd en dat hij nu een vrij man was. Dank je Greet, mompelde hij. Bedankt dat je me verlost hebt. De tranen liepen lang zijn wangen, maar niemand kon het zien want hij hield zijn hoofd gebogen en afgewend van de enkele voorbijganger die hem passeerde.
Op zijn horloge zag hij dat de bijeenkomst in het buurthuis waar hij naartoe wilde pas over twee uur begon, dus hij had nog alle tijd om ergens een patatje te halen.
Het is deze bijeenkomst geweest die er voor zorgde dat het leven van Piet helemaal op zijn kop werd gezet. Al kon hij dat toen nog niet beseffen. Voor velen van ons geldt dat er een direct verband bestaat tussen hun leven nu en een belangrijke, vaak toevallige gebeurtenis uit het verleden. Het leven van Piet is hier geen uitzondering op.
Piet is op 7 november 48 jaar geworden. Veel heeft hij niet aan zijn verjaardag gedaan. Zijn vrouw is al weer enkele maanden dood en met zijn dochter Irma die bij zijn ex woont heeft hij al tien jaar geen contact.
Familie heeft Piet niet. Althans geen familie waar hij mee omgaat. Zijn beide ouders zijn overleden en zijn enige broer heeft hij niet meer gezien sinds deze op twintigjarige leeftijd met onbekende bestemming naar Azië vertrok.
Piet is zijn leven lang magazijnbediende geweest en heeft ruim dertig jaar bij hetzelfde bedrijf gewerkt. Eind oktober was hij er weg gegaan, nog voordat ze een afscheidsreceptie voor hem hadden kunnen organiseren. Hij haatte zijn baan en het bedrijf waarvoor hij al die tijd gewerkt had. En hij had een gloeiende hekel aan Daan Platjes, zijn directe chef.
Daan was van het type bruine tong en eelt op je ellebogen. Drie jaar geleden was hij Piet op de ladder naar boven gepasseerd. Hij had zich daarvoor stevig ingelikt bij Clara, de secretaresse van Wouter, die als adjunct-directeur een klein legertje van lakeien om zich heen had verzameld. Clara was een spichtige dertiger met kleine borstjes en een droge huid.
Ze was uiterst onzeker en hypergevoelig voor een lovend woord. Dat kreeg zij niet of slechts zelden van Wouter, maar de laatste maanden des te meer van Daan, waarvan zij aanvankelijk niet eens wist dat hij ook bij het bedrijf werkte. Ze zagen elkaar vaak in de kantine of in de pauze voor de deur, waar ze met de anderen een peukje rookten.
Daan had haar zonder veel omhaal achter in het magazijn genomen toen zij op een vrijdag tegen sluitingstijd bij hem langs kwam en liet blijken dat ze zijn avances op prijs stelde. Drie weken later al had hij zijn promotie.
Toen Piet de deur voor het laatst achter zich dicht trok was het alsof er een last van zijn schouders viel. Voordat hij vertrok had hij als laatste afscheid genomen van Daan en hem een hand gegeven. Met een lach op zijn gezicht had hij hem verteld dat hij toevallig getuige geweest was van de vrijpartij in het magazijn drie jaar geleden. Hij vond het maar een onsmakelijke vertoning en dat Clara niet was gaan gillen kwam vast omdat Daan maar een klein pikkie had. Toen had hij al begrepen dat Daan bereid geweest was tot het brengen van grote offers om zijn ambities waar te kunnen maken. Piet vertelde dat hij hem deze tyfusbaan van harte gunde en dat hij hoopte dat hij tot zijn pensioen in het magazijn zou zitten. Daan had geprobeerd om zijn hand los te trekken toen hij begreep dat hij in de zeik werd genomen, maar Piet had een stalen greep en liet niet los.
Je bent een zielig mannetje, Daan. Dat was het laatste wat hij gezegd had. Daarna had hij zijn jas gepakt, een stevige fluim op de vloer gedeponeerd en was weggegaan.
Buiten in de frisse wind was langzaam het besef tot hem doorgedrongen dat hij zo-even zijn kluisters had afgelegd en dat hij nu een vrij man was. Dank je Greet, mompelde hij. Bedankt dat je me verlost hebt. De tranen liepen lang zijn wangen, maar niemand kon het zien want hij hield zijn hoofd gebogen en afgewend van de enkele voorbijganger die hem passeerde.
Op zijn horloge zag hij dat de bijeenkomst in het buurthuis waar hij naartoe wilde pas over twee uur begon, dus hij had nog alle tijd om ergens een patatje te halen.
Het is deze bijeenkomst geweest die er voor zorgde dat het leven van Piet helemaal op zijn kop werd gezet. Al kon hij dat toen nog niet beseffen. Voor velen van ons geldt dat er een direct verband bestaat tussen hun leven nu en een belangrijke, vaak toevallige gebeurtenis uit het verleden. Het leven van Piet is hier geen uitzondering op.
14 november 2009
Op weg 1.
De regen striemt staccato de ramen. Hij heeft de lichten in huis uit gedaan en de gordijnen opzij geschoven. Met vochtige ogen kijkt hij schuin van tweehoog naar beneden de verlaten straat in, die weggezonken lijkt in het spaarzame licht van een enkele straatlantaarn.
Natuurlijk heeft hij weer gehuild. Hij huilt de laatste tijd veel. Niet als er iemand in de buurt is. Alleen thuis, veilig tussen de vier muren van zijn appartement.
Hij ziet de overburen beneden bij het raam een kaartje leggen. Hoewel het al twaalf uur is zijn nog veel bewoners wakker. Bijna allemaal hangen ze voor de tv.
Zijn aandacht wordt getrokken door een slaapkamer recht tegenover hem waar het licht aan gaat. Er verschijnt een tiener voor het raam in nachtjapon. Ze kijkt indringend in zijn richting. Ze kan me onmogelijk zien, denkt hij. Ze verdwijnt weer en keert even later naakt terug.
Dan drukt ze zo’n vijf seconden haar borsten en lippen tegen het raam terwijl ze naar hem staart. Hij ziet nu alleen nog maar haar silhouet. Onverwachts maakt ze zich los en trekt in één beweging het gordijn dicht. Het gebeurt allemaal zo snel dat hij zich afvraagt of het wel werkelijk is gebeurd. Hij blijft nog even staan kijken en hoopt dat het meisje nog een keertje terug komt, maar ze laat zich niet meer zien.
Twee uur later. Hij kijkt de kamer rond. Er staan acht diepe borden met voer om de hamsterkooi en in een houder hangt een omgedraaide anderhalf literfles met water boven een bakje. Dit moet voldoende zijn voor een maand. Hij heeft het deurtje open gezet maar Dirk heeft zich heerlijk in het stro opgerold en maakt geen aanstalten om zijn kooi te verlaten.
De parkiet Karel ziet dit duidelijk anders. Zodra hij het kooitje open deed vloog hij weg en nu hangt hij kwetterend in de gordijnen. Ook voor hem heeft hij overal bakjes met voer en water neergezet. Even overweegt hij om het bovenlicht van de balkondeur open te zetten. Mocht hij niet op tijd of helemaal niet terugkeren dan zou hij zich misschien in het wild in leven kunnen houden. Maar hij verwerpt het idee omdat Karel er misschien gelijk vandoor zou gaan.
Als hij langer wegblijft zal hij de buren vragen om zich over de beestjes te ontfermen, maar eerlijk gezegd verwacht hij niet dat dit nodig zal zijn.
De prijs voor de taxirit valt hem mee. Nog geen tachtig euro. Hij is ruim op tijd om in te checken. Zijn vliegtuig vertrekt pas om zes uur naar Indira Gandhi Airport in Delhi. Daar moet hij een binnenlandse lijnvlucht nemen naar Benares, waar zijn spirituele ontdekkingstocht pas echt begint. Het is voor hem de eerste keer dat hij naar het buitenland gaat. Greet hield niet zo van reizen en verder dan Maastricht waren ze beiden nooit geweest.
Maar nu ze aan het begin van deze zomer na het krijgen van de Mexicaanse griep overleden was en hij na het uitkeren van de ruime levensverzekering vorige maand gestopt was met werken, voelde hij een onverklaarbaar verlangen om op reis te gaan.
Hij had de as uit haar urn in een tupperware doosje gedaan en dit tussen zijn kleren in zijn koffer gestopt. Straks in Varanasi zal hij haar as aan de Ganges toevertrouwen. Pas dan zal hij echt afscheid van haar kunnen nemen.
Natuurlijk heeft hij weer gehuild. Hij huilt de laatste tijd veel. Niet als er iemand in de buurt is. Alleen thuis, veilig tussen de vier muren van zijn appartement.
Hij ziet de overburen beneden bij het raam een kaartje leggen. Hoewel het al twaalf uur is zijn nog veel bewoners wakker. Bijna allemaal hangen ze voor de tv.
Zijn aandacht wordt getrokken door een slaapkamer recht tegenover hem waar het licht aan gaat. Er verschijnt een tiener voor het raam in nachtjapon. Ze kijkt indringend in zijn richting. Ze kan me onmogelijk zien, denkt hij. Ze verdwijnt weer en keert even later naakt terug.
Dan drukt ze zo’n vijf seconden haar borsten en lippen tegen het raam terwijl ze naar hem staart. Hij ziet nu alleen nog maar haar silhouet. Onverwachts maakt ze zich los en trekt in één beweging het gordijn dicht. Het gebeurt allemaal zo snel dat hij zich afvraagt of het wel werkelijk is gebeurd. Hij blijft nog even staan kijken en hoopt dat het meisje nog een keertje terug komt, maar ze laat zich niet meer zien.
Twee uur later. Hij kijkt de kamer rond. Er staan acht diepe borden met voer om de hamsterkooi en in een houder hangt een omgedraaide anderhalf literfles met water boven een bakje. Dit moet voldoende zijn voor een maand. Hij heeft het deurtje open gezet maar Dirk heeft zich heerlijk in het stro opgerold en maakt geen aanstalten om zijn kooi te verlaten.
De parkiet Karel ziet dit duidelijk anders. Zodra hij het kooitje open deed vloog hij weg en nu hangt hij kwetterend in de gordijnen. Ook voor hem heeft hij overal bakjes met voer en water neergezet. Even overweegt hij om het bovenlicht van de balkondeur open te zetten. Mocht hij niet op tijd of helemaal niet terugkeren dan zou hij zich misschien in het wild in leven kunnen houden. Maar hij verwerpt het idee omdat Karel er misschien gelijk vandoor zou gaan.
Als hij langer wegblijft zal hij de buren vragen om zich over de beestjes te ontfermen, maar eerlijk gezegd verwacht hij niet dat dit nodig zal zijn.
De prijs voor de taxirit valt hem mee. Nog geen tachtig euro. Hij is ruim op tijd om in te checken. Zijn vliegtuig vertrekt pas om zes uur naar Indira Gandhi Airport in Delhi. Daar moet hij een binnenlandse lijnvlucht nemen naar Benares, waar zijn spirituele ontdekkingstocht pas echt begint. Het is voor hem de eerste keer dat hij naar het buitenland gaat. Greet hield niet zo van reizen en verder dan Maastricht waren ze beiden nooit geweest.
Maar nu ze aan het begin van deze zomer na het krijgen van de Mexicaanse griep overleden was en hij na het uitkeren van de ruime levensverzekering vorige maand gestopt was met werken, voelde hij een onverklaarbaar verlangen om op reis te gaan.
Hij had de as uit haar urn in een tupperware doosje gedaan en dit tussen zijn kleren in zijn koffer gestopt. Straks in Varanasi zal hij haar as aan de Ganges toevertrouwen. Pas dan zal hij echt afscheid van haar kunnen nemen.
13 november 2009
Zomaar wat letters
Dit jaar vindt de nationale intocht van Sinterklaas plaats in Schiedam. Deze bijzondere gebeurtenis wordt met beide handen aangegrepen door ons gemeentebestuur en de lokale middenstand om Schiedam op de kaart te zetten. Er is zelfs een heuse website gemaakt waar je niet alleen het programma van zijn aankomst maar ook alle activiteiten voor de komende weken kunt lezen. Om overbelasting van het netwerk te voorkomen, laat ik verdere gegevens over deze site achterwege.
Morgen is het zover. Ik stel mij voor dat menig kind en winkelier in ons dorp een onrustige nacht tegemoet gaat. Zelf zal ik er geen seconde wakker van liggen. Met mijn schone geweten hoef ik niet bang te zijn dat ik met de roede krijg. Bovendien, als er iemand straf uitdeelt met de roede dan ben ik het zelf. Hoor ik daar iemand spottend lachen?
Wat viel mij verder op in het nieuws? De lettercombinatie PVV mag niet meer op kentekenplaten van auto's. Na NSB, GVD, KUT, PJB, PKK, TBS, LPF en KKK, doet de voormalige Rijksdienst voor het Wegverkeer RDW nu ook de PVV in de ban.
Geert ziet weer een gelegenheid om de aandacht naar zich toe te trekken (wat is het toch een groot kind, zucht) en wil dat de combinatie PVV wel is toegestaan. En hij heeft gelijk. Het is van de zotte om sowieso bovengenoemde lettercombinaties te verbieden. Als ik of een ander ontregeld medemens weer eens de behoefte heb om een auto grondig te vernielen, is het prettig als je hiermee ook een hoger doel kunt dienen en het niet alleen maar een uitlaat voor je agressie is. Nee, ik waardeer het wel als mensen zich zo kwetsbaar willen opstellen.
Misschien het belangrijkste nieuws kwam vandaag van het CBS. Zo zou de recessie volgens hen in Nederland voorbij zijn. Waarbij wel werd aangetekend dat dit niet betekent dat de mensen het persé op korte termijn beter krijgen. Zo’n constatering dat de recessie voorbij is, is gebaseerd op macro-economische cijfers en sinds het ineenstorten van de banken weten we dat we aan deze cijfers niet kunnen aflezen hoe het verder met de economie zal gaan. Maar men verwacht toch een positief psychologisch effect van dit nieuws. Hiermee wordt bedoeld dat men verwacht en hoopt dat de mensen weer extra gaan consumeren. Het geld weer zullen laten rollen. Ja, ik heb ook geen moment gedacht dat men deze crisis zou aangrijpen om te werken aan een duurzame economie of het terugdringen van de enorme milieuvervuiling die met onze manier van leven samenhangt. Zoiets zou alleen kunnen als de mensen anders waren. En zoals Osho al zei: De wereld is zoals hij is omdat de mensen zijn zoals ze zijn. Waren zij anders geweest, dan was de wereld anders geweest.
Ik heb hem in mijn blog eerder geciteerd en ik vind het nog steeds één van de grootste eye-openers die ik ken.
Morgen is het zover. Ik stel mij voor dat menig kind en winkelier in ons dorp een onrustige nacht tegemoet gaat. Zelf zal ik er geen seconde wakker van liggen. Met mijn schone geweten hoef ik niet bang te zijn dat ik met de roede krijg. Bovendien, als er iemand straf uitdeelt met de roede dan ben ik het zelf. Hoor ik daar iemand spottend lachen?
Wat viel mij verder op in het nieuws? De lettercombinatie PVV mag niet meer op kentekenplaten van auto's. Na NSB, GVD, KUT, PJB, PKK, TBS, LPF en KKK, doet de voormalige Rijksdienst voor het Wegverkeer RDW nu ook de PVV in de ban.
Geert ziet weer een gelegenheid om de aandacht naar zich toe te trekken (wat is het toch een groot kind, zucht) en wil dat de combinatie PVV wel is toegestaan. En hij heeft gelijk. Het is van de zotte om sowieso bovengenoemde lettercombinaties te verbieden. Als ik of een ander ontregeld medemens weer eens de behoefte heb om een auto grondig te vernielen, is het prettig als je hiermee ook een hoger doel kunt dienen en het niet alleen maar een uitlaat voor je agressie is. Nee, ik waardeer het wel als mensen zich zo kwetsbaar willen opstellen.
Misschien het belangrijkste nieuws kwam vandaag van het CBS. Zo zou de recessie volgens hen in Nederland voorbij zijn. Waarbij wel werd aangetekend dat dit niet betekent dat de mensen het persé op korte termijn beter krijgen. Zo’n constatering dat de recessie voorbij is, is gebaseerd op macro-economische cijfers en sinds het ineenstorten van de banken weten we dat we aan deze cijfers niet kunnen aflezen hoe het verder met de economie zal gaan. Maar men verwacht toch een positief psychologisch effect van dit nieuws. Hiermee wordt bedoeld dat men verwacht en hoopt dat de mensen weer extra gaan consumeren. Het geld weer zullen laten rollen. Ja, ik heb ook geen moment gedacht dat men deze crisis zou aangrijpen om te werken aan een duurzame economie of het terugdringen van de enorme milieuvervuiling die met onze manier van leven samenhangt. Zoiets zou alleen kunnen als de mensen anders waren. En zoals Osho al zei: De wereld is zoals hij is omdat de mensen zijn zoals ze zijn. Waren zij anders geweest, dan was de wereld anders geweest.
Ik heb hem in mijn blog eerder geciteerd en ik vind het nog steeds één van de grootste eye-openers die ik ken.
12 november 2009
Gedicht.
Mijn computer is af en toe vreselijk traag is. Daarom overbrug ik de tijd tussen het opstarten van Windows en het daadwerkelijk openen van een programma meestal met wat jammen op mijn gitaar of door wat te lezen. Mijn gitaarspel is er hierdoor wat op vooruit gegaan, maar als ik ook wat vaker zou spelen buiten deze momenten dat ik wachten moet, dan zou het pas echt beter worden. Meestal maak ik daarvoor in het voorjaar pas tijd vrij. De herfst en de winter gebruik ik mijn vrije tijd bij voorkeur om te lezen en te schrijven.
In mijn kasten staan veel boeken die ik nog lezen moet. Op boekenmarkten schaf ik van alles en nog wat aan ook al weet ik dat sommige boeken nog heel lang dicht zullen blijven.
Zo vond ik gisteren tijdens het starten van mijn computer tot mijn verrassing een gedichtenbundel van Jean Pierre Rawie. De bundel heet “Kwade trouw” en is uit 1996. De stijl van Rawie vind ik speels en ernstig tegelijk. In deze bundel koketteert hij met de dood. Ik kan het niet nalaten om er een gedicht uit over te nemen. In dit geval een rondeel.
Mismoedig rondeel
Ons leven is doortrokken van de dood
Wij hebben alle reden om te klagen
Wel koesteren wij hier nog vage
verwachtingen en houden wij ons groot,
maar als je nagaat wat er overschoot
van al die nachten en van die dagen-
ons leven is doortrokken van de dood,
wij hebben alle reden om te klagen.
De tranen die je waar ook om vergoot,
de wroegingen die aan je blijven knagen,
en al ons hopen, liefhebben en vragen
is eigenlijk van elke zin ontbloot;
ons leven is doortrokken van de dood.
Het gedicht past voor mij helemaal bij deze tijd, waarin de dagen steeds korter worden en de temperatuur af en toe ’s nachts al weer beneden het vriespunt ligt. Ik word er vrolijk en droevig tegelijk van. Zo lees ik dat zinnen uit zijn gedichten steeds vaker opduiken in rouwadvertenties. Blijkbaar zijn er meer die graag koketteren met de dood.
In mijn kasten staan veel boeken die ik nog lezen moet. Op boekenmarkten schaf ik van alles en nog wat aan ook al weet ik dat sommige boeken nog heel lang dicht zullen blijven.
Zo vond ik gisteren tijdens het starten van mijn computer tot mijn verrassing een gedichtenbundel van Jean Pierre Rawie. De bundel heet “Kwade trouw” en is uit 1996. De stijl van Rawie vind ik speels en ernstig tegelijk. In deze bundel koketteert hij met de dood. Ik kan het niet nalaten om er een gedicht uit over te nemen. In dit geval een rondeel.
Mismoedig rondeel
Ons leven is doortrokken van de dood
Wij hebben alle reden om te klagen
Wel koesteren wij hier nog vage
verwachtingen en houden wij ons groot,
maar als je nagaat wat er overschoot
van al die nachten en van die dagen-
ons leven is doortrokken van de dood,
wij hebben alle reden om te klagen.
De tranen die je waar ook om vergoot,
de wroegingen die aan je blijven knagen,
en al ons hopen, liefhebben en vragen
is eigenlijk van elke zin ontbloot;
ons leven is doortrokken van de dood.
Het gedicht past voor mij helemaal bij deze tijd, waarin de dagen steeds korter worden en de temperatuur af en toe ’s nachts al weer beneden het vriespunt ligt. Ik word er vrolijk en droevig tegelijk van. Zo lees ik dat zinnen uit zijn gedichten steeds vaker opduiken in rouwadvertenties. Blijkbaar zijn er meer die graag koketteren met de dood.
11 november 2009
Griepprik
Het hele gedoe om de griepprik dreigt in een klucht te ontaarden. Wars van enige realiteitszin is er besloten dat de verschillende groepen, waarvoor de prik bestemd is, op verschillende momenten moeten worden gevaccineerd.
Sportartsen zijn echter al volop bezig met het toedienen van het vaccin aan topsporters en huisartsen worden door huilende moeders onder druk gezet om nu al hun kinderen in te enten, omdat er in de klas van hun kind wat griepgevalletjes zijn, terwijl afgesproken is dat dit pas vanaf 23 november door de GGD wordt gedaan.
De vrees is nu dat er lokaal tekorten ontstaan of dat de prik die de huisarts geeft niet helemaal overeenkomt met de prik die men misschien over 2 weken van de GGD krijgt, omdat dit vaccin van een andere fabrikant is. En men weet niet wat hiervan het effect is.
Ik zelf verwacht dat als een kind zijn eerste prik van de huisarts krijgt en zijn tweede van de GGD, dat het kind voor de ogen van zijn ouders in een enorm agressief vraatzuchtig groen insect met vleugels zal veranderen en alle andere kinderen die een prikje moeten krijgen zal verscheuren. Zoiets ligt natuurlijk voor de hand. Daarna vliegen alle mutanten met elkaar naar Afrika om te overwinteren. Pas in het voorjaar keren ze weer terug. Ik vermoed dat ze dan door het leger gevangen zullen worden en hierna naar Afghanistan worden gebracht, waar ze op de Taliban zullen worden losgelaten. Maar zeker weten doe ik dat natuurlijk niet.
In ieder geval heeft minister Klink al dreigende taal geuit in de richting van de artsen die door hun goedbedoelde acties het hele vaccinatieprogramma in gevaar dreigen te brengen.
Ons hele land is bekabeld en in elk huis staat één of meer computers. Men zegt dat het grootste deel van de bevolking geletterd is, d.w.z. dat ze de artikeltjes in het AD begrijpen.
Maar alle computers van Nederland en alle geletterde Hollanders bij elkaar slagen er niet in om zo’n preventieve griepprikactie zonder problemen te laten verlopen.
Wat zullen onze zuiderburen hierom moeten lachen.
Sportartsen zijn echter al volop bezig met het toedienen van het vaccin aan topsporters en huisartsen worden door huilende moeders onder druk gezet om nu al hun kinderen in te enten, omdat er in de klas van hun kind wat griepgevalletjes zijn, terwijl afgesproken is dat dit pas vanaf 23 november door de GGD wordt gedaan.
De vrees is nu dat er lokaal tekorten ontstaan of dat de prik die de huisarts geeft niet helemaal overeenkomt met de prik die men misschien over 2 weken van de GGD krijgt, omdat dit vaccin van een andere fabrikant is. En men weet niet wat hiervan het effect is.
Ik zelf verwacht dat als een kind zijn eerste prik van de huisarts krijgt en zijn tweede van de GGD, dat het kind voor de ogen van zijn ouders in een enorm agressief vraatzuchtig groen insect met vleugels zal veranderen en alle andere kinderen die een prikje moeten krijgen zal verscheuren. Zoiets ligt natuurlijk voor de hand. Daarna vliegen alle mutanten met elkaar naar Afrika om te overwinteren. Pas in het voorjaar keren ze weer terug. Ik vermoed dat ze dan door het leger gevangen zullen worden en hierna naar Afghanistan worden gebracht, waar ze op de Taliban zullen worden losgelaten. Maar zeker weten doe ik dat natuurlijk niet.
In ieder geval heeft minister Klink al dreigende taal geuit in de richting van de artsen die door hun goedbedoelde acties het hele vaccinatieprogramma in gevaar dreigen te brengen.
Ons hele land is bekabeld en in elk huis staat één of meer computers. Men zegt dat het grootste deel van de bevolking geletterd is, d.w.z. dat ze de artikeltjes in het AD begrijpen.
Maar alle computers van Nederland en alle geletterde Hollanders bij elkaar slagen er niet in om zo’n preventieve griepprikactie zonder problemen te laten verlopen.
Wat zullen onze zuiderburen hierom moeten lachen.
09 november 2009
Dood gaan we allemaal. Hoewel...
Het lijkt hier de Keukenhof wel, zei ze. Mij maakt het niet uit, maar ik heb kleinkinderen en die wil ik niet besmetten. Tientallen oude mannen en vrouwen stonden in een lange rij te wachten tot ze naar binnen mochten voor de griepprik. Dat ze geen zin hadden om aan zo’n lullig griepje dood te gaan zei niemand.
Onze gezondheidszorg is een van de beste in de wereld en we mogen daar heel blij mee zijn. Ik moet er ook niet aan denken dat een van mijn kinderen of Paula dood zou gaan aan zo’n lamlendig virus. Maar zelf heb ik geen behoefte aan de griepprik.
Een weekend op de weg, met de kans dat ik geramd word door iemand die teveel heeft gedronken of door iemand die er een eind aan wil maken, baart me meer zorgen dan de griep. Straks zit ik met mijn grote bek natuurlijk ook hoestend en rochelend met rode oogjes thuis of lig ik op de IC, maar het zou me eerlijk gezegd verbazen.
Zoals bekend is het met dood gaan toch raar gesteld. Op tv is er zelfs een programma dat gaat over bijzondere doodsoorzaken. Zo zag ik gisteren hoe twee jonge mannen aan hun einde kwamen omdat zij via een rietje een aantal vuurmieren in hun neus omhoog gesnoven hadden. Waarom zij dit hadden gedaan weet ik niet, maar de mieren begonnen natuurlijk te steken en door allerlei zwellingen werden hun luchtwegen afgesloten. Uiteindelijk zijn de mannen gestikt.
Een collega van Paula kwam uit een familie waar er genetisch gezien grote kans was op het krijgen van kanker. Onderzoek had uitgewezen dat zij dit vervelende gen niet geërfd had. Een paar weken geleden overleed ze aan een hersenbloeding.
Toen mijn vriendin Bea in het voorjaar overleed aan leverkanker was het doodvonnis haar al ruim twee jaar eerder bekend gemaakt. Tot het laatst heeft ze moeite gehad om het onvermijdelijke te accepteren. De dood is dus overal en altijd. Reden temeer om van het leven een feestje te maken als je denkt dat je voorlopig nog niet aan de beurt bent.
Nee, ons probleem is dat we te weinig fantasie hebben. Alles lijkt eeuwig en altijd door te gaan, maar we weten dat dit een illusie is. Niets is blijvend en dat is maar goed ook.
We leven in een cultuur waar de dood is uitgebannen. De dood is een randverschijnsel geworden dat we negeren zo lang dat kan. Niet onbekend zal zijn dat sommigen zich via cryogene suspensie (zeg maar ‘invriezen’) willen verzekeren van een voortzetting van hun leven in een tijd dat het wetenschappelijk mogelijk is hen weer terug te halen.
Een beetje zoals de farao’s, met dat verschil dat dezen de wederopstanding verwachtten in een hiernamaals, terwijl cryonauten verwachten tot wederopstanding te komen in een wereld die de dood heeft uitgebannen. Het zal ze tegen vallen. Niemand zit er op ze te wachten en alles wat hun vertrouwd was bij het leven is voorgoed verdwenen.
Alles om mij heen is oogverblindend wit. Ik lig in een soort van doorzichtige cocon in een lauwwarme vloeistof. Er zitten buisjes en draadjes in mijn lichaam die mij in leven houden. Vandaag hebben ze mij mijn gezichtsvermogen terug gegeven. Morgen herstellen ze mijn gehoor. Als het zo door gaat kan ik over enkele weken weer helemaal functioneren zoals vroeger. Beter zelfs, want met deze ogen kan ik beter zien dan met de ogen die ik heb moeten achterlaten.
Leven…Eeuwenlang was mijn lichaam ingevroren. Ik heb begrepen dat ze nu een andere jaartelling hanteren dan in mijn tijd, maar als ik daar vanuit zou gaan dan is het nu het jaar 3680. Bijna 1700 jaar zijn er voorbij gegaan en nu ben ik er weer. Ik heb geen idee waar ik ben en hoe de wereld er uit ziet. Hoe mijn leven vroeger was weet ik ook niet meer. Ik zal vermoedelijk wel een andere identiteit krijgen. Ik heb geen idee wat er gaat gebeuren.
Intermezzo (leuk muziekje)
Ik wil dood, maar dat kan niet meer. Het is nu vijftig jaar geleden dat ze mij hebben teruggehaald. Ik blijk de enige niet te zijn. Ze hebben me aan de anderen voorgesteld. Alles natuurlijk via een virtuele tour. Het leek of we met zo’n duizend man in een zaal bij elkaar zaten, maar in werkelijkheid lagen we in onze cocon.
Ik ben er achter gekomen dat allen die zijn teruggehaald uit hun diepvriesslaap net als ik in een cocon liggen. Door mensachtige wezens is mij verteld dat dit niet anders kan omdat we te kwetsbaar zijn.
Ze hebben mij laten zien in wat voor een wereld wij nu leven. Eigenlijk herken ik bijna niets meer terug. Op aarde wonen nu nog maar een paar miljoen mensen. In de afgelopen eeuwen is de wereldbevolking door rampen en oorlogen gedecimeerd.
Iedereen woont nu onder de grond, want de wereld er boven schijnt onleefbaar geworden te zijn. Maar hier beneden is daar niets van te merken.
Vanuit mijn cocon kan ik alles zien, horen en voelen. Net of het echt is. Alsof ik helder droom. Zelfs seks lijkt levensecht.
Nu begrijp ik pas echt wat er wordt bedoeld met dat alles een illusie is. Onze hersens bepalen wel wat echt voor hun is.
Mijn lichaam is een overbodig aanhangsel geworden en er zijn plannen om het van me af te nemen. Straks ben ik alleen nog maar een grote grijsrosse walnoot die drijft in een bak met voedingsstoffen. Ik zal het nooit weten, want ik zal altijd de illusie hebben dat ik een gezond lichaam heb waarmee ik alles kan doen wat ik wil.
Ik wil dood en heb ze dat gezegd. Maar ze hebben gezegd dat ze willen onderzoeken hoe lang ik in leven ben te houden. Samen met die andere duizend ben ik opgenomen in een experiment en minstens nog honderden jaren volledig aan mijn verzorgers overgeleverd.
Onze gezondheidszorg is een van de beste in de wereld en we mogen daar heel blij mee zijn. Ik moet er ook niet aan denken dat een van mijn kinderen of Paula dood zou gaan aan zo’n lamlendig virus. Maar zelf heb ik geen behoefte aan de griepprik.
Een weekend op de weg, met de kans dat ik geramd word door iemand die teveel heeft gedronken of door iemand die er een eind aan wil maken, baart me meer zorgen dan de griep. Straks zit ik met mijn grote bek natuurlijk ook hoestend en rochelend met rode oogjes thuis of lig ik op de IC, maar het zou me eerlijk gezegd verbazen.
Zoals bekend is het met dood gaan toch raar gesteld. Op tv is er zelfs een programma dat gaat over bijzondere doodsoorzaken. Zo zag ik gisteren hoe twee jonge mannen aan hun einde kwamen omdat zij via een rietje een aantal vuurmieren in hun neus omhoog gesnoven hadden. Waarom zij dit hadden gedaan weet ik niet, maar de mieren begonnen natuurlijk te steken en door allerlei zwellingen werden hun luchtwegen afgesloten. Uiteindelijk zijn de mannen gestikt.
Een collega van Paula kwam uit een familie waar er genetisch gezien grote kans was op het krijgen van kanker. Onderzoek had uitgewezen dat zij dit vervelende gen niet geërfd had. Een paar weken geleden overleed ze aan een hersenbloeding.
Toen mijn vriendin Bea in het voorjaar overleed aan leverkanker was het doodvonnis haar al ruim twee jaar eerder bekend gemaakt. Tot het laatst heeft ze moeite gehad om het onvermijdelijke te accepteren. De dood is dus overal en altijd. Reden temeer om van het leven een feestje te maken als je denkt dat je voorlopig nog niet aan de beurt bent.
Nee, ons probleem is dat we te weinig fantasie hebben. Alles lijkt eeuwig en altijd door te gaan, maar we weten dat dit een illusie is. Niets is blijvend en dat is maar goed ook.
We leven in een cultuur waar de dood is uitgebannen. De dood is een randverschijnsel geworden dat we negeren zo lang dat kan. Niet onbekend zal zijn dat sommigen zich via cryogene suspensie (zeg maar ‘invriezen’) willen verzekeren van een voortzetting van hun leven in een tijd dat het wetenschappelijk mogelijk is hen weer terug te halen.
Een beetje zoals de farao’s, met dat verschil dat dezen de wederopstanding verwachtten in een hiernamaals, terwijl cryonauten verwachten tot wederopstanding te komen in een wereld die de dood heeft uitgebannen. Het zal ze tegen vallen. Niemand zit er op ze te wachten en alles wat hun vertrouwd was bij het leven is voorgoed verdwenen.
Alles om mij heen is oogverblindend wit. Ik lig in een soort van doorzichtige cocon in een lauwwarme vloeistof. Er zitten buisjes en draadjes in mijn lichaam die mij in leven houden. Vandaag hebben ze mij mijn gezichtsvermogen terug gegeven. Morgen herstellen ze mijn gehoor. Als het zo door gaat kan ik over enkele weken weer helemaal functioneren zoals vroeger. Beter zelfs, want met deze ogen kan ik beter zien dan met de ogen die ik heb moeten achterlaten.
Leven…Eeuwenlang was mijn lichaam ingevroren. Ik heb begrepen dat ze nu een andere jaartelling hanteren dan in mijn tijd, maar als ik daar vanuit zou gaan dan is het nu het jaar 3680. Bijna 1700 jaar zijn er voorbij gegaan en nu ben ik er weer. Ik heb geen idee waar ik ben en hoe de wereld er uit ziet. Hoe mijn leven vroeger was weet ik ook niet meer. Ik zal vermoedelijk wel een andere identiteit krijgen. Ik heb geen idee wat er gaat gebeuren.
Intermezzo (leuk muziekje)
Ik wil dood, maar dat kan niet meer. Het is nu vijftig jaar geleden dat ze mij hebben teruggehaald. Ik blijk de enige niet te zijn. Ze hebben me aan de anderen voorgesteld. Alles natuurlijk via een virtuele tour. Het leek of we met zo’n duizend man in een zaal bij elkaar zaten, maar in werkelijkheid lagen we in onze cocon.
Ik ben er achter gekomen dat allen die zijn teruggehaald uit hun diepvriesslaap net als ik in een cocon liggen. Door mensachtige wezens is mij verteld dat dit niet anders kan omdat we te kwetsbaar zijn.
Ze hebben mij laten zien in wat voor een wereld wij nu leven. Eigenlijk herken ik bijna niets meer terug. Op aarde wonen nu nog maar een paar miljoen mensen. In de afgelopen eeuwen is de wereldbevolking door rampen en oorlogen gedecimeerd.
Iedereen woont nu onder de grond, want de wereld er boven schijnt onleefbaar geworden te zijn. Maar hier beneden is daar niets van te merken.
Vanuit mijn cocon kan ik alles zien, horen en voelen. Net of het echt is. Alsof ik helder droom. Zelfs seks lijkt levensecht.
Nu begrijp ik pas echt wat er wordt bedoeld met dat alles een illusie is. Onze hersens bepalen wel wat echt voor hun is.
Mijn lichaam is een overbodig aanhangsel geworden en er zijn plannen om het van me af te nemen. Straks ben ik alleen nog maar een grote grijsrosse walnoot die drijft in een bak met voedingsstoffen. Ik zal het nooit weten, want ik zal altijd de illusie hebben dat ik een gezond lichaam heb waarmee ik alles kan doen wat ik wil.
Ik wil dood en heb ze dat gezegd. Maar ze hebben gezegd dat ze willen onderzoeken hoe lang ik in leven ben te houden. Samen met die andere duizend ben ik opgenomen in een experiment en minstens nog honderden jaren volledig aan mijn verzorgers overgeleverd.
08 november 2009
Luilakken van Nederland: sta eens op!
Laat ik het maar toegeven. Ik ben lang niet die geweldige sportieveling die veel mensen in mij zien. Niet ik ben zo sportief, maar zij komen helemaal niet van hun luie reet. Of is dit te confronterend? Misschien klinkt het prettiger voor hen als ik zeg dat zij andere keuzes maken dan ik.
Goed, ik ren elke week twee of drie keer. Maar wat is nu 10 of 15 kilometertjes rennen? Er zijn er tienduizenden die dit wekelijks enkele keren doen. En dagelijks één of meer keren naar de 8e etage lopen is ook zo bijzonder niet. Het lijkt veel, maar in werkelijkheid valt het zo ongelooflijk mee.
Nee, als ik werkelijk zo sportief was dan had ik mij vanmorgen niet nog eens tien keer omgedraaid, maar was ik er om zeven uur uit gegaan in plaats van om negen uur. Wat heb ik er spijt van dat ik ben blijven liggen.
Alleen in het voorjaar of in de herfst als het om zeven uur ’s morgens nog donker is en de mist als een wollen deken over de verkilde schouders van het barre land ligt, kan ik het soms opbrengen om in alle vroegte naar buiten te gaan om mij te laten betoveren door het ogenlik dat de zon deze deken in nevelige slierten laat oplossen, waarna uit de vlammende kleuren van een nieuwe dag de verkleumde aarde glinsterend van dauwdruppels tevoorschijn komt.
Maar als je dan weer eens veel te laat en veel te stoned naar bed gaat en je partner wèl om zeven op staat en je het bed even helemaal voor jezelf hebt, dan is de verleiding om te blijven liggen af en toe te groot.
Als je dan toch tegen de verdrukking in stoer wil zijn en er ook uit wil gaan, heb je het gevoel dat je jezelf uit een doodskist naar de oppervlakte worstelt. Na deze valse start word je vanuit de spiegel aangestaard door een nog niet geheel verteerd lijk en is je keel zo scherp en zit zo dicht dat het voelt alsof iemand die nacht met een Wc-borstel door je strot heeft zitten raggen.
Op zondagmorgen ligt heel Nederland halfdood in bed of zit in de kerk. De enkeling die toch op pad is gegaan wordt als een halve zool beschouwd of als zo bijzonder gezien, dat in beide gevallen de mensen een excuus hebben om te blijven liggen. Wie wil er immers vergeleken worden met een halve zool? Juist zondagmorgen voel je jezelf heel gewoontjes en heb je behoefte solidair te zijn met die andere slaapkoppen.
Degenen die naar de kerk gaan dutten wat in de kerkbanken weg of knappen later op de dag een uiltje om hun gemis aan slaap te compenseren. Veel van wat de dominee of pastoor zegt gaat het ene oor in en andere uit. “Waar heeft hij het over?” vragen ze zich af en na afloop van de dienst zeggen ze elkaar dat het een mooie preek was.
Zondagmorgen: het is het tijdstip waarop onze vijanden alle ruimte krijgen voor hun slechte bedoelingen. Wij draaien ons nog een keertje om en trekken de dekens stevig om ons heen. We willen maar één ding: met rust gelaten worden.
Goed, ik ren elke week twee of drie keer. Maar wat is nu 10 of 15 kilometertjes rennen? Er zijn er tienduizenden die dit wekelijks enkele keren doen. En dagelijks één of meer keren naar de 8e etage lopen is ook zo bijzonder niet. Het lijkt veel, maar in werkelijkheid valt het zo ongelooflijk mee.
Nee, als ik werkelijk zo sportief was dan had ik mij vanmorgen niet nog eens tien keer omgedraaid, maar was ik er om zeven uur uit gegaan in plaats van om negen uur. Wat heb ik er spijt van dat ik ben blijven liggen.
Alleen in het voorjaar of in de herfst als het om zeven uur ’s morgens nog donker is en de mist als een wollen deken over de verkilde schouders van het barre land ligt, kan ik het soms opbrengen om in alle vroegte naar buiten te gaan om mij te laten betoveren door het ogenlik dat de zon deze deken in nevelige slierten laat oplossen, waarna uit de vlammende kleuren van een nieuwe dag de verkleumde aarde glinsterend van dauwdruppels tevoorschijn komt.
Maar als je dan weer eens veel te laat en veel te stoned naar bed gaat en je partner wèl om zeven op staat en je het bed even helemaal voor jezelf hebt, dan is de verleiding om te blijven liggen af en toe te groot.
Als je dan toch tegen de verdrukking in stoer wil zijn en er ook uit wil gaan, heb je het gevoel dat je jezelf uit een doodskist naar de oppervlakte worstelt. Na deze valse start word je vanuit de spiegel aangestaard door een nog niet geheel verteerd lijk en is je keel zo scherp en zit zo dicht dat het voelt alsof iemand die nacht met een Wc-borstel door je strot heeft zitten raggen.
Op zondagmorgen ligt heel Nederland halfdood in bed of zit in de kerk. De enkeling die toch op pad is gegaan wordt als een halve zool beschouwd of als zo bijzonder gezien, dat in beide gevallen de mensen een excuus hebben om te blijven liggen. Wie wil er immers vergeleken worden met een halve zool? Juist zondagmorgen voel je jezelf heel gewoontjes en heb je behoefte solidair te zijn met die andere slaapkoppen.
Degenen die naar de kerk gaan dutten wat in de kerkbanken weg of knappen later op de dag een uiltje om hun gemis aan slaap te compenseren. Veel van wat de dominee of pastoor zegt gaat het ene oor in en andere uit. “Waar heeft hij het over?” vragen ze zich af en na afloop van de dienst zeggen ze elkaar dat het een mooie preek was.
Zondagmorgen: het is het tijdstip waarop onze vijanden alle ruimte krijgen voor hun slechte bedoelingen. Wij draaien ons nog een keertje om en trekken de dekens stevig om ons heen. We willen maar één ding: met rust gelaten worden.
07 november 2009
Politiek
Jaap de Hoop Scheffer, onze voormalige NAVO-baas, heeft er veel moeite mee dat Nederland na 2010 misschien helemaal uit Afghanistan weg gaat. Ik hoop dat-ie er slapeloze nachten van heeft. Toevallig heb ik een leerling wiens broer straks naar Afghanistan gaat en zij vindt dat helemaal niet leuk. En dat is zwak uitgedrukt. En ergens in Afghanistan is een moeder van een Talibanstrijder die het ook niet leuk vindt dat deze jongen het groene polderland verruilt voor de kale bruingrijze bergen van haar land. Als haar zoon per ongeluk die Hollandse kaaskop tegenkomt dan gaan ze misschien op elkaar schieten en geen moeder vindt het leuk als er op haar kind geschoten wordt.
Als de kop van Jaap de Hoop Scheffer vroeger op TV verscheen, werd mijn vriendin Paula acuut misselijk en kreeg ze braakneigingen. Ze zat dan happend naar lucht op de bank en pas als ik de tuindeur had open gezet en er wat frisse lucht naar binnen was gestroomd knapte ze weer wat op. Zo erg is het bij mij gelukkig nooit geweest. Ik voelde een soort van walging die ik gemakkelijk kon onderdrukken. Maar dat komt waarschijnlijk omdat ik als kind al veel onsmakelijke tafereeltjes gezien had in de slagerij van een oom, die zelf het vee nog slachtte. Dat kon vroeger nog. Mogelijk heb ik daar een wat sterkere maag aan over gehouden.
Tegenwoordig wordt Paula ook licht onpasselijk van Wouter Bos, maar dat gevoel deel ik niet met haar. Die man heeft het gewoon erg moeilijk, wat je bij tijd en wijle zien kunt als er weer eens een waanzinnige blik in zijn ogen verschijnt.
We hebben het wel beiden bij Maxime Verhagen en ik heb het ook wel met die gladjakker van een Camiel Eurlings. Maar Jan Peter vinden we wel weer een toffe peer. Gek eigenlijk, bedenk ik me. Want zo tof is hij helemaal niet.
Mijn held voor het moment is Alexander Pechtold, maar dat komt omdat hij zich zo duidelijk en zo lekker negatief uitgelaten had over Geert Wilders.
Voor de rest weet ik geen zak van politiek. Alleen dat politici hardwerkende en ambitieuze mensen zijn van het type ‘veel geblaat en weinig wol’ en dat je nooit je rug naar hun moet keren.
Als de kop van Jaap de Hoop Scheffer vroeger op TV verscheen, werd mijn vriendin Paula acuut misselijk en kreeg ze braakneigingen. Ze zat dan happend naar lucht op de bank en pas als ik de tuindeur had open gezet en er wat frisse lucht naar binnen was gestroomd knapte ze weer wat op. Zo erg is het bij mij gelukkig nooit geweest. Ik voelde een soort van walging die ik gemakkelijk kon onderdrukken. Maar dat komt waarschijnlijk omdat ik als kind al veel onsmakelijke tafereeltjes gezien had in de slagerij van een oom, die zelf het vee nog slachtte. Dat kon vroeger nog. Mogelijk heb ik daar een wat sterkere maag aan over gehouden.
Tegenwoordig wordt Paula ook licht onpasselijk van Wouter Bos, maar dat gevoel deel ik niet met haar. Die man heeft het gewoon erg moeilijk, wat je bij tijd en wijle zien kunt als er weer eens een waanzinnige blik in zijn ogen verschijnt.
We hebben het wel beiden bij Maxime Verhagen en ik heb het ook wel met die gladjakker van een Camiel Eurlings. Maar Jan Peter vinden we wel weer een toffe peer. Gek eigenlijk, bedenk ik me. Want zo tof is hij helemaal niet.
Mijn held voor het moment is Alexander Pechtold, maar dat komt omdat hij zich zo duidelijk en zo lekker negatief uitgelaten had over Geert Wilders.
Voor de rest weet ik geen zak van politiek. Alleen dat politici hardwerkende en ambitieuze mensen zijn van het type ‘veel geblaat en weinig wol’ en dat je nooit je rug naar hun moet keren.
06 november 2009
Godslastering
De wereld verandert in een razend tempo. Wet- en regelgeving die nog net niet uit de middeleeuwen stamt en die m.i. niet meer past in deze tijd, hobbelt maar wat achter de ontwikkelingen aan. Nu is er dan toch eindelijk een kans dat het Verbod op Godslastering verdwijnt. Jan Donner, de grootvader van onze eigen lasterlijke Piet Donner, heeft er voor gezorgd dat deze wet er in 1932 kwam. Reden was dat het Nederlandse communistische blad De Tribune artikelen en spotprenten publiceerde tegen de godsdienst. Vlak voor Kerst in 1930 publiceerde het blad een artikel dat opriep het Kerstfeest af te schaffen. Twee jaar later toonde het blad een spotprent waarin twee arbeiders de bijl aan het Kruis van Christus zetten.
Ik had mij nog niet eerder in dit wetsartikel verdiept en ik vermoed dat dit ook geldt voor vele anderen. Lees even mee:
Artikel 147 en 147a Wetboek van Strafrecht
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;
2. hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;
3. hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Van dik hout zaagt men planken. En al staan deze straffen niet in verhouding tot de vaak draconische straffen die er bestaan voor godslastering in sommige andere godsdiensten, het is natuurlijk bar en boos dat anno 2009 deze wet er nog steeds is.
Het zijn de oppositiepartijen D66, SP en VVD die vandaag een gezamenlijk initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend om het verbod op godslastering te schrappen.
Als het puur om afschaffing van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht gaat, kunnen ze rekenen op steun van regeringspartij PvdA. Daarmee is er een meerderheid in de Tweede Kamer die ervan af wil.
Het wetsartikel blijkt in de praktijk niet erg goed te functioneren en de reden daarvan is het “Ezelsproces” Ik neem hier de tekst integraal over van Wikipedia. Scheelt me weer tijd.
Het ezelsproces
In de allereerste aflevering van "Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij" had Gerard Kornelis van het Reve (zoals hij toen nog heette) een 'Brief aan mijn Bank' opgenomen. Daarin vertelde de schrijver hoe hij zich de Wederkomst voorstelde:
’Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’
Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis Kamervragen (aan de ministers van justitie en van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk) over deze uitlatingen en drong aan op vervolging op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. De ministers antwoordden dat het Amsterdamse parket inderdaad vervolging zou instellen. De officier van justitie betrok in zijn dagvaarding ook een nauw verwante passage uit de inmiddels verschenen bundel 'Nader tot U'. Daarin had Van het Reve namelijk geschreven: ’En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’
De rechtbank oordeelde dat de passages weliswaar godslasterlijk waren, maar geen smalend karakter hadden. Reve ging daarop in hoger beroep, waarbij hij zelf zijn verdediging voerde. Hij wees er onder andere op dat de wet een onzinnig onderscheid maakt tussen het lasteren van personen die als God worden vereerd en het uitschelden van bijvoorbeeld Maria, Boeddha, of Krishna, die immers niet als goden worden beschouwd. [6] [10] Van het Reve werd vrijgesproken — een oordeel dat in april 1968 door de Hoge Raad werd bevestigd. Kort daarop werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend.
Dappere mensen zijn er gelukkig altijd geweest.
Ik had mij nog niet eerder in dit wetsartikel verdiept en ik vermoed dat dit ook geldt voor vele anderen. Lees even mee:
Artikel 147 en 147a Wetboek van Strafrecht
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;
2. hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;
3. hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Van dik hout zaagt men planken. En al staan deze straffen niet in verhouding tot de vaak draconische straffen die er bestaan voor godslastering in sommige andere godsdiensten, het is natuurlijk bar en boos dat anno 2009 deze wet er nog steeds is.
Het zijn de oppositiepartijen D66, SP en VVD die vandaag een gezamenlijk initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend om het verbod op godslastering te schrappen.
Als het puur om afschaffing van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht gaat, kunnen ze rekenen op steun van regeringspartij PvdA. Daarmee is er een meerderheid in de Tweede Kamer die ervan af wil.
Het wetsartikel blijkt in de praktijk niet erg goed te functioneren en de reden daarvan is het “Ezelsproces” Ik neem hier de tekst integraal over van Wikipedia. Scheelt me weer tijd.
Het ezelsproces
In de allereerste aflevering van "Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij" had Gerard Kornelis van het Reve (zoals hij toen nog heette) een 'Brief aan mijn Bank' opgenomen. Daarin vertelde de schrijver hoe hij zich de Wederkomst voorstelde:
’Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’
Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis Kamervragen (aan de ministers van justitie en van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk) over deze uitlatingen en drong aan op vervolging op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht. De ministers antwoordden dat het Amsterdamse parket inderdaad vervolging zou instellen. De officier van justitie betrok in zijn dagvaarding ook een nauw verwante passage uit de inmiddels verschenen bundel 'Nader tot U'. Daarin had Van het Reve namelijk geschreven: ’En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’
De rechtbank oordeelde dat de passages weliswaar godslasterlijk waren, maar geen smalend karakter hadden. Reve ging daarop in hoger beroep, waarbij hij zelf zijn verdediging voerde. Hij wees er onder andere op dat de wet een onzinnig onderscheid maakt tussen het lasteren van personen die als God worden vereerd en het uitschelden van bijvoorbeeld Maria, Boeddha, of Krishna, die immers niet als goden worden beschouwd. [6] [10] Van het Reve werd vrijgesproken — een oordeel dat in april 1968 door de Hoge Raad werd bevestigd. Kort daarop werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend.
Dappere mensen zijn er gelukkig altijd geweest.
05 november 2009
Blond is dom en gevaarlijk.
''Met de uitlatingen dat Geert Wilders staatsgevaarlijk, extreem rechts en haatzaaiend zou zijn, gaat de heer Pechtold zijn boekje ver te buiten'' aldus de Stichting Vrienden van Pim Fortuyn en de Stichting Beeld van Pim. Daarom hebben zij aangifte gedaan, waarbij zij als argument aanvoeren dat zij willen voorkomen dat er een derde politieke moord wordt gepleegd na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh.
Ik ken die stichtingen niet, maar ik kan mij wel voorstellen wat voor een enge mensen daar in zitten. Aan de buitenkant zie je misschien niets aan ze. Het zouden je buren kunnen zijn.
Maar wat er in die hoofdjes omgaat… Hou ze in de gaten, want ze willen bloed zien. Heel veel bloed.
Natuurlijk kloppen de kwalificaties over onze Geert.
Wetenschappers die onderzoek hebben gedaan in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, concludeerden dat Wilders extreem-rechts is en de sociale cohesie en democratie ondermijnt. Het is triest dat wat velen al vermoed hadden nu door een onderzoek wordt bevestigd. Geert Wilders is een griezel.
Hoewel hij zoals gewoonlijk weer luid begint te roepen dat hij wordt gedemoniseerd, vermoed ik dat hij zelf erg in zijn nopjes is met de onderzoeksresultaten.
Ik zie deze populist in gedachte ’s morgens met zijn blonde lokken voor de spiegel staan, terwijl hij zich afvraagt hoe hij politieke munt uit deze gratis publiciteit kan slaan.
Zijn groeiende achterban bestaat al lang niet meer alleen uit gefrustreerde analfabeten, want inmiddels zijn er ook mensen met een goede opleiding en een fatsoenlijke opvoeding, die menen in hem de redder te zien van dit langzaam in de Noordzee verdwijnende drooggelegde moeras. De geesten worden rijp gemaakt voor de Grote Afrekening.
Vrolijke liederen zingend marcheren ze over niet al te lange tijd door de straten van de grote steden en slaan hier en daar iemand die hen te lang aanstaart en passant in elkaar.
De democratie heeft wel vaker politieke leiders voort gebracht die zich als spreekbuis opwierpen van hen die om de een of andere reden genoeg hadden van de gevestigde orde. Om hen daarna naar de afgrond te leiden zodat zij nog verder van huis waren. Het lijkt wel of mensen steeds weer op zoek zijn naar een sterke man of vrouw die hen wel even nog dieper de stront in wil helpen. Meestal hoeven zij nooit lang te zoeken. Ik denk dan maar “Dat kun je toch zelf ook? Daar heb je geen hulp van anderen bij nodig.”
Het lijkt zo onvoorstelbaar en het zal mijn paranoia wel zijn, maar zoals de achterban van Geert zich zorgen maakt over mensen zoals ik, zo maak ik mij zorgen over hem en zijn achterban. Gelukkig maar dat er nog zo veel andere zaken zijn om je echt zorgen over te maken. Wat zal ik bijvoorbeeld voor een cadeautje kopen voor mijn vriendin Lilian en wanneer ga ik dat dan kopen? En wat als zij het niet mooi vindt? Als ik hier aan denk breekt mij het angstzweet uit.
Ik ken die stichtingen niet, maar ik kan mij wel voorstellen wat voor een enge mensen daar in zitten. Aan de buitenkant zie je misschien niets aan ze. Het zouden je buren kunnen zijn.
Maar wat er in die hoofdjes omgaat… Hou ze in de gaten, want ze willen bloed zien. Heel veel bloed.
Natuurlijk kloppen de kwalificaties over onze Geert.
Wetenschappers die onderzoek hebben gedaan in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, concludeerden dat Wilders extreem-rechts is en de sociale cohesie en democratie ondermijnt. Het is triest dat wat velen al vermoed hadden nu door een onderzoek wordt bevestigd. Geert Wilders is een griezel.
Hoewel hij zoals gewoonlijk weer luid begint te roepen dat hij wordt gedemoniseerd, vermoed ik dat hij zelf erg in zijn nopjes is met de onderzoeksresultaten.
Ik zie deze populist in gedachte ’s morgens met zijn blonde lokken voor de spiegel staan, terwijl hij zich afvraagt hoe hij politieke munt uit deze gratis publiciteit kan slaan.
Zijn groeiende achterban bestaat al lang niet meer alleen uit gefrustreerde analfabeten, want inmiddels zijn er ook mensen met een goede opleiding en een fatsoenlijke opvoeding, die menen in hem de redder te zien van dit langzaam in de Noordzee verdwijnende drooggelegde moeras. De geesten worden rijp gemaakt voor de Grote Afrekening.
Vrolijke liederen zingend marcheren ze over niet al te lange tijd door de straten van de grote steden en slaan hier en daar iemand die hen te lang aanstaart en passant in elkaar.
De democratie heeft wel vaker politieke leiders voort gebracht die zich als spreekbuis opwierpen van hen die om de een of andere reden genoeg hadden van de gevestigde orde. Om hen daarna naar de afgrond te leiden zodat zij nog verder van huis waren. Het lijkt wel of mensen steeds weer op zoek zijn naar een sterke man of vrouw die hen wel even nog dieper de stront in wil helpen. Meestal hoeven zij nooit lang te zoeken. Ik denk dan maar “Dat kun je toch zelf ook? Daar heb je geen hulp van anderen bij nodig.”
Het lijkt zo onvoorstelbaar en het zal mijn paranoia wel zijn, maar zoals de achterban van Geert zich zorgen maakt over mensen zoals ik, zo maak ik mij zorgen over hem en zijn achterban. Gelukkig maar dat er nog zo veel andere zaken zijn om je echt zorgen over te maken. Wat zal ik bijvoorbeeld voor een cadeautje kopen voor mijn vriendin Lilian en wanneer ga ik dat dan kopen? En wat als zij het niet mooi vindt? Als ik hier aan denk breekt mij het angstzweet uit.
04 november 2009
Vertraging.
Kom eens hier, zegt ze. De jonge blonde knul buigt zich gewillig naar haar toe, alsof hij verwacht dat zij hem een kus zal geven. In plaats daarvan pakt het spichtige meisje met het donkere sluike haar hem bij zijn kin vast. Hou je hoofd even stil, zegt ze gebiedend. Hij sluit zijn ogen, want hij weet blijkbaar al wat er komen gaat.
De toppen van haar wijsvingers rusten aan weerszijden van een pukkel met een witte kop in zijn nek. Zacht begint ze te duwen. De pukkel barst open en ze kraait van plezier. Dit ritueel herhaalt zich nog twee keer. Ik zit er gefascineerd naar te kijken. Ik zie hoe haar nagels in zijn weke huid staan. Ze is enthousiast op zoek naar nieuwe pukkels om uit te knijpen. Bah, wat een vieze mensen. Waar blijft de trein nou?
Heeft u een eurootje voor me? Een haveloos geklede lange man met een wilde blik in zijn ogen staart me aan en heeft zijn hand al uitgestoken. Deze keer niet, zeg ik hem. Nog bijna voordat ik uitgesproken ben heeft hij al iemand anders aangesproken.
Een jonge moeder loopt met een klein meisje aan haar hand langs de rand van het perron. Haar broertje doet of hij een koorddanser is en loopt met half dichtgeknepen ogen achter hen aan. Het ziet er griezelig uit. Het ventje is misschien vier of vijf jaar oud en als hij zijn evenwicht verliest dan kukelt hij geheid van het perron. Zo ver komt het gelukkig niet want een waakzame perronwachter grijpt in. In een paar stappen is hij bij het kind en spreekt de vrouw bestraffend toe. Ik kan niet verstaan wat hij zegt, maar als hij weg loopt geeft ze haar zoon een stevige draai om zijn oren. En die zet het prompt op een brullen.
Ik loop een stukje verder omdat ik niet zo dol ben op brullende kinderen en zie een aantrekkelijk en leuk gekleed meisje staan. Ouder dan achttien zal ze niet zijn. Haar rug is mooi recht en ze straalt energie uit. Echt zo’n type waaraan je niet ongemerkt voorbij kunt lopen. Ze staat op nog geen drie meter van mij vandaan en zit wat in een handtasje te rommelen. Dan heeft ze blijkbaar gevonden wat ze zocht en steekt ze tot mijn verbazing opeens een jointje aan. Het gebeurt zo onverwachts en ze doet dat op zo’n vanzelfsprekende wijze dat ik niet verhinderen kan dat ik moet lachen. Ze ziet mijn reactie en in haar ogen zie ik haar denken “wat moet ik hier mee?” Dan, als in een impuls, steekt ze haar hand uit en biedt ze mij een trekje aan. Met een kwartier vertraging rijdt de trein het station binnen. Het had van mij een half uur mogen zijn.
De toppen van haar wijsvingers rusten aan weerszijden van een pukkel met een witte kop in zijn nek. Zacht begint ze te duwen. De pukkel barst open en ze kraait van plezier. Dit ritueel herhaalt zich nog twee keer. Ik zit er gefascineerd naar te kijken. Ik zie hoe haar nagels in zijn weke huid staan. Ze is enthousiast op zoek naar nieuwe pukkels om uit te knijpen. Bah, wat een vieze mensen. Waar blijft de trein nou?
Heeft u een eurootje voor me? Een haveloos geklede lange man met een wilde blik in zijn ogen staart me aan en heeft zijn hand al uitgestoken. Deze keer niet, zeg ik hem. Nog bijna voordat ik uitgesproken ben heeft hij al iemand anders aangesproken.
Een jonge moeder loopt met een klein meisje aan haar hand langs de rand van het perron. Haar broertje doet of hij een koorddanser is en loopt met half dichtgeknepen ogen achter hen aan. Het ziet er griezelig uit. Het ventje is misschien vier of vijf jaar oud en als hij zijn evenwicht verliest dan kukelt hij geheid van het perron. Zo ver komt het gelukkig niet want een waakzame perronwachter grijpt in. In een paar stappen is hij bij het kind en spreekt de vrouw bestraffend toe. Ik kan niet verstaan wat hij zegt, maar als hij weg loopt geeft ze haar zoon een stevige draai om zijn oren. En die zet het prompt op een brullen.
Ik loop een stukje verder omdat ik niet zo dol ben op brullende kinderen en zie een aantrekkelijk en leuk gekleed meisje staan. Ouder dan achttien zal ze niet zijn. Haar rug is mooi recht en ze straalt energie uit. Echt zo’n type waaraan je niet ongemerkt voorbij kunt lopen. Ze staat op nog geen drie meter van mij vandaan en zit wat in een handtasje te rommelen. Dan heeft ze blijkbaar gevonden wat ze zocht en steekt ze tot mijn verbazing opeens een jointje aan. Het gebeurt zo onverwachts en ze doet dat op zo’n vanzelfsprekende wijze dat ik niet verhinderen kan dat ik moet lachen. Ze ziet mijn reactie en in haar ogen zie ik haar denken “wat moet ik hier mee?” Dan, als in een impuls, steekt ze haar hand uit en biedt ze mij een trekje aan. Met een kwartier vertraging rijdt de trein het station binnen. Het had van mij een half uur mogen zijn.
03 november 2009
Bang
Ik leef in een wereld vol bange mensen, denkt de kabouter. Telkens weer halen ze de voorpagina. Of ze nu homofobisch zijn zoals Emile Rateldoos of Islamofobisch zoals Wilde Geert, als je maar fobisch genoeg bent en een grote bek op zet dan is de media er als de kippen bij om je te citeren, te becommentariëren en je aan het kruis te nagelen of op een voetstuk te zetten.
Waar ben ik eigenlijk bang voor? Ja, natuurlijk dat de Grote Mensen op mij gaan staan of dat een hond op mijn hoofd schijt. Daar zijn alle kabouters bang voor.
Ik was vroeger bang dat een wezel mij uit mijn holletje zou jagen, maar sinds ik bij een oude schoolmeester op zolder woon heb ik die angst ook niet meer.
Wij kabouters hoeven niet bang te zijn voor andersgelovigen want we zijn allemaal zo atheïstisch als de pest, dus religieus fanatisme en religieuze kortzichtigheid kennen wij ook niet. Oké, we geloven in elfjes en er zijn genoeg kabouters die zweren bij hun baard dat ze wel eens een elfje hebben gezien. Maar daarover maken wij geen ruzie met elkaar.
Die schoolmeester waar ik woon is ook al zo’n bange man. Hij is bang voor zijn leerlingen, want die trekken zich niets aan van wat hij zegt. Ze blijven maar babbelen in de klas. Ik hoorde hem dat laatst tegen zijn vrouw zeggen. Hij kwam met rode ogen beneden en ze vroeg hem of hij geblowd had. En toen vertelde hij dat hij had gehuild en dat hij er echt niet meer tegen kon.”Die kinderen, ze maken me gek,” had hij met schorre stem geroepen.
“Laats was er een meisje dat moest nablijven. Ik laat haar naar het toilet gaan en wat denk je? Ze is weg, foetsie, er vandoor. De volgende dag heeft haar moeder haar ziek gemeld en mij verzocht om haar kind voortaan niet meer te laten nablijven maar eerst met haar te overleggen of dit wel uitkwam. Krankzinnig word je van die ouders…”
Ik zat onder de kast en geloof me, ik kreeg bijna medelijden met hem. Het is een man totaal zonder enig gezag of ruggengraat. Maar hij is wel gevoelig en niet onsympathiek.
Die vrouw van hem is ook zo’n bangerd. Hij schijnt laatst van zijn spaargeld een grote auto te hebben gekocht. Zij vond dat eigenlijk niet zo leuk want ze maakt zich erg veel zorgen over de toekomst. Wat geld achter de hand lijkt haar wel handig, maar hij zegt “We leven maar één keer” en koopt toch die auto. En nu zijn we een week verder en hij heeft er al weer spijt van. Beiden zijn bang voor de verpaupering van de wijk. Ze hebben hier overal bloembakken gezet en die schijnen kapot gemaakt te worden. “Het komt steeds dichterbij” hoorde ik haar laatst tegen hem zeggen. Ik denk dat “Het” één of ander monster is waar ze bang voor zijn.
Nee, ik kan nu niet bedenken waar ik bang voor ben. Maar er zal vast wel iets zijn, alleen moet ik dat nog ontdekken.
Waar ben ik eigenlijk bang voor? Ja, natuurlijk dat de Grote Mensen op mij gaan staan of dat een hond op mijn hoofd schijt. Daar zijn alle kabouters bang voor.
Ik was vroeger bang dat een wezel mij uit mijn holletje zou jagen, maar sinds ik bij een oude schoolmeester op zolder woon heb ik die angst ook niet meer.
Wij kabouters hoeven niet bang te zijn voor andersgelovigen want we zijn allemaal zo atheïstisch als de pest, dus religieus fanatisme en religieuze kortzichtigheid kennen wij ook niet. Oké, we geloven in elfjes en er zijn genoeg kabouters die zweren bij hun baard dat ze wel eens een elfje hebben gezien. Maar daarover maken wij geen ruzie met elkaar.
Die schoolmeester waar ik woon is ook al zo’n bange man. Hij is bang voor zijn leerlingen, want die trekken zich niets aan van wat hij zegt. Ze blijven maar babbelen in de klas. Ik hoorde hem dat laatst tegen zijn vrouw zeggen. Hij kwam met rode ogen beneden en ze vroeg hem of hij geblowd had. En toen vertelde hij dat hij had gehuild en dat hij er echt niet meer tegen kon.”Die kinderen, ze maken me gek,” had hij met schorre stem geroepen.
“Laats was er een meisje dat moest nablijven. Ik laat haar naar het toilet gaan en wat denk je? Ze is weg, foetsie, er vandoor. De volgende dag heeft haar moeder haar ziek gemeld en mij verzocht om haar kind voortaan niet meer te laten nablijven maar eerst met haar te overleggen of dit wel uitkwam. Krankzinnig word je van die ouders…”
Ik zat onder de kast en geloof me, ik kreeg bijna medelijden met hem. Het is een man totaal zonder enig gezag of ruggengraat. Maar hij is wel gevoelig en niet onsympathiek.
Die vrouw van hem is ook zo’n bangerd. Hij schijnt laatst van zijn spaargeld een grote auto te hebben gekocht. Zij vond dat eigenlijk niet zo leuk want ze maakt zich erg veel zorgen over de toekomst. Wat geld achter de hand lijkt haar wel handig, maar hij zegt “We leven maar één keer” en koopt toch die auto. En nu zijn we een week verder en hij heeft er al weer spijt van. Beiden zijn bang voor de verpaupering van de wijk. Ze hebben hier overal bloembakken gezet en die schijnen kapot gemaakt te worden. “Het komt steeds dichterbij” hoorde ik haar laatst tegen hem zeggen. Ik denk dat “Het” één of ander monster is waar ze bang voor zijn.
Nee, ik kan nu niet bedenken waar ik bang voor ben. Maar er zal vast wel iets zijn, alleen moet ik dat nog ontdekken.
02 november 2009
Impasse.
Hé Lucia, kijk eens naar mijn billen. Het donkere meisje op haar rode hakjes leunt licht naar voren, duwt haar billen naar achteren en draait zich een kwartslag om naar haar vriendin.
Oh, Angela, ze zijn weg, roept Lucia vol verbazing. Komt dat door de sportschool?
Angela grijnst. Drie keer per week een uurtje Zumba, meisje. Ik ben in twee maanden tijd bijna tien kilo kwijt geraakt. Het vet verdwijnt waar Zumba verschijnt. En ze schudt even wild met haar heupen.
Weet je wie er gisteren bij mij is komen slapen? vraagt Lucia. Joyce en haar nieuwe vriend.
Het hele bed stonk naar kut. Beiden schieten in de lach.
Daar kwam de tram. De dames duwen hem bijna ondersteboven als ze instappen. De deuren gaan dicht en hij blijft alleen achter bij de halte. Hij heeft nog geen besluit genomen. Als hij de volgende tram neemt dan kan hij nog ruim op tijd zijn. Maar eigenlijk overweegt hij om zich ziek te melden. Het is weliswaar niet zijn stijl maar hij ergert zich er aan dat bij het minste of geringste zijn collega’s ziek zijn. Hij weet bijna zeker dat ze dan gewoon geen zin hebben om te komen werken.
En met die Mexicaanse griep was het helemaal raak.
Zijn voeten lopen al weer in de richting van zijn huis. Hoewel hij het zelf nog niet door heeft, heeft hij al een besluit genomen.
Nadat hij zich ziek heeft gemeld kruipt hij achter de computer. Er is slechts één mailtje. Hij ziet dat het van de werkgroep is, die de wijk voor verpaupering wil behoeden. Hij weet dat de werkgroep uit drie goedwillende oudere mannen bestaat, die verder toch niets te doen hebben. Hij opent het mailtje en leest: Geachte wijkbewoners.
IN WAT VOOR EEN WIJK LEVEN WIJ ???????
Zoals jullie merken is er elke dag vernieling aan de plantenkuipen.
Elke morgen moeten wij een aantal planten en aarde terug zetten.
Als dit een probleem blijft dreigen de bakken te gaan verdwijnen.
Laten we allen attent zijn en proberen dit tegen te gaan.
Teleurgestelde werkgroep.
Hij schiet in de lach. Natuurlijk heeft hij dit zien aankomen. Wat hadden ze anders verwacht?
Zijn vrouw had hem al gevraagd of ze niet samen zo’n bak in de tuin konden zetten. Ze vond ze best mooi met al die bloemen en planten er in. Hij had haar uitgelegd dat ze dit als diefstal konden beschouwen en ze was er niet meer op terug gekomen.
Hij schenkt zichzelf een kop koffie in. Zijn vrouw is naar haar werk en komt pas vanmiddag thuis. Ze zal wel verbaasd zijn dat ik thuis ben, denkt hij. Maar misschien begrijpt ze het ook wel. Hij zit de laatste tijd niet zo goed in zijn vel en daarbij komt dat van hem verwacht wordt dat hij over enkele weken het toneelstuk klaar moet hebben dat ze altijd in januari voor de ouders opvoeren. En hij heeft nog geen idee waarover hij dit schrijven zal. Werkelijk geen idee.
Oh, Angela, ze zijn weg, roept Lucia vol verbazing. Komt dat door de sportschool?
Angela grijnst. Drie keer per week een uurtje Zumba, meisje. Ik ben in twee maanden tijd bijna tien kilo kwijt geraakt. Het vet verdwijnt waar Zumba verschijnt. En ze schudt even wild met haar heupen.
Weet je wie er gisteren bij mij is komen slapen? vraagt Lucia. Joyce en haar nieuwe vriend.
Het hele bed stonk naar kut. Beiden schieten in de lach.
Daar kwam de tram. De dames duwen hem bijna ondersteboven als ze instappen. De deuren gaan dicht en hij blijft alleen achter bij de halte. Hij heeft nog geen besluit genomen. Als hij de volgende tram neemt dan kan hij nog ruim op tijd zijn. Maar eigenlijk overweegt hij om zich ziek te melden. Het is weliswaar niet zijn stijl maar hij ergert zich er aan dat bij het minste of geringste zijn collega’s ziek zijn. Hij weet bijna zeker dat ze dan gewoon geen zin hebben om te komen werken.
En met die Mexicaanse griep was het helemaal raak.
Zijn voeten lopen al weer in de richting van zijn huis. Hoewel hij het zelf nog niet door heeft, heeft hij al een besluit genomen.
Nadat hij zich ziek heeft gemeld kruipt hij achter de computer. Er is slechts één mailtje. Hij ziet dat het van de werkgroep is, die de wijk voor verpaupering wil behoeden. Hij weet dat de werkgroep uit drie goedwillende oudere mannen bestaat, die verder toch niets te doen hebben. Hij opent het mailtje en leest: Geachte wijkbewoners.
IN WAT VOOR EEN WIJK LEVEN WIJ ???????
Zoals jullie merken is er elke dag vernieling aan de plantenkuipen.
Elke morgen moeten wij een aantal planten en aarde terug zetten.
Als dit een probleem blijft dreigen de bakken te gaan verdwijnen.
Laten we allen attent zijn en proberen dit tegen te gaan.
Teleurgestelde werkgroep.
Hij schiet in de lach. Natuurlijk heeft hij dit zien aankomen. Wat hadden ze anders verwacht?
Zijn vrouw had hem al gevraagd of ze niet samen zo’n bak in de tuin konden zetten. Ze vond ze best mooi met al die bloemen en planten er in. Hij had haar uitgelegd dat ze dit als diefstal konden beschouwen en ze was er niet meer op terug gekomen.
Hij schenkt zichzelf een kop koffie in. Zijn vrouw is naar haar werk en komt pas vanmiddag thuis. Ze zal wel verbaasd zijn dat ik thuis ben, denkt hij. Maar misschien begrijpt ze het ook wel. Hij zit de laatste tijd niet zo goed in zijn vel en daarbij komt dat van hem verwacht wordt dat hij over enkele weken het toneelstuk klaar moet hebben dat ze altijd in januari voor de ouders opvoeren. En hij heeft nog geen idee waarover hij dit schrijven zal. Werkelijk geen idee.
01 november 2009
Schijt aan de meester.
De docent loopt naar het raam. Het schemert en de lucht is donkergrijs. De straatlantaarns branden al. Het schoolplein is leeg en verlaten. Nog geen tien minuten geleden ging de bel. Als wilde beesten stormden de leerlingen het lokaal uit. De jongens elkaar stompend en scheldend, de meisjes elkaar duwend en met hoge gilstemmetjes.
Dag meester. Tot morgen meester. Eén van de jongens riep “Klootzak” maar hij kon niet achterhalen wie het was.
Nu zit nog slechts één leerling in de klas. Hij had haar verzocht om na te blijven omdat ze maar niet ophield met kletsen. Ze zit te schrijven. Honderd keer “Ik moet mijn mond houden in de klas als mij dat wordt gevraagd”.
Hoeveel regels heb je al, vraagt hij. Tien, meester, klinkt het timide. Ze is een langzame schrijfster. Het is nu kwart over vier. Dat wordt wel vijf uur vandaag. Hij heeft geen zin om nu de proeftoets al na te kijken. Dat doet hij straks thuis wel.
Hij had haar geen honderd maar vijftig regels moeten geven, denkt hij.
Ze steekt haar vinger op. Wat is er? Het klinkt norser dan hij bedoelt.
Mag ik even naar het toilet? Hij vindt het best. Wel opschieten, hoor, roept hij haar na als ze weg loopt. Hij kijkt naar haar strafwerk. In de laatste zin staat “Ik mot me mond houe in de kast als me dat word gevraagt”. De fouten beginnen al in de eerste zin en nemen toe bij de volgende zinnen. Hij weet dat ze geen sterke leerling is, maar dit had hij niet van haar verwacht. Ze zal wel van streek zijn door de situatie thuis, denkt hij. Daarom was ze natuurlijk ook zo druk in de klas vandaag. Moeder net gescheiden, vader die zo af toe nog langs kwam om haar klappen te geven, bemoeienissen van jeugdzorg en de school. Zo’n kind zit van alle kanten in de tang, denkt hij.
Hij slaakt een diepe zucht en denkt onwillekeurig weer terug aan gisteren. Toen had hij tot tien uur ’s morgens op het politiebureau gezeten omdat hij ’s nachts in zijn nieuwe wagen was aangehouden en bleek geen papieren bij zich te hebben. Hij had een waarschuwing gekregen omdat hij 0,4 promille alcohol in zijn bloed had gehad. Nog net binnen de toegestane wettelijke grenzen.
Zijn vrouw had hem opgehaald en hij had gelijk de bekeuring betaald van € 120,-
De rest van de zondag had ze op hem zitten vitten. Hoe hij zo stom had kunnen zijn om midden in de nacht…enzovoorts. Het was natuurlijk bezorgdheid van haar kant, maar leuk vond hij het niet.
Dat de agent die hem aangehouden had toevallig zijn buurman was had de zaak alleen maar vervelender gemaakt. Natuurlijk had hij gewoon zijn werk gedaan, al leek het wel of hij er lol in had gehad om hem op de bon te slingeren. Maar met de rosse doorzichtige duster van zijn vrouw aan had hij er natuurlijk wel bespottelijk uit gezien.
Waar blijft ze nou? denkt hij.Ze is nu al bijna tien minuten weg. Hij gaat de gang op. Achterin zijn de toiletten. Hij wandelt er rustig naar toe en roept dan haar naam. Het blijft doodstil. Hij roept nu wat harder maar er volgt geen reactie. Hij klopt op de deur maar er gebeurt niets.
Uiteindelijk doet hij de deur open en ziet tot zijn verbazing dat er niemand is.
Ze zal toch niet zijn weg gegaan? denkt hij. Hij ziet dat er aan de kapstok geen jassen meer hangen. Ze is gewoon weg gegaan, denkt hij. Schijt aan de meester.
Hij pakt zijn tas in en ziet het zakje met brood zitten dat hij vergeten is. Het plastic is gescheurd en de stroop is door het zakje gelekt en zit nu aan de binnenkant van zijn tas.
Alles is kleverig. Met een vies gezicht maakt hij zijn tas leeg, veegt alles schoon met een nat doekje en pakt dan zijn tas opnieuw in. Het is nu bijna vijf uur. Er zal nu wel een file staan, denkt hij. Ik zal maar even bellen om te zeggen dat ik pas om zes uur thuis ben.
Dag meester. Tot morgen meester. Eén van de jongens riep “Klootzak” maar hij kon niet achterhalen wie het was.
Nu zit nog slechts één leerling in de klas. Hij had haar verzocht om na te blijven omdat ze maar niet ophield met kletsen. Ze zit te schrijven. Honderd keer “Ik moet mijn mond houden in de klas als mij dat wordt gevraagd”.
Hoeveel regels heb je al, vraagt hij. Tien, meester, klinkt het timide. Ze is een langzame schrijfster. Het is nu kwart over vier. Dat wordt wel vijf uur vandaag. Hij heeft geen zin om nu de proeftoets al na te kijken. Dat doet hij straks thuis wel.
Hij had haar geen honderd maar vijftig regels moeten geven, denkt hij.
Ze steekt haar vinger op. Wat is er? Het klinkt norser dan hij bedoelt.
Mag ik even naar het toilet? Hij vindt het best. Wel opschieten, hoor, roept hij haar na als ze weg loopt. Hij kijkt naar haar strafwerk. In de laatste zin staat “Ik mot me mond houe in de kast als me dat word gevraagt”. De fouten beginnen al in de eerste zin en nemen toe bij de volgende zinnen. Hij weet dat ze geen sterke leerling is, maar dit had hij niet van haar verwacht. Ze zal wel van streek zijn door de situatie thuis, denkt hij. Daarom was ze natuurlijk ook zo druk in de klas vandaag. Moeder net gescheiden, vader die zo af toe nog langs kwam om haar klappen te geven, bemoeienissen van jeugdzorg en de school. Zo’n kind zit van alle kanten in de tang, denkt hij.
Hij slaakt een diepe zucht en denkt onwillekeurig weer terug aan gisteren. Toen had hij tot tien uur ’s morgens op het politiebureau gezeten omdat hij ’s nachts in zijn nieuwe wagen was aangehouden en bleek geen papieren bij zich te hebben. Hij had een waarschuwing gekregen omdat hij 0,4 promille alcohol in zijn bloed had gehad. Nog net binnen de toegestane wettelijke grenzen.
Zijn vrouw had hem opgehaald en hij had gelijk de bekeuring betaald van € 120,-
De rest van de zondag had ze op hem zitten vitten. Hoe hij zo stom had kunnen zijn om midden in de nacht…enzovoorts. Het was natuurlijk bezorgdheid van haar kant, maar leuk vond hij het niet.
Dat de agent die hem aangehouden had toevallig zijn buurman was had de zaak alleen maar vervelender gemaakt. Natuurlijk had hij gewoon zijn werk gedaan, al leek het wel of hij er lol in had gehad om hem op de bon te slingeren. Maar met de rosse doorzichtige duster van zijn vrouw aan had hij er natuurlijk wel bespottelijk uit gezien.
Waar blijft ze nou? denkt hij.Ze is nu al bijna tien minuten weg. Hij gaat de gang op. Achterin zijn de toiletten. Hij wandelt er rustig naar toe en roept dan haar naam. Het blijft doodstil. Hij roept nu wat harder maar er volgt geen reactie. Hij klopt op de deur maar er gebeurt niets.
Uiteindelijk doet hij de deur open en ziet tot zijn verbazing dat er niemand is.
Ze zal toch niet zijn weg gegaan? denkt hij. Hij ziet dat er aan de kapstok geen jassen meer hangen. Ze is gewoon weg gegaan, denkt hij. Schijt aan de meester.
Hij pakt zijn tas in en ziet het zakje met brood zitten dat hij vergeten is. Het plastic is gescheurd en de stroop is door het zakje gelekt en zit nu aan de binnenkant van zijn tas.
Alles is kleverig. Met een vies gezicht maakt hij zijn tas leeg, veegt alles schoon met een nat doekje en pakt dan zijn tas opnieuw in. Het is nu bijna vijf uur. Er zal nu wel een file staan, denkt hij. Ik zal maar even bellen om te zeggen dat ik pas om zes uur thuis ben.
Abonneren op:
Reacties (Atom)