Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

26 september 2009

Het mobieltje

Dit stukje gaat over een klein stukje techniek dat de levens van velen in de afgelopen jaren ingrijpend heeft veranderd.
Er zijn leerlingen van mij die, als zij bij aankomst op school ontdekken dat zij hun mobieltje zijn vergeten, weer linea recta naar huis gaan om deze alsnog te halen. Daar aangekomen besluiten ze dan vaak om helemaal niet meer naar school te gaan.
Ja, de moderne mens wil overal bereikt kunnen worden en anderen kunnen bereiken. Alleen zijn is voor hem of haar onverdraaglijk. Maar voor multitasking kan het hebben van een mobieltje zeker handig zijn.

Ja, ik loopt nu langs de fietsenstalling. Nee, ik ziet niemand. Gaat Ingrid ook mee? Hoezo lekker wijf? Moment. Wat vind je van een groene fiets?
Moet-ie persé blauw zijn? Kijkt even mee. Niet wat je zoekt? Ik kijkt nog even verder. Een zwarte dan? Oké, dan wordt het gewoon blauw.
Waarom gaat ze niet mee? Ik zal ze nog wel bellen. Nee, de vorige keer was ik echt verliefd. Ja, natuurlijk was ik ook geil.
Daar staat je nieuwe fiets. Nee, je mag nu niet meekijken. Gewoon, het moet een verrassing blijven. Dus ik belt Ingrid wel, oké? Ik ziet je vanavond.


Vind je het ook zo leuk als er telefoon gaat in de trein en zo'n drie mensen graaien tegelijk haastig in hun tas, alleen om te ontdekken dat slechts één van hen wordt gebeld? Die opgelaten blikken. Mooi toch?
Mijn mobieltje heb ik altijd bij me en deze staat nooit aan. Ik wil niet gebeld worden maar wil wel zelf kunnen bellen als het echt nodig is. Als ik bijvoorbeeld het stage-adres niet vinden kan waar ik naar op zoek ben of als ik te laat op een afspraak dreig te komen. Meer dan €15 bel ik niet per jaar.

Dat het mobieltje ook de relaties heeft veranderd blijkt uit het feit dat partners regelmatig stiekem elkaars mobieltjes controleren. Verwachten ze daarmee de ander op overspel te betrappen? Als ik echt iets te verbergen had zou ik gewoon een tweede mobieltje aanschaffen. Prepaid natuurlijk. Daar zijn anderen natuurlijk ook al lang achter.
Sinds kort zijn er mobieltjes in de vorm van een dildo. Ook deze zijn geschikt voor multitasking. Mij is verteld dat vrouwen de voorkeur geven aan zo'n telefoon boven een leuke ketting. En die meiden elkaar maar bellen. Vraag ik je: wat is er van de gezellige koffie en theekransjes geworden?

24 september 2009

Briefwisseling 2 (Een coproductie van Theo en John)

Ha die Theo,
je hebt helemaal gelijk. We zijn twee vieze oude mannen geworden. Laten we er maar van genieten. Natuurlijk is het waar dat zowel jij en ik hem alleen nog maar in de lucht kunnen krijgen met Viagra. Maar wat geeft dat. Beter één zwaluw in de lucht dan tien op het nest, zeg ik maar. Onze vogeltjes kunnen nog prima vliegen. Mits ze maar gesnoept hebben van het krachtvoer. Het had fijn geweest als we in onze jonge jaren deze pilletjes ook hadden gehad. Het zou goed samen zijn gegaan met de andere pilletjes die we toen slikten. Die jonge mensen van nu boffen maar.
Ik ken wel kerels die net zo oud zijn als wij en die beweren dat ze maar aan hun moeder hoeven te denken of hij begint al te steigeren. Maar ja, controleren kan je dat natuurlijk nooit. Wat dat betreft had Freud natuurlijk wel gelijk. Al blijft het een taboe om dat aan de kaak te stellen.
Gisteren was ik zo moe dat ik al in slaap was gevallen toen Paula nog onder de douche stond. De leeftijd, hè.
Ik was de hele avond met mijn postzegels bezig geweest en dat vraagt veel concentratie. Maar ik vertel je niks nieuws. Heb jij trouwens die laatste serie over de molens van Nederland nog aangeschaft? Zo niet, doen. Die wordt goud waard.
Nou, ik ga maar eens pitten. Het is half elf en morgen moet ik weer vroeg op.
Ik moet alleen nog even de vuilniszak buiten zetten. De hond heb ik al uitgelaten.
Hé, ouwe rukker. Het was fijn om weer even van je gehoord te hebben.
Als je weer eens naar een dansvoorstelling gaat moet je het maar zeggen. Als ik dan tijd heb ga ik met je mee.

je John

Briefwisseling (een coproductie van Theo en John)

Amice. Met genoegen lees ik de vulgaire stukjes die jij schrijft. Ga hier alsjeblieft mee door.
Om de goede vriendschap met één van mijn liefste vriendinnen niet te verstoren ga ik zo af en toe eens naar één van haar voorstellingen. Zij is choreografe en zeer bekend in eigen kring.
Gisteren was ik weer eens de lul en werd ik opnieuw gegijzeld door een stel jeugdige danseresjes. Bij het zien van al die schaars geklede leuke,vlotte jonge mensen die zich zo in het zweet werkten kreeg ik warme gevoelens in mijn onderbuik. Dertig jaar geleden zou ik hen hier dankbaar voor zijn geweest, maar inmiddels ben ik ook de jongste niet meer en ik kan je verzekeren dat het geen pretje is om een erectie te hebben en hier met mijn handen van af te moeten blijven. Na een klein uurtje onrustig heen en weer geschuif op een ongemakkelijke houten stoel gaat dit verdomde zeer doen. Het is nu eenmaal zo dat met het ouder worden je niet geheel meer de controle hebt over je wippert. Jij zelf schijnt dat geen probleem te vinden omdat jij hier nooit de controle over hebt gehad. Vreselijk gewoon.
Dansen heb ik vroeger altijd leuk gevonden, maar tegenwoordig dans ik alleen nog maar in mijn eentje op zolder in mijn badjas met daar onder alleen mezelf.
Maar mijn lieve vrouw is dansend geboren. Ze hoeft maar een lekker ritme te horen en ze gaat tekeer als een wilde. Zij voert nog regelmatig paringsdansjes voor mij op en dan voel ik me weer de wilde hengst van veertig jaar geleden…

Overigens is het kijken naar een dansvoorstelling niets vergeleken met het kijken naar een saaie amateur toneelvoorstelling, gespeeld door mensen die de uitstraling en het enthousiasme hebben van een kilo suiker. Want ik word zo af en toe ook uitgenodigd om daar mee naar toe te gaan.
Bij zo’n verplicht nummer krijg ik geen erectie maar voelt het alsof men een splinter in mijn anus heeft geslagen. Wat krijg ik daar een jeuk van.
Maar goed, alles beter dan vrienden te hebben die je alleen ziet bij de jaarlijkse barbecue, waar ik als vegetariër natuurlijk een godsgruwelijke hekel aan heb.
De enige manier om het nog een beetje naar mijn zin te hebben bij dat soort mensen, die zich inmiddels bijna allemaal uit mijn kennissenkring hebben terug getrokken, is door mij stevig te bezatten en de vrouw des huizes vervolgens vrijmoedig te betasten. Zo raak je hen vanzelf wel kwijt. Nee, dan verkeer ik liever in het gezelschap van mensen die tenminste een poging doen om nog wat van hun leven te maken.
Ik begreep van jou dat jouw vrouw tegenwoordig regelmatig op haar rug in de huiskamer ligt om daar haar buik en rugoefeningetjes te doen. Vertel mij eens, raak jij hierdoor opgewonden? Of word je hier slechts droevig van?
Doet ze dit in haar blote kont of in een mooie zwarte beha met bijpassende onderbroek en jarretelgordeltjes met kanten kousen? Of draagt ze hierbij zo’n trainingspak waarin ik mijn buurvrouw vaak tegen kom als zij de hond gaat uitlaten? Toe, wees eens eerlijk. Mij kun je gerust vertellen wat dit met je doet.
Terwijl ik jou dit schrijf zit mijn meisje samen met een andere goede vriendin beneden in de huiskamer een glaasje wijn te drinken. Ik ruik de wierook die ze hebben aangestoken en voel hoe mijn handen in de bioscoopzakken van mijn veel te grote trainingsbroek vanzelf op zoek gaan naar enig houvast. Ik roep ze tot de orde maar het is helaas te laat. Ze luisteren niet meer.
Amice, het was fijn om weer eens een gezellige ouderwetse geile uitwisseling te hebben van wat mij en jou bezig houdt. Beiden zijn wij geworden wat ons door vroegere vriendinnetjes en vriendjes reeds was voorspeld. Gewoon twee vieze oude mannen.

Je Theo.

23 september 2009

De receptie.

De receptie van de uit het oog verloren collega was goed verzorgd. In haar afscheidstoespraak vertelde zij op humoristische wijze een sprookje waarin zij de schaalvergroting in het onderwijs met de bijbehorende onderwijskundige veranderingen hekelde. Het was mij echter iets te lief.
Liever had ik gezien dat zij een horrorverhaal had verteld, waarin dolgedraaide leerlingen slaags raken met geflipte docenten en onderwijsmanagers om hierna tot bezetting over te gaan van de levenloze en mensonvriendelijke fabriekscomplexen waarin zij nu worden voorbereid op een plekje bijna onderaan de ladder in de samenleving of waarin zij studeren voor een diploma waarin niemand tijdens een recessie interesse heeft.
Ik had gevloek willen horen en haar willen zien schuimbekken van woede over de jarenlange frustraties over de bezuinigingen, het alom tegenwoordige mismanagement en de megalomane waanvoorstellingen van bestuurders die zeggen dat zij er wel even voor zullen zorgen dat Nederland als een internationaal concurrerende kenniseconomie op de kaart zal worden gezet. Slopers, dat waren het en dat zijn het nog steeds, had ik haar horen willen roepen.
Ik had haar paars willen zien aanlopen met het stoom spuitend uit haar oren. Ik had haar horen willen vloeken en tieren omdat zij van dichtbij heeft meegemaakt hoe generatie na generatie werd verkloot omdat agressieve volwassenen die beter zouden moeten weten zonodig de ene na de andere onderwijsvernieuwing door de strot van andere bange volwassenen moesten persen, bang voor hun management zo stond in de kranten te lezen.
Hier had zij een kans om glazen en borden aan scherven te smijten, volle karaffen met rode wijn over de colbertjes van het aanwezige management te gooien, ze te bekogelen met de gore borrelhapjes die je alleen aan gasten voorzet die je nooit meer terug wil zien. Zij had zich onvergetelijk kunnen maken.
Er klonk een welverdiend applaus voor haar verhaal waarmee zij op waardige manier nog even haar verontwaardiging met ons deelde. Maar echt, het had zoveel mooier kunnen zijn.

22 september 2009

Een gewone dag

Voor mezelf is het vandaag geen spannende maar wel weer een drukke dag geweest. Het afnemen van mondelinge examens kostte mij gisteren veel voorbereidingstijd en het voeren van de gesprekken vandaag behoorlijk veel concentratie. Gelukkig konden we de kandidaten feliciteren met het door hun behaalde resultaat.
Morgen heb ik aan het eind van de dag aan de Kralingse Plas bij “De tuin” een afscheidsreceptie van een lieve collega, die ik al zo’n drie jaar uit het oog was verloren omdat zij elders zat, maar die mij tot mijn aangename verbazing blijkbaar niet is vergeten.
Vrijdagavond vier ik met mijn dochters en met Paula mijn verjaardag in hetzelfde Thaise restaurant waar ik eerder zo hoog van op gaf. Mijn zoon Jasper zit dan met zijn vriendin op Kreta.
Zondag gaan Paula en ik naar de Efteling, waar ik een aantal aardige mensen hoop te zien die ik bij Buitenkunst heb ontmoet.
Ik ben er al in geen jaren geweest, wat wel wat zegt over mijn liefde voor pretparken.
De hele volgende week zit ik in Ouddorp met collega’s en leerlingen in een bungalowpark van Sporthuis Centrum. Dit ligt zo’n 500 meter van het strand en er schijnt ook een tropisch zwemparadijs te zijn. De betaling van mijn salaris gaat gewoon door in die week.
Zo’n werkweek ervaar ik altijd als een kleine vakantie. Er zijn lulliger baantjes.
Van het bijhouden van dit blog komt dan niets terecht, maar ik beloof na afloop op mijn manier verslag te doen van de week. Op voorhand zeg ik al dat ik hierbij al mijn aanwezige collega’s zal ontzien. Zij hoeven zich dus geen zorgen te maken als zij dit mochten lezen.
Sommige van mijn leerlingen lezen dit blog ook en dat is al erg genoeg. Zij raken soms helemaal in de war van mijn verhaaltjes en weten droom en werkelijkheid niet altijd uit elkaar te houden. Ik wil bovendien niet al mijn kruit verschieten en bewaar de vele anekdotes waar ik verslag van zou kunnen doen voor een verre toekomst.
Na dit gezegd te hebben besef ik dat het door deze zelfcensuur wel een heel braaf verslag zal worden. Maar zoals ik elders reeds schreef: je moet niet altijd geloven wat er staat.
Het grote wereldnieuws gaat natuurlijk over de naderende klimaattop in december. Als raspessimist verwacht ik er niets van en lijkt het mij verstandig om een paar extra zwemlessen te nemen als je hier in de randstad woont. Anderzijds zou een zwembad in onze tuin ook niet verkeerd zijn. Ja, er wachten ons nog veel problemen, maar gelukkig zullen hiermee sommige andere problemen ook worden opgelost. Ik denk hierbij met name aan de overbevolking. Een geboorteoverschot van 3 per seconde kan ons moedertje aarde nu eenmaal niet hebben. Daar is zij te klein voor.
In een opmerkelijk bericht in de krant van vandaag las ik over een vrouw die met haar vinger in haar afwasmachine was vast komen te zitten. Uiteindelijk moest deze geworden gedemonteerd om haar te bevrijden. Niet zo gênant als dat verhaal over die man die met zijn lul in een ijzeren zeskantmoer vast zat. Uiterst pijnlijk en niet goed uit te leggen aan je partner, lijkt me.

21 september 2009

Leuk, maar nu even niet.

Eindelijk even geen strontvliegen en Thaise avonturen meer. Dit komt goed uit want ineens heb ik het echt druk. Dat komt ook wel eens voor in het onderwijs. Natuurlijk gaat dat ten koste van een aantal dingen die ik leuk vind, maar het is nu even niet anders. Morgen is het misschien weer anders. Elk leven kent tenslotte zijn ups en downs.

20 september 2009

14. Thaise avonturen. 5. Genaaid.

Na een kwartiertje varen begon het te regenen. Dit was normaal voor het seizoen.
De verwachting was dat het na enkele uurtjes weer zou opklaren.
De zee was asgrauw en we zaten onder een zeiltje mistroostig voor ons uit te staren over het rimpelige water. De regensluier had onze wereld veranderd in een viskom en ik begreep nu pas waarom goudvissen altijd een zeer beperkte kijk op het leven hebben. Als je zo weinig kunt zien is het moeilijk om te begrijpen dat de wereld meer te bieden heeft.
Het voelde voor mij aan alsof wij op ons bootje de enige overlevenden waren van een grote ramp, op zoek naar een veilige haven. Deze hadden wij echter net verlaten en ik hoopte maar dat de visser die ons had meegenomen de wateren met zijn ondiepten goed kende.
Gelukkig bleek dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. Uit de grijze nevel doemde onverwachts het donkere silhouet van een rotsachtig eiland op en op zo’n vijftig meter daarvandaan gooide de visser het anker uit. Ik keek over de railing en zag dat er een stevige stroming stond.

Dit is de plek, verzekerde Joep mij. Paula was er bij komen staan. Gaan we hier duiken?, vroeg ze. Het lijkt me hier niet ongevaarlijk. We begrepen dat de tijd gekomen was om haar bij te praten. Toen Joep haar zijn verhaal had verteld schudde ze haar hoofd.
Als wij hier gaan duiken gebeuren er ongelukken. De stroming is veel te sterk.
Joep verzekerde ons dat over een uurtje de stroming zou afnemen bij het wisselen van het tij. We zouden dan een half uurtje hebben om te duiken. Voor de zekerheid zouden we ons vast moeten maken aan een lange lijn, die Joep had meegenomen.
Ook de anderen hadden meegeluisterd en het leek dat zij door de vooruitzichten op het mogelijk vinden van een schat een beetje opgewonden waren geraakt, ook al zouden Paula en ik als enigen het water in gaan.
Theo besloot op zijn manier een bijdrage te leveren. Hij had het bizarre vermogen om zichzelf in trance te brengen en kreeg daardoor toegang tot een soort van kosmisch bewustzijn. Mogelijk is dat hetzelfde als het Akasha archief. Voorwaarde was dat hij in een staat van opwinding gebracht moest worden. Het verhaal over de schat had hem reeds in die staat gebracht, want hij zat met grote bolle ogen en zacht voor zich uit prevelend naar het water te staren. Alsof er een magneet aan hem trok.
Resoluut draaide hij zich opeens naar ons toe. Hier is het, zei hij plechtig. Ik voel het aan mijn water, waarna hij naar de achtersteven liep om over de railing te piesen.
Yvonne bevestigde ons dat Theo met zijn gevoel bijna nooit fout zat en toen even later de stroming langzaam afnam en uiteindelijk helemaal stil kwam te liggen was Paula gelukkig overtuigd. We trokken onze pakken aan, maakten ons vast aan het touw en lieten ons in het water zakken. Inmiddels was het gestopt met regenen en brak hier en daar de zon door het wolkendek heen. Toen we naar beneden doken waaierden lichtbundels als zoeklichten uit en zorgden voor een adembenemend schouwspel.
Het water was zo’n vijftien meter diep, kristalhelder en had een aangename temperatuur. Kort gezegd, Paula en ik genoten. We wisten dat we maar een half uur hadden, met de decompressietijd meegerekend, en daarom niet meer dan een kwartier om de bodem af te zoeken. Al heel snel zagen we de contouren van diverse uiteen gereten scheepswrakken die hier blijkbaar door de stroming naar toe waren gevoerd. Het zag er fascinerend uit.
Paula wees op een wrak dat haar aandacht getrokken had. Het wrak zat ingeklemd tussen twee rotsen en ik vermoedde dat dit de reden was waarom het nog niet uit elkaar was getrokken door de stroming. Het zag er nog redelijk intact uit en daarom besloten we dat als eerste te onderzoeken. Niet dat we echt de verwachting hadden om iets te vinden, maar we moesten toch ergens beginnen.
Via een fors gat in de romp zwom ik voorzichtig naar binnen en bescheen met mijn lamp de binnenkant. Bijna gelijk zag ik de schedel van een mens liggen in een laagje zand op de bodem. Naast de schedel stak iets hoekigs uit het zand omhoog. Ik wrikte het voorzichtig los. Het bleek een Samsonite koffer te zijn. Deze was onbeschadigd. Hoewel we hier niet naar op zoek waren leek het mij geen kwaad kunnen om de koffer mee te nemen.
Ik maakte Paula duidelijk dat er verder niets bijzonders te vinden was in het wrak en toen ik op mijn klokje zag dat er 15 minuten voorbij waren zwommen we beiden naar boven. De stroming nam weer toe en langer in het water blijven leek ons niet verantwoord.
Toen we uiteindelijk aan dek stonden, de blauwe koffer naast ons en iedereen opgewonden over onze vondst, ontging het mij niet dat Joep van ons allen de meeste moeite had om zijn opwinding onder controle te houden. Gewoonlijk straalde hij een en al rust uit, maar nu liep hij bijna te dansen alsof er een pepertje in zijn hol zat.
Met moeite slaagde hij er in om zijn geduld te bewaren tot wij weer waren omgekleed. Nee, hij vond het niet erg dat we de gouden Boeddha niet gevonden hadden. Het zou hem werkelijk verbaasd hebben als dit wel het geval zou zijn geweest. Er was immers helemaal geen sprake van een gouden Boeddha. Het was deze koffer waar hij werkelijk naar op zoek was geweest en hij beschouwde het als een klein wonder dat wij hem al bij onze eerste duik gevonden hadden. Zijn berekeningen bleken helemaal te kloppen. Door de sterke stroming werden al de wrakken voor de kust naar deze plek toe gevoerd. Daarom stond het gebied bekend als interessant voor duikers maar ook als levensgevaarlijk. Duiken was slechts twee keer per etmaal mogelijk en langer dan een half uur onder water was hier regelrechte zelfmoord. Paula en ik stonden perplex van de ongedwongenheid waarop hij dit allemaal aan ons op biechtte. Het was gelukkig allemaal goed gegaan en wij vroegen ons natuurlijk af wat er nu zo belangrijk aan onze vondst was dat hij bereid was geweest zulke risico’s te nemen met onze levens. Ik realiseerde mij opeens dat die AIVD-ers bereid waren om over lijken te gaan en die lieve Joep met zijn vriendelijke blik was hierop helaas geen uitzondering.
Natuurlijk wist ik niet dat ook de anderen in het complot zaten want zij zaten, zoals sommigen weten, allemaal bij de AIVD. Ik had dan ook destijds maar een klein stukje van het verhaal gehoord van mijn broer, die ook lid was van deze club.
Als ik het wel had geweten was ik niet eens bij Joep en zijn mooie Thaise langs gegaan. Mijn God, wat voelde ik mij genaaid. Paula wist niets van dit alles. Zij dacht slechts dat Joep een of andere malloot was, maar omdat ze hier niets verder achter zocht maakte ze zich niet al te druk.
Ik vermoedde dat er geheime documenten in de koffer zaten. En kon niet laten om dit te zeggen. Hoewel ik het niet leuk vond om gebruikt te worden door de AIVD kon ik mij wel voorstellen dat zij soms burgers als Paula en ik voor hun karretjes spanden. Tenslotte waren wij volkomen ongevaarlijk voor hen en hadden wij alle reden om onze mond te houden.
Geheime documenten? Theo barste in lachen uit. Joep grinnikte. Had ik iets doms gezegd?
Joep legde de koffer op zijn kant. Met een schroevendraaier bewerkte hij vakkundig het slot en binnen enkele minuten had hij dit open.
We keken met z’n allen met belangstelling toe. Als er geen documenten in zaten wat dan wel? Coke? Diamanten? Werkelijk, ik had geen idee. Ja, zij wisten het, maar dat maakte hen niet minder nieuwsgierig.
Joep vouwde de koffer open. Deze bleek waterdicht te zijn. Niet één druppel was er naar binnen gedrongen. In de koffer zaten zes albums en een grote hoeveelheid losse plastic zakjes. Ik keek nog eens goed en kon mijn ogen niet geloven. Postzegels, een koffer vol met postzegels. Paula en ik hadden ons leven gewaagd voor postzegels en, naar wat later bleek, suikerzakjes. Want deze zaten in de losse plastic zakjes. Ik voelde mij duizelig worden en ging even zitten.
Joep vertelde dat zijn vroegere buurman net als hij een enthousiaste verzamelaar van suikerzakjes en postzegels was. Hij dreef hier een levendige handel in en ging regelmatig met zijn boot de kustplaatsen langs om postzegels en suikerzakjes te ruilen en te verkopen. De dag vóór de tsunami had hij Joep laten zien waar deze keer zijn handelswaar uit bestond. Likkebaardend had Joep deze bekeken en zichzelf vervloekt dat hij voor de AIVD werkte. Met zijn schamele loontje zou hij nooit, maar dan ook nooit een verzameling kunnen aanleggen zoals zijn buurman die had.
Op de dag van de tsunami was hij zoals gewoonlijk met zijn blauwe koffer vertrokken. De rest was geschiedenis. Nu, vijf jaar later, was de koffer van zijn vroegere buurman eindelijk in zijn bezit gekomen. Nooit eerder had hij zoveel voldoening ervaren.
Nadat hij Paula en mij zijn verhaal, dat bij de anderen al bekend was, had verteld, sloot hij mij in zijn armen.
Het spijt me oprecht dat ik jullie twee zo heb gebruikt, maar ik zag geen andere mogelijkheid, zei hij. Paula en jij hebben mij tot de gelukkigste mens ter wereld gemaakt. De anderen keken ontroerd toe. Het was geweldig om een collega zo blij te zien.

We bleven nog één nacht bij Kunika en Joep slapen. Theo en Yvonne hadden ons thuis gebracht en waren al snel hierna weer vertrokken.
Ik was bezig met het inpakken van onze koffers toen Joep opeens in de slaapkamer stond. In zijn hand had hij iets wat leek op een doek, maar toen hij deze uitvouwde bleek het een lange onderbroek te zijn.
Ik wil dat je deze meeneemt, zei hij. Ik weet dat het vreemd klinkt en dat je denkt dat ik niet helder in mijn hoofd ben, maar ik heb nu eenmaal iets met lange onderbroeken. Hebben wij niet allemaal onze eigenaardigheden? Nee, neem maar rustig aan. Hij is gewassen.
Ik zag hem even aarzelen. Toen zei hij: Als je het echt bezwaarlijk vindt geef mij dan een onderbroek van jou. Het is niet erg als deze vuil is.
Ik heb zijn onderbroek aangenomen want hij keek zo vreemd uit zijn ogen en eerlijk gezegd weet ik niet hoe hij zou hebben gereageerd als ik geweigerd had.
Natuurlijk heb ik hem weggegooid zodra ik hiertoe een kans zag. De onderbroeken van Paula en mij vond hij te gewoontjes, dus die heb ik gewoon ingepakt. Hij bracht ons samen met Kunika naar het vliegveld, waar hij afscheid van ons nam. We zijn nog twee weken in Thailand geweest, maar gedoken hebben we niet meer in die vakantie.

Dat was een lang en spannend verhaal, zeg ik hem. Als strontvlieg kan ik heel goed begrijpen waarom hij zo verzot was op onderbroeken. Ik ben er zelf ook dol op.
De oude man haalt plotseling naar mij uit en ik kan nog net wegvliegen. Geschrokken ga ik op een hoekje van de tafel zitten.
Waarvoor was dat nodig, vraag ik hem boos. Mag ik geen begrip tonen voor iemand die dezelfde smaak heeft als ik?
Sorry,
zegt de oude man. Verschoven agressie. Ik neem het je niet kwalijk dat je het voor Joep opneemt. Maar als ik terugdenk aan wat er is gebeurd voel ik mijn bloeddruk stijgen.
Geeft niet,
reageer ik. Daar heb ik begrip voor. Ik vind dat jij en ik een leuke tijd samen hebben gehad en we hebben volgens mij veel van elkaar geleerd. Niets is wat het lijkt, zeg ik altijd maar. Nu wordt het tijd voor mij om aan mijn toekomst te denken. We zitten hier vlak bij de polder en ik verwacht dat ik daar wel een goede koeienvlaai en enkele dametjes kan vinden, waarmee ik voor mijn nageslacht kan zorgen. Echt, het was een leuke tijd, maar nu moet ik gaan.
Omdat ik de oude man geen hand kan geven druk ik mijn achterste even tegen zijn wang aan.
Het ga je goed, zegt de oude man. Als je in de buurt mocht zijn kom dan weer even langs. Ik stijg op en vlieg door het bovenlicht naar buiten. Nieuwe avonturen tegemoet.

Intermezzo: Even vertellen hoe blij ik ben.

Op sommige dagen, en dit is er één van, is het goed om je zegeningen te tellen. De zon schijnt, het is aangenaam warm in de tuin, de cola is koud, de tuinstoel staat zo afgesteld dat je lichaam geen hinder ondervindt van de zwaartekracht en zich heerlijk kan ontspannen, alle weekendklusjes zitten er blijkbaar even op want nergens wordt getimmerd, gezaagd of geboord, blaffende honden of jankende kinderen zitten op een andere planeet en er ligt een grote stapel boeken op tafel die we gisteren op de lokale boekenmarkt hebben buit gemaakt.
Goed, er is regen en onweer voorspeld, maar dat is pas vanavond. Meestal gaat dat gepaard met spannende luchten en bij ons in de polder kun je dat geen straf noemen.
De film waar Paula en ik gisteravond naar toe zijn geweest is een absolute aanrader voor iedereen die van Engelse films houdt die gaan over het leven van de ‘gewone’ man.
Hier neem ik even integraal de recensie over:

Ook als je niet van voetbal houdt, is ‘Looking for Eric' een fantastische film. Eric Cantona is heerlijk zichzelf in de film en trekt parallellen vanuit het voetbal naar het leven van hoofdpersoon Eric (Steve Evets), maar ‘Looking for Eric' is voornamelijk toch een verhaal over het dagelijkse leven vol drama en onmisbare humor. Net als bij voetbal komen in de film alle emoties voorbij. Ken Loach neemt zijn tijd om de personages uit te diepen en laat ze bijna onmerkbaar in Erics leven voorbijkomen. Toch spelen ze op hun eigen manier allemaal een belangrijke rol. Aan het begin is Eric vooral bezig met zijn ex-vrouw Lily (Stephanie Bishop) die hij weer tegenkomt doordat ze beiden als oppas dienen voor hun gezamenlijke kleinkind. Hij heeft haar twintig jaar geleden verlaten na een paniekaanval en daarna nooit meer iets van zich laten horen. Deze nieuwe ontmoeting leidt tot een nieuwe paniekaanval en een auto-ongeluk. Thuis loopt het ook al niet op rolletjes: zijn twee werkloze stiefzonen doen niets aan het huishouden, er komen altijd ongenodigd mensen over de vloer of het huis wordt als opslagplaats gebruikt voor de handeltjes van de oudste zoon. Eric lijkt het allemaal niet meer in de hand te hebben.Zijn collega postbodes (en voetbalfans) proberen hem op te beuren. Dit lukt niet direct, totdat op een avond Eric tijdens het roken van een jointje zijn grote held Eric Cantona voor zich ziet verschijnen. Samen bepraten de twee Eric-en de problemen en oplossingen uit Erics leven met als grootste filosofie: ‘er zijn altijd meer keuzes dan je denkt'. Door zijn gesprekken krijgt Eric meer zelfvertrouwen en ziet hij weer toekomst. Alles lijkt weer goed te gaan totdat zijn oudste stiefzoon goed in de problemen komt en Eric de hulp van zijn vrienden moet inroepen om dit op te lossen. Net als bij een voetbalteam moet hij zijn vrienden blindelings vertrouwen en vindt hij een oplossing door net even anders te denken (er zijn meer keuzes dan je denkt!). De lol in ‘Looking for Eric' zit vooral in de grappen die Erics vrienden maken. Met name John Henshaw als Meatballs is erg komisch. De bijdehandse opmerkingen vliegen je om de oren. Maar ook hoofdrolspeler Steve Evets is op zijn eigen manier fijngevoelig komisch. Hoe hij al joggend traint met Cantona is een klein feestje om naar te kijken. Ken Loach heeft met ‘Looking for Eric' een heerlijke film afgeleverd waarin alles in balans is. Er is niet alleen drama, maar ook lol en spanning en zelfs een klein beetje romantiek. Ook krijgen alle personages genoeg aandacht en de tijd om zich neer te zetten. Voor de liefhebbers komt een aantal keer in de film een kort overzicht van goals van Eric Cantona voorbij. Welke Cantona zelf de beste vindt? Het zal je verbazen. En zoals gezegd: ook al ben je geen voetbalfan, ‘Looking for Eric' is een aanrader voor iedereen.

Barbara Plasmans


Heb je nog een filmwekenbon weten te bemachtigen bij A.H. dan is één bioscoopkaartje gratis. Als ik iemand blij heb kunnen maken met deze informatie dan is het genoegen geheel aan mijn kant.

Degenen die in Rotterdam wonen en van lekker Thais eten houden raad ik aan eens te gaan naar “See you see me” op de Hartmansstraat. Het is een restaurant waar de bediening fatsoenlijk en snel is en het eten van prima kwaliteit. Op een schaal van 1 tot 10 een achtje zou ik zo zeggen. Omdat Cinerama er nog geen honderd meter vandaan zit ligt een combinatie “etentje, filmpje” voor de hand.

Ga ik nu even zappend de stapel boeken doornemen.

18 september 2009

13. Thaise avonturen. 4. Het hanengevecht.

Joep had natuurlijk wel een beetje gejokt toe hij Theo wijsmaakte dat het allemaal wel meeviel. Bij hanengevechten gaan de hanen net zo lang tekeer tot er één van de twee dood is. Tenzij de verliezer een kans krijgt om af te druipen, maar er wordt wel voor gezorgd dat dit niet kan. Om het nog wat bloederiger te maken worden er soms ook wel scherpe mesjes aan de sporen van de hanen bevestigd.
Joep nam Theo en mij mee naar een obscure buurt waar jonge vrouwen met weinig om het lijf ons vriendelijk lachend toezwaaiden. We negeerden hen en uiteindelijk parkeerde Joep Theo ’s jeep ergens voor een klein restaurantje. Hij sprak even met iemand die waarschijnlijk de eigenaar was en gebaarde ons toen hem te volgen.
Vond je dat niet vreselijk spannend?
vraag ik de oude man.
Natuurlijk, antwoordt hij. Het zag er ook niet zo fris uit, het was er klam en vochtig en er zaten diverse kerels in het restaurant die ons wantrouwend aanstaarden.
Aan het eind van een lange gang gingen we door een deur en kwamen in een schemerige ruimte waar zo’n stuk of twintig mannen in een grote kring op hun hurken zaten. Het leek wel of ze allemaal zaten te poepen, want het was een gekreun en gesteun van jewelste.
De enige lichtbron was een laaghangende lamp die zorgde voor een heldere lichtcirkel in het midden. Het was net even pauze.
Joep was hier blijkbaar eerder geweest, want hij fluisterde ons zacht toe wat ons te wachten stond. Al gauw kwamen er twee mannen met elk een grote bamboetas bij zich waarin de hanen zaten. De gehurkte mannen werden onrustig en gingen staan. Het viel me op dat Theo niet ongevoelig was voor de onrust die ontstond. Hij begon zenuwachtig aan zijn baard te plukken. De hanen werden aan het publiek getoond en men begon zijn geld in te zetten op de favoriet die men voor ogen had. Kleine bedragen. Zo’n 100 of 200 baht. Dus niet meer dan 1 of 2 euro. De hanen werden met hun koppen tegen elkaar gezet om ze even lekker op te fokken. Ineens werden ze losgelaten. De hel barstte los. Iedereen begon te gillen en de veren vlogen in het rond.
En toen gebeurde er iets ongelooflijks. Theo, een reus van een kerel, stormde naar voren en greep één van de hanen van de grond. En nog voordat iedereen van zijn verbazing was bekomen was hij met de haan door de deur verdwenen en stonden Joep en ik tegenover twintig woedende kerels die met gebalde vuisten op ons af kwamen.
Toen pas zag ik een kant van Joep die ik niet van hem verwacht had. Voor mijn ogen veranderde hij in een soort minihulk en mepte hij stevig om zich heen. Je mag wel weten dat ik zeven kleuren stront scheet van angst.
Zeven kleuren stront,
zeg ik. Dat moet je me eens laten zien.
Om een lang verhaal kort te maken, we slaagden er gelukkig in om aan onze belagers te ontsnappen.
Theo zat in shock op de achterbank en hield de haan vast op zijn knieën. Joep sprong achter het stuur en we reden er met hoge snelheid vandoor. Theo hield de haan nog steeds vast.
Ik keek over mijn schouders en zag de kerels achter mij op hun scootertjes springen.
Gooi die haan weg, brulde Joep. Het lukte mij om de haan uit de vingers van Theo te bevrijden en terwijl de jeep door de straten scheurde gooide ik het beest uit de wagen.
De achtervolgers vonden het blijkbaar voldoende dat ze ons hadden weggejaagd en stopten de achtervolging. Joep zette de jeep even aan de kant van de weg. Theo kwam uit zijn trance en kotste keurig netjes de inhoud van zijn maag op straat. Hij kreeg zowaar weer een beetje kleur op zijn behaarde wangen. Joep moest lachen. Hij kende Theo al heel erg lang en het zou mij niets verbazen als hij een dergelijke actie wel van hem verwacht had. Ik weet het niet.
In ieder geval was ik Joep dankbaar dat hij ons uit deze benarde situatie had gered en om mijn dank te tonen stelde ik hem bij terugkomst in het hotel voor om de komende dagen alsnog te gebruiken voor het zoeken naar de gouden Boeddha. Joep glimlachte fijntjes en zei dat hij dit waardeerde. Alsof hij wist dat ik met dit voorstel zou komen.
De volgende dag voerden we met een kleine vissersboot en met gehuurde duikspullen de zee op. Natuurlijk ging iedereen mee. Blijkbaar was Joep geen geldwolf en ging het hem meer om het idee. Alleen hij en ik wisten dat we op zoek gingen naar een schat. De anderen dachten dat we alleen maar gezellig een eindje zouden gaan varen. Ook Paula wist nog van niets. Nog voor de zon onder was zou ik ontdekken wat een weirdo die Joep eigenlijk was.

17 september 2009

12. Thaise avonturen. 3. Naar Phuket.

Dat is heel veel geld, zeg ik tegen de oude man. Mensen doen alles voor geld, hè? Vooral als het veel is. Ik zag in het Akasha-archief dat in een niet zo verre toekomst mijn nageslacht jullie dankbaar zal zijn voor het omploegen van deze aarde tot één grote mesthoop, waarop de lijken massaal liggen te verrotten. Geen onsympathiek gebaar. Maar ga verder met je verhaal.
De oude man gaat niet op mijn opmerking in.
Het is zeker veel geld, is zijn reactie. Maar ik had er eigenlijk geen zin in. Wel om te duiken, maar op zoek gaan naar een schat? Dat leek toch een beetje op werken. Tenslotte was ik daar met vakantie en langer dan een week wilden Paula en ik niet in Ao Nang blijven. Thailand is mooi en groot. Als je er maar vijf weken bent moet je je tijd goed gebruiken. De kans om zo’n schat te vinden in een paar dagen is natuurlijk reuze klein.
Dus je hebt zijn voorstel afgeslagen?
vraag ik hem.
Ik heb hem hetzelfde gezegd als tegen jou. Dat ik op vakantie was. Hij bleef er heel ontspannen onder. Maar die Joep is zo slim, hè. Daar heb je geen idee van.
Hoezo?
vraag ik.
Hij had daar natuurlijk zijn contacten. De volgende morgen werden we door een ander Hollands stel opgehaald met een jeep en zijn we naar Phuket gereden. Het waren een zekere Theo en Yvonne. Ook leuke mensen. Hij was een muzikant die daar een eigen opnamestudio had en af en toe ook optrad in de vele barretjes die je in die omgeving vinden kunt en waarvan er nu veel gesloten waren in verband met het seizoen. En zij was geloof ik een soort psychotherapeute. Zeker weet ik dat niet, maar ze had in Nederland in verschillende psychiatrische inrichtingen gewerkt. Dat begreep ik er tenminste van.
Onderweg vertelde Theo dat mensen hem vroeger aanzagen voor de zoon van Simon Vinkenoog.
Simon wie?,
vraag ik.
Ach, daar weten strontvliegen natuurlijk niets van. Je moet maar eens naar informatie over hem zoeken in dat archief van jou.
Yvonne zat glunderend om zich heen te kijken. Alsof ze in tijden niet buiten was geweest.
Paula lag te slapen. Dat doet ze altijd als ze in een auto zit. Kunika had haar hoofd op de brede schouders van Joep gelegd die ons reed en knabbelde af en toe aan zijn oorlelletje waardoor de Jeep soms gevaarlijk begon te slingeren.
Ik vertel je dit zodat je een beetje weet hoe de reis verliep.

Ruim drie uur nadat we waren vertrokken kwamen we in Phuket aan. Daar checkten we in bij een hotelletje waar we één nacht zouden blijven slapen.
Achter een biertje gezeten met uitzicht op de stijl uit zee oprijzende eilandjes stelde Joep voor om naar een hanengevecht te gaan.
Dit leek de dames niets en afgesproken werd dat zij gezellig zouden gaan shoppen terwijl de heren hun eigen plan zouden trekken. Theo had als vegetariër zijn bedenkingen, maar liet zich door Joep overtuigen dat de eigenaren van de hanen gelijk ingrepen als zij zagen dat hun haan aan de verliezende hand was. De beesten werden juist uitstekend verzorgd en zo’n vechtpartij stelde hen juist in staat om status te verwerven. En natuurlijk veel geld voor zijn eigenaar. Dit wordt een gebeurtenis die jullie niet snel zullen vergeten, zei Joep tegen ons. Hij kon toen niet vermoeden hoe zeer hij gelijk had.

16 september 2009

11. Thaise avonturen. 2. De gouden Boeddha.

Zoals je misschien wel weet kun je bij Ao Nang prima duiken. Paula en ik zijn fervente duikers. We waren er ook om die reden naar toe gegaan. Eerst hadden we in Nederland kennis gemaakt met Joep en Kunika. Ze waren deze keer van september tot december hier. Heel hartelijke mensen. Als we naar Thailand zouden gaan waren we hartelijk welkom.
Zoals je weet ben ik afhankelijk van de schoolvakanties. In Juli en augustus valt er in die streek veel regen. Het toeristenseizoen loopt er van december tot april. Buiten die tijd zijn veel hotels gesloten. Het kwam ons dus uitstekend uit dat we er een adresje hadden om er een paar dagen te verblijven.

Je bent ook een echte Hollander, hè? zeg ik hem. De oude man lacht.
Toen we zeiden dat we wilden duiken zag ik al gelijk aan Joep dat hij met iets zat. Alsof hij niet zeker wist of hij dit met ons kon bespreken. Na enige aarzeling heeft hij mij toch in vertrouwen genomen. Alleen mij, alsof hij liever niet wilde dat Paula wist wat hij te vertellen had. Het kwam op het volgende neer. Tijdens de Tsunami in 2004 waren er veel scheepjes voor de kust van Ao Nang vergaan. Het verhaal was dat zich aan boord van één van die scheepjes een gouden boeddhabeeld van 60 kilo bevond, dat gestolen was uit de tempel Wat Traimit, de tempel van de gouden Boeddha, in Bangkok.
Natuurlijk was er naar gezocht, maar tot nu toe tevergeefs. Omgerekend naar de goudprijs van dat moment had dit gouden beeld een marktwaarde van ruim 1 miljoen Euro.
Joep was echter geen duiker. Er was iets met zijn oren waardoor hij nooit zou kunnen duiken. Toen hij begreep dat wij ervaren duikers waren schoot hem gelijk het verhaal van het gouden Boeddhabeeld te binnen. Hij had daar een tijd niet aan gedacht maar de gedachte nooit uit zijn hoofd gezet.
Door onder andere bij de plaatselijke vissersbevolking na te gaan waar er was gezocht had hij twee gebieden op de kaart overgehouden waar de kans groot was dat men nog niet naar de schat gedoken had. Nu wilde hij van mij weten of ik misschien bereid was om op die plekken te zoeken.

Ik vroeg Joep waarom hij dacht dat het verhaal geen verzinsel was. Hij liet mij een krantenartikel zien waarin een foto van de gouden Boeddha stond. Ik kon de tekst niet lezen, maar hij verzekerde mij dat er stond dat de Boeddha was gestolen en daarna vermoedelijk het land uitgesmokkeld was per schip.
Na de tsunami zou één van de dieven zwaar gewond aangespoeld zijn en voor zijn dood het verhaal verteld hebben aan de mensen die hem op het strand gevonden hadden. Nog voordat men hem naar een ziekenhuis had kunnen brengen overleed hij.
Als we hem vinden krijgen we 10% van de waarde. Dat staat hier. En hij tikte driftig met zijn vinger op het artikel.
Dat is toch ruim € 100.000 Nou, wat vind je er van? vroeg hij toen aan me.

15 september 2009

10. Thaise avonturen. 1.

Laten we het na al dat geklaag van jou over school, management, leerlingen, collega’s, de toestand in de wereld en de komende Apocalyps eens over wat anders hebben, zeg ik tegen de oude man. Over vrouwen bijvoorbeeld.
Vrouwen? Waarom zou ik het met jou over vrouwen hebben? Wat weet een strontvlieg nu van vrouwen? Waarom zou je er sowieso al interesse in hebben?
Wat weet jíj er van?
vraag ik hem. Ik probeer jou beter te begrijpen en ik vermoed dat vrouwen een belangrijke rol in je leven spelen.
De oude man zucht. Je hebt gelijk. Weet je wat ik de mooiste vrouwen vind?
Ik blijf hem aanstaren. Schouders ophalen of nee schudden heeft geen zin; dat ziet hij toch niet.
Thaise. Thaise vrouwen vind ik het mooist. Mijn moeder was ook een beetje Aziatisch. Prachtig mooie vrouw. Ik ben nu al drie jaren achter elkaar naar Thailand geweest en telkens weer als ik terug ben kost het mij een half jaar om die lieve gezichtjes te vergeten.
Hoeren, je bedoelt Thaise hoeren. Ga je daarvoor naar Thailand? Die heb je ook in Nederland hoor. Heb je soms een adresje van me nodig?

De oude man krijgt een rood hoofd.
Nee, natuurlijk ga ik niet naar Thailand voor de hoeren. Ik weet ook wel dat je deze in Nederland hebt.
Ik ben nu drie keer met Paula naar Thailand toe geweest. De afgelopen zomer voor het laatst. Na de eerste keer kreeg ik van mijn tweelingbroer die, zoals je misschien wel weet, voor de AIVD werkt, het adres van een zekere Joep die hij op één of ander bizar feest had ontmoet. Het is een collega van hem. Een deel van het jaar zit Joep met zijn Thaise vrouw Kunika in Thailand, waar ze een huis hebben vlak bij Ao Nang Beach in de provincie Krabi. En de rest van de tijd zitten ze in Nederland.

Ze zitten nu weer even hier, maar zodra het koud wordt vertrekken ze weer.
Paula en ik zijn vorig jaar voor het eerst bij hen langs gegaan. Zulke aardige mensen. En weet je wat zo vreemd is? Hij ziet er heel rustig en ontspannen uit. Een beetje sloom zelfs. Maar schijn bedriegt. Vergeleken met hem is James Bond een watje. Tjonge, wat is die kerel een vechtmachine. Eigenlijk heb ik mijn leven aan hem te danken.

Ik hoor aan zijn stem dat de oude man emotioneel begint te worden. Blijkbaar komen er allerlei herinneringen terug.
Wat is er dan gebeurd, vraag ik hem.

14 september 2009

9. Hoe te leven? Ieder op zijn manier.

Verwacht jij nog Télécomse toestanden bij de reorganisatie van jullie ROC? vraag ik de oude man. Daar hebben zoals je misschien wel weet in het afgelopen anderhalf jaar 23 werknemers een eind aan hun leven gemaakt. Ik vlieg zoemend een rondje om de lamp boven de keukentafel en strijk dan neer op het tafelblad.
Oh, dat is het typische Franse temperament, reageert hij. Savoir vivre, savoir mourir. Zo doen wij dat niet in Nederland. Natuurlijk zijn er bij ons ook stevige reorganisaties gaande, hebben veel mensen last van de werkdruk en is het niet moeilijk om aan te geven waarin het management tekort schiet. Maar vergeet niet dat dit altijd al zo bij ons is geweest. Wij zijn er, om zo te zeggen, als werknemers vanaf dag één mee vertrouwd.
Ooit werd ik eens uitgenodigd door twee adjuncten die vonden dat ik niet zo ad-hoc bezig moest zijn. Ze waren het er wel mee eens dat dit soms noodzakelijk was, maar zij bezwoeren mij met droge ogen dat dit anders zou worden. Beiden zijn nu al jaren weg. Eén van hen is zelfs burgemeester geworden. Maar ook hierna is er niet veel veranderd. Wèl in de organisatie, maar niet in de veranderingsmentaliteit. Als in de komende jaren de organisatie de buikriem zal moeten aanhalen zullen we het merken.
Het lijkt er op dat ons bestuur met de donkere wolken aan de horizon nog net even haar plannetjes uitgevoerd wil hebben. Men voelt de hete adem van de komende bezuinigingen in de nek. Straks is daar waarschijnlijk geen geld meer voor.
Nee, docenten zullen zich gewoon wat vaker ziek melden of de deur van hun kamer eerder dicht doen. Leerlingen gaan dan altijd naar een kamer waarvan de deur wel open is en vragen aan een collega waar de betreffende docent uithangt. En die weet dat natuurlijk ook niet.
Ik zou niet één geval weten waarin de veranderingen bij ons mensen ertoe zou hebben gebracht om uit het raam te springen. Zeker onder degenen die de veranderingen moeten aansturen zijn er genoeg die zich getroost voelen met de wetenschap dat zij niet de enigen zijn die er af en toe een potje van maken. Ook zij zullen dus niet naar beneden springen.

Overigens heeft de chaos van het moment daar misschien niet zoveel mee te maken. Ik kan dat niet overzien. Wat ik wèl weet is dat mijn collega’s ’s avonds met heimwee steeds weer de vakantiefoto’s bekijken en zichzelf daarbij voorstellen dat ze nog aan het strand liggen, of door vreemde stadjes struinen.

Wat betekent dat nu voor de leerlingen,
vraag ik.
Ik zou het niet weten. Is dat echt belangrijk? Ik geef toe dat ze recht hebben op een veilige en overzichtelijke leeromgeving, maar zouden er nog scholen zijn dit aan kunnen bieden?
Met een beetje pech scharen zij zich straks achter de eindeloze rijen met pillenslikkers en zenuwlijders waarvan onze samenleving vergeven is. Ik hoop het niet voor ze. Waar ze zich op andere plekken op deze wereld druk maken om een lege maag maken ze zich hier druk over merkkleding, telefoontjes, bijbaantjes, roosters die niet kloppen, teveel tussenuren en noem maar op. Het leven is nergens perfect. Je kunt er misschien wel naar streven, maar je moet je er niet al te druk over maken.
Degenen die het redden zijn degenen met een boord voor de kop, haar op de tanden, een gladde rug en, wat soms ook helpen kan, een grote mond, stevige ellebogen of een bruine tong. Freaks waarin de evolutie niet heeft voorzien, anders waren we allemaal zo wel ter wereld gekomen.
Jij bent echt hopeloos,
zeg ik de oude man. Zijn er nog mensen die jou serieus nemen?
Ze moeten zichzelf serieus nemen,
reageert hij. Maar niet te serieus. Ik heb het recept voor mezelf al jaren geleden gevonden. Wat voor de een gif is, is voor de ander medicijn. En andersom. Jij moet er dus voor jezelf achter komen wat jij op een bepaald moment nodig hebt. Zo heb ik besloten om een tijdje te stoppen met blowen en weer dagelijks twee keer te mediteren. Dat heb ik nu nodig. En in oktober ga ik een weekje vasten.
En als ik me dan weer helemaal tiptop voel ga ik weer eens langs bij Theo en Yvonne om me knetterstoned te roken als aanloop naar een nieuwe periode, waarin ik de dag afbouw met een stevige stick. Geen slecht vooruitzicht moet ik zeggen.

13 september 2009

8. Aandoenlijke tafereeltjes, nr. 3

Mijn ogen worden slechter, zegt de oude man. Vanmorgen wilde ik gaan rennen en zag gelukkig nog net op tijd dat ik mijn shirt binnenstebuiten had aangetrokken.
Ik geef toe dat ouder worden niet altijd even leuk is. Een leerling van mij zei dat ze vond dat mijn haren zo grijs waren geworden sinds zij mij voor het laatst in juni had gezien. Ik ben blij dat ik sowieso nog haren heb. Veel collega’s van mij beginnen aardig kaal te worden. Je zei dat je nog een verhaal had over de minder fijne kanten van het ouder worden.
Zeker,
zeg ik. Ik zal je het net als die andere verhalen vertellen alsof de gebeurtenis nu plaats vindt.

Een bloederig verhaal

Er klinkt paniek in zijn stem. Alles zit onder het bloed. Er moet gauw iemand komen.
Ze kijkt op de klok. Het is kwart voor vijf. Haar dienst zit er bijna op.
Er komt zo meteen iemand bij u langs, meneer de Vries. U zit nu op de rand van uw bed? Leg uw voet omhoog op het kussen. Ga maar tegen de muur zitten als dat kan. Ja, vervelend dat uw kussen vuil wordt. Begrepen meneer de Vries? Verder zo min mogelijk bewegen. Dag meneer de Vries. Ze legt de telefoon neer.
Margreet, er moet nu meteen iemand naar meneer de Vries. Ja, dat is die alleenstaande oude man die de laatste tijd zo in de war is. Die met dat kleine witte hondje. Volgens mij ben jij er vroeger wel eens geweest. Hij zegt dat hij in de scherven van een glas is gaan staan en dat hij vreselijk bloedt. Eens kijken. Ze opent een kastje en geeft Margreet een sleutel. Hang je de sleutel straks weer terug? Neem de verbandtrommel mee. Weet je nog waar het is?
Ze zucht. Gelukkig is het weekend.
Margreet kijkt of de verbandtrommel compleet is, loopt de trap af en rijdt even later op haar fiets naar meneer de Vries, waar ze tien minuten later aankomt.
Ze opent de deur. De gordijnen zijn gesloten en het is schemerig in huis.
Schel blaffend komt een wit keeshondje aangerend. Margreet ziet dat zijn pootjes overal op de licht beige vloerbedekking donkerrode pootafdrukken heeft gemaakt.
Hallo, roept ze luid en het hondje schiet in zijn mand.
Snel loopt ze naar de slaapkamer.
Dag meneer de Vries. We zijn er gelukkig. Hoe gaat het?
Meneer de Vries heeft gedaan wat hem over de telefoon is geadviseerd en zit met zijn rug tegen de muur op het bed, met zijn rechtervoet rustend op een kussen. Dit is, net als de lakens trouwens, besmeurd met rode vlekken.
Laat eens zien. Margreet tilt de voet op. Doet het pijn, vraagt ze. Een heel klein beetje,is het antwoord. Ik voel het haast niet. Ik denk dat er een splinter heel diep in mijn voet is gaan zitten.
Blijf zo liggen, ik maak het even schoon, zegt Margreet. Ze doet de gordijnen van de slaapkamer open en ziet dat behalve de pootafdrukken van de hond er ook voetafdrukken op de vloerbedekking staan van meneer de Vries.
Ze pakt een steriel gaasje en veegt hiermee voorzichtig de voet van meneer de Vries schoon.
Ik was bijna gevallen vandaag, zegt meneer de Vries. Gelukkig kon ik me nog net aan de tafel vast houden. Ik geloof wel dat er een glas en een vaasje met bloemen is omgevallen.
Gisteren liet uw collega een glas in de badkamer vallen. Ik denk dat ik daar in een scherf ben gaan staan die bij het opruimen over het hoofd is gezien.

Margreet heeft de voet schoon gemaakt. Deze bloedt niet meer. Vreemd genoeg kan ze nergens een wondje bekennen.
Ik ga even in de badkamer kijken, meneer de Vries. Blijft u nog even zitten.
Ze loopt naar de badkamer maar de grond ziet er schoon uit. Nergens ziet ze glas.
Dan gaat ze naar de huiskamer en doet daar ook de gordijnen open. Op de eettafel ligt een omgevallen vaas met bloemen. En een omgevallen glas. Ze besluit om de rommel even op te ruimen nu ze hier toch is. Als ze de grote donkere vlek op de grond ziet begrijpt ze wat er is gebeurd.
Meneer de Vries kan gerust zijn, denkt ze en onwillekeurig moet ze glimlachen. Hij hoeft zich geen zorgen te maken over een glassplinter in zijn voet.

12 september 2009

7. Aandoenlijke tafereeltjes, nr. 2

Het is zondagmorgen elf uur. Uit een effen grijze lucht daalt een dreinerige motregen op de stad neer. De oude vrouw zit voor het raam en kijkt via haar spionnetje de straat in. De straat is leeg. Bij de vuilcontainer trekt een stel meeuwen krijsend een vuilniszak aan stukken.
Waar blijft haar kleinkind nou? Elke zondag om elf uur stipt staat zij voor de deur maar nu is zij zelfs nog niet in zicht.
De telefoon gaat. Ook al zo vreemd. Op zondag gaat haar telefoon nooit. Wie zou haar moeten bellen. Haar dochter? Daar heeft ze geen contact mee. Alleen via haar kleinkind. Dan vraagt ze ‘Hoe gaat het met je moeder?’ en krijgt ze te horen wat er sinds vorige week allemaal gebeurd is. Ze neemt de telefoon op.
Hallo?
Dag oma.
Het is de stem van haar kleinkind.
Dag lieverd. Waar blijf je nou?
Ik kan vandaag niet komen, oma.
Kun je vandaag niet komen? Maar je komt altijd op zondag. Ik heb van die lekkere stroopwafels gekocht.
Dat weet ik oma, maar ik ben ziek.
Ziek? Wat heb je dan?
Mama zegt dat het de Mexicaanse griep is.

De Mexicaanse griep? Kindje toch, wat erg. Hoe voel je je?
Heel erg misselijk, oma. Maar mama zegt dat ik nu moet ophangen.
Zegt mama dat? Kun je nog niet even…?
Nee, oma. Ik moet nu echt ophangen. Als ik beter ben dan kom ik weer.

De verbinding wordt verbroken.
Verbitterd gaat de oude vrouw zitten. De Mexicaanse griep. Het zou wat. Dat is toch geen reden om niet even langs te gaan. Shawl om en jas goed dichtgeknoopt. Haar eigen dochter had haar best wel even langs kunnen brengen. Een kwartiertje was genoeg geweest.
Nu moest ze zeker weer een week wachten.
Ze pakt het pakje met stroopwafels uit de keukenkast. Het zijn echte Goudse. Tien stuks.
Als diabetespatiënt mocht ze al jaren geen zoetigheid meer. Gelukkig waren de inzichten wat betreft het gebruik van zoetigheid de laatste jaren veranderd en werd het niet als een probleem gezien als de diabetespatiënt een kleine hoeveelheid zoetigheid nam. Tot nu toe had zij daaraan geen behoefte gevoeld. Maar nu heeft ze dit wel en ze gunt zichzelf wel een wafeltje.
Eerst zet ze een kopje thee en legt dan een wafeltje op het kopje. Ze ziet de stroop smelten. Voorzichtig pakt ze de stroopwafel en legt deze op een schoteltje. Nadat de wafel bijna is afgekoeld neemt ze een klein hapje. En dan nog één. En nog één. In een mum van tijd heeft ze de stroopwafel opgegeten. Wat smaakte dit heerlijk. Ze vergeet haar kleinkind en dat ze niet al te royaal met zoetigheid moet zijn. Een tweede stroopwafel gaat dezelfde weg. En een derde. Zo gaat ze door totdat ze het hele pakje heeft opgegeten. Hijgend zit ze op de stoel voor het raam. Op haar rok en de grond liggen allemaal kruimels. Ze moet glimlachend denken aan de tijd dat ze nog jong was en zo af en toe een stickie rookte. Wat kon ze daar een vreetkick van krijgen.
Ze veegt met de rug van haar hand de zoetigheid van haar lippen en besluit dat ze morgen bij de supermarkt nog een paar pakken stroopwafels zal halen. Ze kunnen allemaal de pot op. Allemaal.

De oude man schudt zijn hoofd. Die dame is niet erg verstandig bezig. Ze weet zeker niet wat dit voor gezondheid betekent. Maar misschien ook wel. Je zei dat je nog een verhaaltje had?
Ja, dat vertel ik een volgende keer.

11 september 2009

6. Aandoenlijke tafereeltjes, nr. 1

Het is avond en natuurlijk zit de oude man weer achter zijn PC.
Oud worden heeft zijn charme, zegt hij en schenkt zichzelf een glaasje wijn in.
De meeste mensen vinden oud worden een ramp, zeg ik.
Dat komt omdat de samenleving er de nadruk op legt dat je jong en aantrekkelijk moet zijn om je succesvol en gelukkig te voelen. Als de vergrijzing doorzet zul je zien dat er positieve aandacht zal ontstaan voor de ouderdom. Gewoon, omdat er aan verdiend kan worden. Je ziet nu al een toename van reclame die gericht is op ouderen. Ouderen worden belangrijk.
Niet om je af te schrikken, maar ik heb nog wel wat verhaaltjes over ouderen die je misschien minder leuk zult vinden, zeg ik. Vertel, zegt de oude man.

De OV-chipkaart.

Ik ben mijn OV-chipkaart vergeten, zegt ze. En mijn portemonnee. De oude vrouw kijkt de jonge allochtone controleur ontwapenend aan. Ze verschuift de rollator die midden in het gangpad staat zodat anderen er nu wel langs kunnen.
Betalen mevrouw of er uit, krijgt ze als reactie.
Het zijn maar drie haltes. Ik ga naar mijn man die in een verzorgingstehuis zit.
Betalen of er uit,
klinkt het opnieuw.
Nu wordt ze boos.
Jongeman, het zijn maar drie haltes. Maak je niet zo druk. je hoeft het toch niet zelf te betalen…
Dat had ze niet moeten zeggen. De tram stopt en de deuren gaan open om mensen in te laten.
Ogenblik bestuurder, roept de controleur naar voren. Hij pakt de rollator, zegt één, twee, drie en gooit deze dan door de geopende deuren naar buiten.
De oude vrouw verstijft. Het dringt nog niet helemaal goed tot haar door wat er gebeurt.
De weinige andere mensen in de tram kijken verbaasd toe. Zoiets hebben ze nog niet eerder meegemaakt. Maar niemand staat op om haar te helpen.
Gaat u zelf of wilt u een handje geholpen worden?, vraagt de controleur en kijkt haar lachend aan. Dit is nog eens iemand die lol heeft in zijn werk.
Omdat ze geen aanstalten maakt om op te staan pakt hij haar bij haar bovenarm en trekt haar overeind. Dit kost hem enige moeite want zoals veel oudere vrouwen is ze aardig uitgedijd. Nu staat ze naast de bank en houdt zich vast aan een stang. Nog steeds doet ze geen poging om uit te stappen. Ze is helemaal ontdaan door wat er gebeurt.
Dan pakt de controleur haar opeens met zijn rechterhand in haar kraag en met zijn linkerhand bij de bovenkant van haar rok. Het gaat allemaal zo snel dat ze geen tijd heeft om tegen te stribbelen. Ze laat de paal los. De scène met de rollator herhaalt zich, alleen is het deze keer de oude vrouw die door de open deuren naar buiten gesmeten wordt. Ze komt naast de rollator terecht, draait zich een kwart slag om en zit met gespreide benen op de grond, haar bruine steunkousen van onder haar rok als houten stokken schuin naar voren gestrekt. Haar ogen staan wagenwijd open van verbijstering.
Vuile Turk, roept ze machteloos en zwaait met haar vuist.
Marokkaan, reageert hij laconiek. De deuren gaan dicht en de tram rijdt weer verder. De mensen duiken met hun neus in de krant en doen alsof ze niets gezien hebben.
De controleur kijkt ze allemaal eens goed aan en roept dan: Is er nog iemand die misschien een kaartje wil kopen?

De oude man heeft aandachtig geluisterd. Is dit echt gebeurd, vraagt hij?
Ik heb nog twee verhaaltjes, maar die vertel ik wel een volgende keer, zeg ik hem.

10 september 2009

Buzzzzzzy

Zoals je ziet heb ik nu even geen tijd

 
Posted by Picasa

09 september 2009

5. Een zonnige dag

Vanmorgen zijn we samen naar school geweest. Nu zitten we in Scheveningen. Het is mooi weer en ik geniet van de zilte zeelucht. De Oude man vroeg mij of ik in een doosje met hem mee wilde, maar daar heb ik voor bedankt. Wij vliegen houden van de vrijheid.
Het lijkt wel of iedereen een vrije dag heeft genomen. Alle terrasjes zijn vol.
Vanmorgen had je het met mij over die chagrijnige koppen in de tram en trein, maar kijk nu eens om je heen. Dezelfde mensen maar nu op een andere plek. Vind je ze nu nog steeds zo stug en tobberig kijken?
Zeg jij het maar,
antwoord ik hem.
Ik zie toch meer vrolijke gezichten dan vanmorgen, zegt hij aarzelend na even om zich heen gekeken te hebben.
In het warme zand gezeten en kijkend naar de golven die af- en aan rollen wordt de man opnieuw filosofisch. Zoals de een bijna nooit denkt zo weet de ander soms niet hoe hij er mee stoppen moet. Beide zijn volgens mij een ziekte. Wat moeten al die mensen met zoveel hersens als ze deze toch niet goed weten te gebruiken?
We hebben laatst een oppervlakkig gesprek gevoerd over Godsdienst, zegt de man. Hoe de mensen hiervan vaak juist in de war geraken in plaats van dat ze er kracht aan ontlenen.
Ik bedacht later dat dit alleen geldt voor degenen die over de schutting durven te kijken.
Degenen die zich beperken tot datgene waarmee zij zijn opgegroeid of die gewoon overtuigd zijn van hun gelijk halen wel degelijk hun kracht uit het geloof of juist het gebrek hier aan. Als je maar denk dat je gelijk hebt en de anderen ongelijk sta je als een rots in de branding. Gelovig of niet. Het zijn de twijfelaars die het moeilijk hebben.
En waarom twijfelen zij? Omdat ze weten dat al die andere gelovigen,maar ook de niet-gelovigen blijkbaar hun houvast ontlenen aan iets anders dan zij.
Laten we over wat anders praten,
zeg ik. Heb je nog iets lekkers te roken bij je?De man lacht. Wat te blowen bedoel je? Nee hoor. Ik heb er geen behoefte aan, ik slaap beter en functioneer beter overdag. Dus ik had gedacht om maar weer eens een paar weken zonder te doen.
Jammer,
zeg ik. Het ruikt zo lekker. Bovendien ben ik een shit-fly en is het niet raar dat ik van shit hou.
Zullen we naar huis gaan,
vraagt de man.

’s Avonds bij het kijken naar het journaal zie ik hoe de kroonprins van Nederland met zijn vrouw een lichtschakelaar omdraait zodat het Empirestate Building een oranje eikel krijgt. Als prins moet je soms zotte dingen doen om je brood te verdienen.
Als aan de New Yorkers gevraagd wordt waarom volgens hen het Empirestate Building oranje is gekleurd zegt één van hen dat hij denkt dat er misschien sprake is van een vervroegd Halloween. Een cadet van West-Point wordt geïnterviewd en zegt dat hij denkt dat Willem Alexander de Prins van Amsterdam is. Een variatie op de opmerking dat Holland een provincie is van Denemarken. Die Amerikanen zijn volkomen onkundig van het feit dat er buiten Amerika nog andere werelddelen zijn, denk ik. Maar hoe slim zijn eigenlijk die Hollanders?
De man heeft nog wat klusjes te doen en geen tijd meer voor me. Prima. Ga ik vanavond eens vroeg slapen.

08 september 2009

4. Samen aan de wandel.

Vandaag ben ik overdag met de oude man naar zijn werk gegaan. Hij geeft les aan jongeren in het beroepsonderwijs.
De school waarvoor ik werk is een kleine ramp, vertrouwt hij me toe terwijl we naar de tramhalte gaan. Ik zit op zijn schoudertas. Het zonnetje schijnt, er staat een zacht briesje, het leven is goed. Het is fijn om weer even buiten te zijn. Ik vlieg op, snoep hier en daar wat stuifmeel en krijg bijna ruzie met een grote kruisspin die mij als ontbijt wil gebruiken. De oude man bevrijdt me en ik strijk weer neer op zijn schoudertas. De tram komt snel en we gaan achterin zitten. De mensen die op weg zijn naar hun werk zien er moe en afgetobd uit. Ze kijken stug voor zich uit of hebben hun neus diep in een krant gestoken. Wat erg als je blijkbaar zo ongelukkig moet zijn in die korte tijd dat je leeft, denk ik. En deze mensen leven notabene in een welvaartsmaatschappij.
Waarom is die school een ramp, vraag ik hem. De oude man was zijn opmerking aan mij al weer bijna vergeten.
Voor mij is het een kleine ramp. Voor de studenten en enkele collega’s is het soms een grote ramp. We zijn nu al anderhalve week bezig en er zijn nog steeds geen roosters, de klassenlijsten kloppen niet, de jaarplanning is onduidelijk, de handleidingen die we gebruiken zijn niet geredigeerd en bevatten verouderde informatie…Het jaar is net begonnen en veel van mijn collega’s zijn nu al moe. Dat wordt wat met die Mexicaanse Griepgolf die straks op ons afkomt.
Waarom ben jij niet chagrijnig?
vraag ik hem.
Kwestie van mentaliteit, reageert hij. Ik vind mijn werk leuk maar heb inmiddels niet meer de verwachting dat de organisatie ooit behoorlijk zal functioneren. En blijkbaar is dat ook niet nodig, want hij bestaat nog steeds. Dus ik laat alles maar op mij af komen en zie dan wel weer verder. ‘Loslaten’ is het toverwoord. Hij praat op een fluistertoon zodat het klinkt als zachte muziek uit een MP3-speler.
Ik vind het belangrijk dat die jonge gasten een diploma halen. Zelf heb ik jaren ongeschoold werk moeten doen omdat ik geen goed diploma had. Het is nog steeds zo in de samenleving dat iedereen op je schijt als je onder aan de ladder staat. Je wordt dan echt vaak als stront behandeld.
Dat is toch zo erg niet,
reageer ik. Geef mij maar een goeie drol en ik ben uren zoet.
Misschien word ik wel gek, zegt de oude man. Zit ik met een strontje in mijn oog te praten en besta jij helemaal niet.
Leuk,
zeg ik. Een strontje in je oog. Nee man, je zit met een strontvlieg te praten en dus is er niets aan de hand. Mensen praten met alles wat levend is. Iemand van jullie koninklijk huis praat zelfs met bomen en die wordt ook niet officieel gek verklaard. Maak jij je maar geen zorgen.
Hoe komt het dat je dit allemaal weet,
vraagt de oude man.
In mijn hoofd zit een minuscule ontvanger waarmee ik ben afgestemd op het Akasha-archief.
Zoals je misschien weet is dat een collectief geheugen waar alle gedachten, emoties en gebeurtenissen van alle tijden op aarde tot op heden, worden opgeslagen. Je vindt er zelfs zaken in terug die er nooit in zijn opgeborgen. Dat klinkt misschien vreemd, maar is niet alles vreemd op deze blauwe planeet? Het archief is voor iedereen toegankelijk. Dus ook voor mij. Alleen is het soms wel even zoeken tussen al die informatie. Zo weet ik wat een chaos het is bij jou op school. Maar als ik jou daar vragen over stel heb ik sneller antwoord dan door te gaan zoeken in het archief, begrijp je? Volgens mij moet je er hier uit.

07 september 2009

3. De warmte in de hel is voor sommigen aangenaam

Alle levende wezens zijn door God geschapen. Ik zou het graag met jou willen hebben over wat er met hun ziel gebeurt na hun dood. Maar eerst, hoe belijden jullie je geloof?
Door ons als vliegen te gedragen. Als onze God hier tevreden over is komen we in de hel. Dan begint het banket dat eeuwig duurt.
De man lacht. Dan zul jij wel in de hemel komen. En daar is alles steriel.
Ik vrees dat je gelijk hebt, zeg ik zuchtend. Dit is geen leuk vooruitzicht. Onze God kent geen vergeving. Fout is fout. Hoe zit dat bij de mensen?
Dat hangt er van af of je een man of een vrouw bent en welke God je dient.
Geef eens een voorbeeld.

Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat mannelijke martelaren binnen de Islam in het paradijs een aantal maagden krijgen. Daar zijn ze natuurlijk zo door heen. Van vrouwelijke martelaren weet ik het niet. Die krijgen misschien een aantal eunuchen toe bedeeld. Dan zitten zij beter dan die kerels, want die eunuchen worden niet zomaar viriele Chippendales.
Je spot, zeg ik.
Oké, maar we houden dat onder ons. Als je Christen bent mag je na een deugdzaam leven een stukje dichter in de buurt van de troon komen te zitten. Gezien het aantal deugdzame Christenen betekent dit dat er tussen jou en de troon nog steeds een onafzienbare rij stoelen reeds bezet zijn, dus veel maakt het niet uit. Die anderen hebben hun plek verdiend en die kun je niet een stoeltje terugzetten.
Ik vrees dat je weer spot, zeg ik nu bestraffend.
De man gaat er niet op in en praat verder.
Je hebt ook Godsdiensten die geloven dat je reïncarneert. Je komt dan terug in een vorm die in overeenstemming is met je levenswijze voordat je stierf.
Zou een vlieg kunnen reïncarneren als mens of andersom?
vraag ik hem.
Sommigen zeggen van wel, anderen betwisten dat.
Dus je lot na de dood is afhankelijk van je geloof, je geslacht en het leven dat je geleefd hebt?
Dat klopt. Alleen niet-gelovigen gaan rechtstreeks naar de hel.
Dat is niet eerlijk. Waarom worden zij voorgetrokken?

Je vergeet dat de hel voor mensen is als de hemel voor jou. Slechts weinigen gaan graag naar de plek waar de vorst der duisternis regeert. Al ken ik één situatie waar dit wel zo was.
Vertel,
zeg ik hem.

Er was een beschermengel, laten we hem Gabriël noemen, die tot opdracht had om een vreselijk slecht mens op het rechte pad te brengen. Maar wat hij ook deed, deze slechte mens werd alleen maar slechter. Dit zou betekenen dat hij na zijn overlijden naar de hel toe zou gaan. Gabriël werd er wanhopig van. Hoe kon hij zijn opdracht tot een goed einde brengen, vroeg hij zich af. Hij ging naar God en vroeg hem om een gunst. Zou deze slechte mens voor één keer alvast in de hel kunnen afdalen zodat hij wist wat hem te wachten stond als hij zijn leven niet beterde. God gaf Gabriël toestemming en zo kwam het dat op zekere dag deze slechterik afdaalde in de hel. Hij keek daar om zich heen en schrok van al het leed dat hij er tegen kwam. Het leek er op dat Gabriël zijn zin zou krijgen. De Duivel had de slechte mens zien rondlopen en wist dat hij weer terug zou gaan naar de aarde. Hij vroeg de slechte mens waarom hij hier op bezoek was. Ik ben een heel slecht mens, kreeg hij als antwoord. En om mij op het rechte pad te krijgen wilde men mij laten weten wat mij na de dood te wachten staat. Wat hier gebeurt vind ik niet zo leuk en ik denk dat ik mijn leven straks maar ga beteren.
De Duivel grijnsde. Als jij je slechte leven op aarde voort zet, dan kun je naast mij op de troon komen zitten. Ik maak je tot één van mijn machtigste voormannen.
En zo geschiedde het en verloor God weer een ziel aan de Duivel.


Ik begrijp dat wat voor de een de hemel is voor een ander de hel kan zijn. Waar sta jij in dit verhaal? Hoe zit het met jouw geloof?
Ik heb het gemakkelijk. Ik geloof in niets. Als je nergens in gelooft is er geen alternatief. Een lege emmer of lege doos zijn allebei leeg en verschillen alleen in de verpakking. Maar iemand die gelooft heeft het niet zo gemakkelijk. Het is als in een supermarkt: als je kunt kiezen is het fijn, maar wat als je verkeerd kiest. Iedereen wil kwaliteit en er zo weinig mogelijk voor betalen. Zo is het voor veel gelovigen ook een beetje. Velen blijven merktrouw maar vragen zich stiekem af of andere merken niet beter zijn. Zij zijn voortdurend in strijd met zichzelf of met andere gelovigen. Ze kunnen berusten in hun situatie maar er uit komen doen ze niet.
Van mij mag iedereen geloven wat hij of zij wil. Wie ben ik om mensen hun houvast niet te gunnen.

Zelf vind ik het prettiger om alles om mij heen te benaderen vanuit een persoonlijke spiritualiteit. Ook ik ben slechts een nietig mensje dat hier even mag rondsnuffelen en daarna voorgoed verdwijnt in het niets. Wat ik een prettige gedachte vindt, want dit geldt ook voor de grote hufters om mij heen, die denken dat zij niet alleen anders maar vooral beter zijn dan hun medemens en menen dat zij overal mee weg kunnen komen. Ook voor hen gaat eens voorgoed het licht uit en dan kunnen hun slachtoffers met voldoening op hun graf spuwen. Als je mij toch in een vakje zou willen stoppen deel me dan maar in bij de vrijzinnige Budhisten. Daar voel ik mij het meest bij thuis.
Gelukkig hebben wij vliegen ook niet veel keuze, zeg ik. De mensengod heeft ons wel gemaakt maar hij heeft ons lot in handen van zijn grootste dienaar gelegd. Ja, zijn grootste dienaar, want het goede wordt pas zichtbaar door het kwade dat er ook is. Zonder mijn meester zou de goedertierenheid van de mensengod niet opvallen.

Het is nu nacht. De oude man slaapt. Wat een dwaas, maar wel aandoenlijk. Hij doet zo zijn best om te begrijpen wat zijn plekje in deze wereld is. Volgens mij is hij een beetje in de war. Mensen hebben ook zoveel om over na te denken. Met mijn bij wijze van spreken ene extra hersencel heb ik het een stuk gemakkelijker.
De oude man heeft nog veel meer onderwerpen waarover hij met mij van gedachten wil wisselen. Ik blijf hier nog een paar dagen rondhangen. Daarna ga ik op zoek naar een grote koeienvla om mij voort te planten.

06 september 2009

2.Een vreemd gesprek.

De twee dagen die volgen heb ik een heerlijk leven. De bloemen in de vensterbank geven voldoende stuifmeel om mij te voeden. Aan de drollen die de hond op balkon keurig op een krant deponeert heb ik niks. Wij strontvliegen kunnen immers niet van stront leven. Daar worden wij wel in geboren en planten wij ons ook in voort, maar zonder stuifmeel en zo af en toe een andere vlieg leggen wij al gauw het loodje.
Ik ben terecht gekomen in een nijver gezin. ’s Avonds zitten vader en moeder met hun drie kinderen van tien, elf en twaalf jaar oud gezellig om een grote houten tafel en worden de gedroogde planten van takjes en blaadjes ontdaan, zodat alleen de gedroogde topjes overblijven en die worden in kleine plastiek zakjes gestopt. Er wordt gelachen en gezongen en vader vertelt spannende verhalen. Echt een leuk gezin.
Af en toe komen er mensen langs en dan krijgen zij één of meerdere zakjes met kruiden mee. Eén van hen is een goedlachse oudere man die mijn aandacht trekt. Al ruikt hij niet zo lekker als de boer waarbij ik ben opgegroeid, ik voel al gelijk een band met hem.
Wij strontvliegen hebben een oog voor zulke mensen en verblijven graag in hun nabijheid.
Als hij weg gaat, land ik zacht op zijn linker schouder. En nu zit ik bij hem thuis.

Het is avond. De man zit beneden aan tafel achter het beeldscherm van zijn computer. Zijn vriendin zit boven in haar werkkamer te naaien. Het wordt donker en de man doet de gordijnen aan de straatkant dicht. Ik waag het er op en strijk neer naast het toetsenbord.
Als de man mij ziet maakt hij een vreemd zoemend geluid. Hij doet pogingen om met mij in gesprek te komen. Aandoenlijk. Zou dit misschien komen door de kruiden die hij zo af en toe rookt? Ik weet dat de boerin ook contact had met dieren. Eens riep zij met een hoog geluid een kip bij zich die op het erf scharrelde. Het beest hield op met het zoeken naar voedsel en liep rustig naar haar toe. Toen sprong zij pardoes omhoog en landde op haar schoot. De boerin lachte vertederd, aaide haar zachtjes over haar bolletje waarna de kip tevreden haar ogen sloot. En terwijl de kip in lichte extase genoot van dit gekroel pakte zij haar opeens bij de nek. Nog voordat zij een geluid had kunnen uitbrengen had ze haar de nek omgedraaid.
Met deze kennis was ik wel wat voorzichtiger geworden.
Hoe is het met jou, vliegje? vraagt de man.
Uitstekend, antwoord ik.
De man is aangenaam verrast door mijn reactie. Hij kijkt schuw door het trappengat naar boven. Is de deur dicht? Hij heeft geen zin betrapt te worden tijdens een conversatie met een vlieg. Maar de deuren zijn boven dicht en hij kan het gesprek rustig voort zetten.
We maken kennis met elkaar. Ik heb niet veel te vertellen. Ik leef immers nog maar kort. Maar hij toont interesse in alles wat ik hem vertel en ondertussen maakt hij aantekeningen. Ik vraag hem waarom hij dat doet. Hij verklapt me dat hij af en toe wat schrijft en al heb ik dan nog niet veel meegemaakt, hij vindt het toch wel bijzonder dat wij hier samen zitten te babbelen.
Wat schrijf je dan? vraag ik hem. Ik zou over jou kunnen schrijven, is zijn reactie. Over mij?
Mijn borst begint te gloeien.
De man lacht. Het is niet de eerste keer dat er wat geschreven is over een vlieg, zegt hij. Eén schrijver, een zekere Jean-Paul Sartre had in 1943 zelfs een toneelstuk geschreven dat “De vliegen” heette. Waren dat ook strontvliegen? vraag ik. De man bekent me dat hij dat niet weet. Ik ken nog wel een liedje over een strontvlieg, zegt hij. En hij zingt:

In het land van Suriname
holadiejeejee, holadiejo
Zat een strontvlieg voor de ramen
holadiejeejee, holadiejo

Waar zat die strontvlieg naar te kijken
holadiejeejee, holadiejo
Naar een olifant die stond te zeiken
holadiejeejee, holadiejo

En die olifant die dikke donder
holadiejeejee, holadiejo


Ik onderbreek hem. Leuk, leuk, roep ik en denk “wat een flauwekul” Fijn om te weten. Kan ik je ergens mee helpen, vraag ik de man.
Zeker wel, zegt de man en schenkt zichzelf een glas water in. Eén druppel laat hij vallen op tafel. Die is blijkbaar voor mij.
Ik zoek iemand om mijn ideeën mee te bespreken. Een onafhankelijke niet goed gesocialiseerde ziel, die zichzelf een mening vormen kan over wat hem wordt voorgelegd.
Onder mijn soortgenoten komen weliswaar veel niet goed gesocialiseerde zielen voor, maar de meesten zijn niet onafhankelijk en een eigen mening hebben ze al helemaal niet. Ik denk dat jij een ideale sparringpartner bent.

Daar ben ik het mee eens, is mijn reactie
Ik bedoel, ik meen dat jij daar gelijk in hebt. Waar wil je het over hebben?
Over Godsdienst.
Ik schrik. Politiek en Godsdienst zijn juist de onderwerpen waarover je met anderen alleen maar ruzie maken kan. En als dit niet zo is en iedereen is het met elkaar eens, dan geeft dat ook een onbevredigd gevoel. Een beetje als masturberen met handschoenen aan.
Maar ik weet niets van Godsdienst, werp ik tegen.
Natuurlijk weet je daar wel wat van. Jouw God is toch de duivel, Beëlzebub, Belial of Lucifer of hoe je hem ook wilt noemen? De God van de vliegen?Ik kan het niet ontkennen. Ik hoor het niet graag, maar het is niet anders. Wij vliegen worden als zonen en dochters gezien van de vorst der duisternis. Veel begrip is er niet voor ons.
En deze mens wil met mij in gesprek. Wat een malloot.
Waar zit je mee? vraag ik hem.
Dat zal ik je vertellen, zegt de man en hij schuift wat dichter bij. Ik deins een stapje terug van zijn frisse adem en wacht af wat hij me te vertellen heeft.

05 september 2009

1.Vanuit een ander perspectief

Langs gaan bij twee bewust asociale vrienden van vroeger, die je jaren niet hebt gezien maar op een begrafenis van een gemeenschappelijke vriendin bent tegengekomen, is toch zo leuk. Ik raad iedereen geen begrafenis over te slaan. De dood brengt leven in de brouwerij. Deze keer was ik voor een etentje uitgenodigd. Mijn vorige bezoekjes waren op een verjaardag en dan zitten er ook veel andere mensen. Maar nu had ik ze helemaal voor mezelf. Voor mij alleen. En natuurlijk waren zij ook blij dat zij hun knuffeldier niet met anderen hoefden te delen.
Zij waren het die mij inspireerden tot het schrijven en ook deze keer werd ik rijkelijk voorzien van inspirerend materiaal en zoveel dope, dat ik op de terugweg in de tram bijna psychotisch werd. Ik maar zoeken naar die reep chocolade die ik natuurlijk al lang had opgegeten.
Ik sta nu wel weer voor een lastig dilemma. Ga ik net als vorige keer een serie nonsensverhaaltjes schrijven, waarin ik de verdwaalde reiziger mee neem naar sprookjesland, waar agenten en spionnen samen met mooie vrouwen, veel drank en dope de bloemetjes buiten zetten? En bedien ik mij deze keer dan van woeste planten, kleine kindertjes, dolgedraaide docenten en een maniakale paus om mijn verhaaltjes vorm te geven? Dit alles natuurlijk overgoten met een stevige doop wat, zoals sommigen wel weten, een Nederlands woord is uit de 17de eeuw, wat toen 'dikke saus' betekende.
Of zal ik de brokken schroeiend metaal die in het hersenvocht van mijn verdorven geest ronddrijven juist gebruiken om bij andere verdorven geesten het liquor cerebrospinalis in de ventrikels tot kookpunt te brengen? Geen honing maar venijn. Ik zou misschien alleen die ene lezer of lezeres over houden die het fijn vindt om een emmer stront over zich heen gekiept te krijgen. Overigens zou dat voor mij genoeg motivatie zijn om door te gaan met schrijven.

Alleen al door op te schrijven wat ik werkelijk denk zou ik anderen beledigen. Zoals zij dat ook zouden doen bij mij. Ga maar eens bij jezelf na wanneer je jezelf beledigd voelt. Is dat bijna niet altijd als iemand tegen je zegt dat jouw manier van denken en voelen niet is zoals het zou moeten zijn?
Eén van mijn favoriete schrijvers is Gerrit Komrij. Deze dappere man kan niet anders dan hele bevolkingsgroepen tegen zich in het harnas jagen. En dat alleen al door de dingen bij hun naam te noemen.
Nee, ik ben net als de vele mensen om mij heen als laffaard geboren en dat pak staat me goed. Als ik soms een heldendaad bega dan is dat per ongeluk. Je kunt niet èn held zijn en ook nog eens geliefd. Helden of mensen die hier voor door gaan laten ons voelen hoe klein wij zelf zijn en voor de vorm juichen we mee, maar het gaat ons hierbij meer om het gejuich en de sfeer (lache…, zuipe…) dan om de held. Volgens mij heb ik daar wel eens eerder over gerept. Ik besluit om het netjes te houden.

De muzen hebben vrij vanavond en daarom zal ik het zonder hun hulp moeten stellen. Laat ik bij het begin beginnen. Ik weet nog niet waar dit toe leidt, maar ongetwijfeld komen we ergens.

Het is donker. Pikdonker. Om mij heen is het een gewriemel van jewelste. Ik wriemel mee en ben op weg naar het licht. De goede God heeft het nodig gevonden om mij op aarde te zetten als een made. Een vette bleke made die straks na verpopt te zijn uit zal groeien tot een schitterende strontvlieg. Maar zover is het nog niet. Mijn lot is onzeker want vogels doen zich kwetterend en snaterend tegoed aan mijn broertjes en zusjes en als ze mij te pakken krijgen is het ook met mij gedaan. Dan ga ik weer voor honderden jaren de vergetelheid in en krijg daarna misschien een nieuwe kans.
Gelukkig is er een grote kat die zich onverwachts op de vogels stort en één van hen bij de vleugels te pakken krijgt. De anderen vliegen geschrokken op en blijven scheldend op een tak wachten tot het monster verdwenen is.
Ik heb bij wijze van spreken één hersencel meer dan de andere maden. Dit komt omdat mijn vader geboren is uit de drol van een academicus. Mijn moeder was zo’n type dat het deed met iedereen en ik ben daar later door anderen veel mee gepest. Maar ik loop hiermee vooruit op het verhaal.
Ik wriemel mij naar de rand van de mestvaalt waar zich weinig andere maden ophouden. Zo weet ik deze eerste dag te overleven.

Nu zit ik ondersteboven tegen het plafond. Ik heb heerlijk gegeten. Een beetje gesnoept van de zoete bessen die in een schaal op het aanrecht staan. En van de vla waarin deze bessen straks gegooid worden. Natuurlijk van het vlees dat op de snijplank ligt. De boerin heeft tevergeefs geprobeerd om mij dood te slaan en nu zit ik tegen een houten balk waar ik niet opval. Beneden mij prevelt de boer het avondgebed, krabbelt aan zijn zak en zegt “eet smakelijk”. De restjes zijn straks voor de hond, die kwijlend naast de tafel staat. Wat er dan nog overblijft is voor mij en mijn familie.
Deze vrome boer heeft achter in zijn kassen een enorme wietplantage. Ik weet dat, want vandaag ben ik met hem mee naar binnen gevlogen. Dat was niet zonder gevaar, want hij heeft er alles aan gedaan om de kas vrij te houden van insecten. De geur van dit alles beviel me wel. Ik besluit daarom in de buurt van deze geur te blijven.
Morgen komen ze het ophalen” hoor ik de boer tegen zijn vrouw zeggen. Wat hij hiermee bedoelt ontgaat me maar ik vermoed dat het iets met de geur te maken heeft. De boer ruikt ook zo lekker. Hij draagt de geur van vieze onderbroeken en aangekoekt zweet met zich mee. Een mix die ik onweerstaanbaar vind. Maar tegen de wietgeur kan het niet op.
De volgende dag komt er een klein bestelbusje het terrein oprijden. Er worden grote zakken met heerlijke geuren in gegooid en ik verstop me in een hoekje. Ik hoor dat ze naar Rotterdam gaan. Ik weet niet waar dit ligt want ik ben pas één week oud en ken slechts de boerderij met de stallen er om heen. Maar ik heb wel zin in de reis. Bedwelmd door de geuren en de warmte val ik in slaap en word dan met een schok wakker als de wagen stopt. We zijn op onze bestemming.

03 september 2009

Mijmeren.

Wie denkt dat ik met mijn beschrijving van de informele Buitenkunstprogramma’s een appel doe op onderbuikgevoelens moet ik gelijk geven. Ik ben daar ook niet zo fijnzinnig in. Het misverstand kan hierdoor ontstaan dat je als man maar met je vingers hoeft te knippen en de dames liggen aan je voeten of zitten op hun knieën. Nee, zo werkt dat niet. Tenminste niet altijd.
In elke kleine gemeenschap, ook al is deze tijdelijk, ontstaan de patronen die je overal tegen komt waar mensen op een kleine oppervlakte met elkaar te maken hebben. Waarom zou Buitenkunst daar een uitzondering op zijn?
Het zijn de omstandigheden die het mogelijk maken dat sommige van die patronen meer kans hebben om te ontstaan, terwijl andere patronen juist minder kans maken.
De intensiteit van de contacten, de korte tijd dat je bij elkaar bent, de leuke dingen die je samen doet, de ontspannen sfeer, de alcohol en andere genotsmiddelen en niet te vergeten de mooie nachten met zijn prachtige sterrenhemels zijn hier allemaal debet aan. En natuurlijk de behoefte aan delen met elkaar, liefde en geilheid.
Ik heb er relaties zien opbloeien en stuk zien gaan. Vreemde mensen zien gaan en mensen vreemd zien gaan. Ik heb jaloezie bespeurd en roddels gehoord, maar ook warmte tussen mensen gezien en vriendschappen zien ontstaan. Een heel scala aan menselijke emoties en gedragingen ontvouwt zich in korte tijd en soms kun je er door worden overspoeld. Dit kan zowel gelden voor prettige als onprettige emoties. Positief of negatief: Buitenkunst raakt je.

Eén dag nadat de week bij Buitenkunst is begonnen komt een vrouw het veld op rijden en zet zo’n twintig meter van mij vandaan haar tent op. Ze is groot en stevig en lijkt een ondernemend type. Drie dagen zie ik haar in haar eentje voor haar tentje zitten. Af en toe praten we wat met elkaar. Woensdag zegt ze dat ze hier voor het eerst is en dat zij hier naar toe is gegaan op aanraden van haar vrienden. Ze zit niet lekker in haar vel.
Misschien is Buitenkunst ook niet wat ik zoek, zegt ze. Ze lijkt me heel eenzaam.
Donderdag breekt ze ’s morgens vroeg haar tent af en vertrekt.


Niets is blijvend. Het is zaterdag. Ineens is het voorbij. Tenten worden afgebroken, contactgegevens worden met elkaar uitgewisseld, er wordt afscheid genomen. Een paar dagen later zit je ’s avonds achter je computer terug te blikken, foto’s te bekijken, mensen te mailen en gegevens uit te wisselen via Hyves. Je mist de mensen, je mist het vuur, de bossen en het meertje, de programma’s, je hart is leeg en vult zich soms met tranen.
Dan ontvang je onverwachts een mailtje van iemand waar je een fijn contact mee hebt gehad. Het met tranen gevulde hart maakt een sprongetje en leegt zich. Het verleden herleeft heel even en glipt dan weer door je vingers heen. Wat rest is het toetsenbord en beeldscherm.
Het dagelijkse leven eist alle aandacht op. Klusje hier, praatje daar, filmpje, etentje, werk, collega’s, vrienden, partner…
Buitenkunst is nu alleen een herinnering geworden. Mijn lichaam heeft zich hersteld van het onevenwichtige teveel en te weinig.
Ik voel me weer helemaal het mannetje. Alles heeft een goede plek in mij gekregen. Als ik nu terug kijk vormt er zich een glimlach op mijn gezicht. Ja, het waren fijne weken. Het is niet minder fijn dat ik weer verder kan met het prima leventje van nu.

02 september 2009

Laat het vuur branden.

Mochten er mensen na mijn hardcore-introductie van Buitenkunst nu gelijk willen boeken voor volgend jaar, dan wil ik hier wel even overduidelijk vermelden dat het in mijn verhaal om het informele programma ging. Voor zo’n programma hoef je je niet ergens te melden, maar je moet er wel voor zorgen dat er minimaal één ander mee wil doen. En het wordt aan je eigen creativiteit overgelaten hoe je dit doet.
De opwinding die de formele programma’s kunnen geven zijn voor velen voldoende. Nog voor elf uur liggen zij uitgevloerd in hun slaapzak. Sommigen van hen ontdekken pas tegen het eind van de week hoe gezellig het ’s avonds en ’s nachts bij het vuur is en komen de laatste avond alsnog met zakken vol marshmallows en emmers met beslag hun schade inhalen. Om de indruk weg te nemen dat zij al dit lekkers hebben meegenomen voor zichzelf planten zij enkele kinderen bij het vuur neer, die de kans krijgen om zich hiermee vol te proppen. Ook volwassenen (als je 16 jaar of ouder bent dan ben je bij Buitenkunst volwassen) laten zich niet onbetuigd. Tussen twee slokken wijn in doen zij zich tegoed aan een geblakerd stukje deeg of nog nasmeulende marshmallow.

Wil je geloven dat ik werkelijk nog nooit een vervelend incident aan het vuur heb meegemaakt? De sfeer magisch te noemen is nog te zwak uitgedrukt. Laat ik eens proberen zo’n sfeertekening neer te zetten.
Het is nu net twaalf uur geweest. De vrouw waarmee ik heb zitten praten over haar scheiding en liefde voor wandelen is al een kwartier eerder naar haar tent vertrokken.
Wat ga jij morgen doen? vroeg ze nog voordat ze weg ging. Weet ik niet, was mijn reactie. Er zijn weer zulke leuke dingen. Ik denk ‘theater’. Maar ‘dans’ klonk ook wel goed.
Hoewel er nu niet meer aan het vuur gemusiceerd mag worden omdat sommigen die slapen willen daar last van hebben, zitten twee diehards nog steeds enthousiast maar zachtjes gitaar te spelen. Zij zijn de enige twee die zijn overgebleven van het gelegenheidsensemble dat eerder die avond nog bestond uit drie gitaristen, een violist, iemand met een trekzak en een trompettist.
Alle evergreens zijn de revue gepasseerd en sommige daarvan meerdere malen. Het koor van zangers is uitgedund. Ik schat dat er nog zo’n vijftig mensen bij het vuur zitten.
Het was een lange warme dag en morgenochtend vroeg is er om half zes een voorstelling van de zigeuners. Als je deze wil zien moet je vroeg gaan slapen.
Ik staar wat dromerig in het vuur. Meer dan twee glazen wijn heb ik niet gedronken. De nacht is nog jong. Ik herken een liedje van Tom Waits en neurie zachtjes mee. De tekst wil me niet te binnen schieten.
Twee zachte maar stevige handen worden op mijn schouders gelegd. Ik weet niet van wie. Als ik mij wil omdraaien om te kijken word ik zo vastgehouden dat dit mij niet lukt.
Wie ben je, vraag ik. Ssssst, is alles wat ik als reactie krijg. Dan is het goed, mompel ik en laat mezelf eens stevig masseren. Even sluit ik mijn ogen en dreig in te dommelen. Wat heb ik een slaap en wat ben ik moe.
De handen laten los. Bedankt, zeg ik. Ik draai mij om maar mijn masseur is verdwenen.
Ik kijk naar de mensen die nog bij het vuur zitten. De gezichten op de achterste rijen blijven in het duister gehuld. Het lukt me niet om mijn weldoener te achterhalen.
Het vuur is nu zo laag dat de heldere sterrenhemel zichtbaar is geworden. Ik leun achterover en herken de staart van de Draak die een slinger maakt tussen de Grote en Kleine Beer. Cassiopeia is duidelijk te zien. Laag aan de horizon zie ik de Pleiaden. Altijd als er een heldere sterrenhemel is ga ik naar de Zeven Zusters op zoek. Zij zijn mijn vriendinnen die mij begeleiden sinds de dag dat Kennedy werd vermoord. Ik hoorde dit tijdens een avondwandeling en diep bedroeft koos ik hen als mijn gidsen voor de toekomst. Ik was toen twaalf.
In de rode gloed van het smeulende vuur wordt het steeds moeilijker om de gezichten te herkennen en ik besluit om er wat hout op te gooien. Even later schieten de vlammen hoog op. Zo hoog dat ik zelfs de mensen op de achterste rijen kan herkennen.
Goed zo vuurman, wordt er geroepen. Mensen die eerst van plan waren om naar hun tent te gaan besluiten om nog even te blijven zitten. Zo hoort het ook.
Zachtjes wordt het “Hallelujah” van Leonard Cohen gezongen. Slechts enkelen kennen de hele tekst, maar bij het refrein zingt iedereen bewogen mee.
Dan is het opeens alsof ik wakker word. De slaap en vermoeidheid zijn van het ene op het andere moment verdwenen. Ik weet dat als ik nu de stick die ik in mijn binnenzak heb zitten opsteek ik weer in elkaar zal kakken en stel dit daarom nog even uit. De nacht is jong. Er kan nog van alles gebeuren. Dat blijkt als er een jong meisje geheel onverwachts naast me gaat zitten met een fles wijn in haar hand en zegt “Zo, ik heb een slokje op en nu durf ik wel. Ik heb je de hele week al willen aanspreken. Ik voel me zo ontzettend gelukkig.” Ik zie de tranen in haar ogen en voel me overdonderd door haar openhartigheid. Even weer voel ik de genade die mij ten deel valt. De onzichtbare hand die mij zachtjes optilt en laat voelen dat ik deel uitmaak van een wonder dat zich steeds opnieuw lijkt te herhalen op die kleine plek in Drenthe, waar ook het vuur in de harten van de mensen opnieuw tot leven komt.

01 september 2009

Wat er staat is niet altijd waar en indien wel, dan is dit toeval.

Denk nu niet dat ik als docent het leven heb van een luis. Gisteren begon ik om één uur, vandaag om elf uur en morgen word ik al om half negen verwacht. Als we dit gaan extrapoleren dan sta ik overmorgen al om zes uur op de stoep.
Zo’n schooljaar komt op gang als een oude locomotief. Het duurt even voor hij op stoom is gebracht. Als hij eenmaal rijdt is het een genoegen om hem in beweging te zien.
Ik heb het ritje nu al heel wat keren gemaakt en kan er nog steeds niet genoeg van krijgen.
Morgen stappen er weer nieuwe passagiers in. Een paar van hen mag ik begeleiden op hun reis. Jammer dat de helft van hen al weer is uitgestapt voordat we het eindpunt hebben bereikt. De neiging om deze metafoor nog verder uit te melken is verleidelijk, maar ik laat het hierbij.

Om anderen, mezelf, bestaande en niet-bestaande personen die toevallig een grote gelijkenis vertonen met personen die wel of niet bestaan te beschermen tegen laster en ander ongerief, heb ik besloten om wel over Buitenkunst te schrijven, maar hierbij een loopje te nemen met de waarheid, wat niet zeggen wil dat alles wat ik vermeld niet waar zou zijn of alleen maar fantasie.
Ik veroorloof mij dus enige zo niet veel artistieke vrijheid en als toevallig een verdwaalde lezer de situatie of zichzelf meent te herkennen in wat ik geschreven heb, dan adviseer ik deze om nog eens goed na te denken en zich af te vragen of wat er staat nu echt is gebeurd. Wij weten allen dat het geheugen uiterst onbetrouwbaar is en zeker geen maatstaf voor het maken van onderscheid tussen waarheid en fantasie.
Wat er staat kan gebeurd zijn, misschien ook niet, net een beetje anders of misschien moet het nog gebeuren.
Om het gemakkelijker te maken put ik uit mijn herinnering van 25 jaar Buitenkunst en voer ik personen aan die toevallig enige gelijkenis vertonen met bestaande personen.
In die 25 jaar heb ik zoveel gezien, gehoord en gedaan dat het logisch is dat fictie en facts door elkaar gaan lopen. Nou, en? Neem bijvoorbeeld het volgende verhaal.
Ik ben zo dronken als een tor en struikel in het donker over takken en lage struiken. Ik ben verdwaald en nu dat tot mij doordringt begin ik te giechelen. Heb ik eindelijk een afspraak en ben ik voor het eerst van mijn leven uitgenodigd om een niet onaantrekkelijk wezentje van het andere geslacht midden in de nacht op te vrolijken met mijn sprankelende aanwezigheid (“Dus ik hoef je alleen maar te vragen om naar mijn tent te komen en dan doe je dat? Zo eenvoudig is het?”) of daar lig ik met mijn liederlijke fantasieën in het gras te rollen in de pikdonkere nacht omdat ik niet meer op mijn benen kan staan en ik haar tent niet kan vinden. Hier zie ik natuurlijk de humor wel van in.
Ik besluit dat ik niet kan blijven liggen en om verder te gaan. Tot mijn verbazing sta ik opeens op een veldje waar ik een tent zie die net zoveel licht geeft als een grote lamp. Hoewel ik gewoonlijk een bescheiden en teruggetrokken persoontje ben helpt de drank mij aan een passend gedragsrepertoire voor deze gelegenheid. Hier past geen twijfel maar wordt om actie gevraagd. Ik doe de tent open en zie dat er tientallen theelichtjes branden die overal langs de kant op de grond zijn gezet.
Zij ziet er stralend uit bij dit warme licht. Haar donkere krullen vallen golvend over haar welgevormde schouders. Ze lacht en doet alsof ze verlegen is. Hoe gek kun je als vrouw een man maken…Ik kijk nog eens goed. Nee, haar heb ik niet eerder overdag gezien.
Als ik niet veel later onder haar lig gaat ze als een beest te keer. Ik kan haar niet bijhouden maar zij lijkt dat niet erg te vinden. Dan komt ze klaar en word ik besproeid door haar vocht. Zoiets heb ik nog niet eerder meegemaakt. Omdat ze aan mijn gezicht ziet dat ik het niet erg vind dat zij zoveel rommel maakt gaat ze vrolijk door en komt nog een keer.
Als ze even in mijn armen uitrust zegt ze dat ze het heerlijk vindt om zo ongeremd te kunnen zijn. Ik luister naar haar vriendelijke stem en hoor hoe de ritsen van andere tenten nadrukkelijk worden open- en dichtgetrokken. Met al dit licht en haar kermen en steunen wilde zij de anderen zeker laten weten dat deze nacht haar prooi niet aan haar ontsnapt was.
Ik weet niet hoe ze heet, waar haar tent precies staat en niet hoe laat het is. Maar ik vind het welletjes geweest.. Ze smeert nog een boterham met pindakaas voor me, want ik vertel haar dat ik honger heb gekregen. Dan legt ze mij uit hoe ik bij het kruispunt met de afvalcontainers komen kan, zoent me nog eens hartstochtelijk en neemt afscheid van me. Ik heb haar daarna nooit meer gezien en zou haar op straat zo voorbij lopen als ik haar toevallig zou tegenkomen.

Wat is er nu waar van wat hier geschreven staat? Had deze vrouw bijvoorbeeld wel donker krullend haar? Of was zij blond?
Maakte zij inderdaad zoveel herrie of verzin ik dat? Ben ik misschien gewoon haar naam vergeten? Was het één boterham met pindakaas of waren het er meer. Was het wel pindakaas? Erger nog, heeft deze vrouw wel bestaan? Heeft deze gebeurtenis eigenlijk wel plaats gehad? Vragen, vragen en nog eens vragen.
Ik ben niet het type dat biechtbehoeftig is en exhibitionisme is mij vreemd. Hoewel?
Wordt vervolgd, lieve lezertjes. Als ik daar tenminste de kans toe krijg van mijn vriendinnetje.