Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

31 december 2009

Een voorspoedig en gezond 2010

Buiten is men al volop bezig met het afsteken van illigaal vuurwerk. Daar zijn portieken en halletjes van flatgebouwen natuurlijk de beste plekken voor.
De echte klappers moeten nog komen. Maar nadat ik net gelezen heb dat er jaarlijks omstreeks de jaarwisseling zo'n tachtig ogen uitgelepeld moeten worden omdat ze niet meer functioneren, heb ik besloten om net als vorig jaar met de jaarwisseling binnen te blijven. Dat is mij toen prima bevallen.
Ik heb de leeftijd wel gehad dat ik door de stinkende rookwalmen en oordovende knallen op mijn buurtgenoten afstapte om ze het beste voor volgend jaar te wensen. Je doet zoiets uit goeie gewoonte, maar eerlijk gezegd kan het mij helemaal niet schelen hoe het ze volgend jaar zal vergaan. En dat is natuurlijk wederzijds. Want zeg nou zelf, als dit en de jaarlijks barbecue het enige moment zijn, dat je elkaar langer dan drie seconden aanspreekt wanneer je elkaar tegen komt, dan hebben we elkaar al duidelijk gemaakt dat we niet in elkaar zijn geïnteresseerd. En dat is terecht.
Volgend jaar wordt waarschijnlijk gewoon weer een jaar zoals alle andere jaren en als ik daar gelijk in heb, dan mag ik niet klagen. Beter dan wij het nu hebben kan ik me niet goed voorstellen. Eerlijk gezegd kan het alleen maar minder goed gaan.
Ik heb geen goeie voornemens. Ik heb eerlijk gezegd helemaal geen voornemens. Of het moet zijn dat ik me vanaf morgen maar eens goed ga voorbereiden op de rest van het schooljaar. Alleen degenen die dit lezen: de beste wensen. Mogen sommigen van degenen die dit niet lezen èn die het ook wel zonder mijn beste wensen kunnen stellen in 2010 een keer de hoofdprijs in de staatsloterij winnen. De kans dat dit gebeurt is 100%.

And last but not least: PEER MEURKOE FOR EVER!!!!

30 december 2009

In de kroeg (3)

Twee dagen geleden was het allemaal begonnen. Ik woon in het dorpje Bedum waar, zoals bekend, de scheefste toren van Nederland staat. Er wonen ongeveer tienduizend mensen en het is mooi landelijk gelegen op nog geen half uur van de hoofdstad Groningen vandaan.
De afgelopen zeven jaar was ik directeur van de Wilgenstee, een openbare basisschool in Zeerijp. Dat is een gemeente zo’n twintig kilometer verderop.
Die avond zat ik met de mannen in mijn stamkroeg Grand Café Koning in Bedum. Vroeger at ik er ook wel eens, maar in het voorjaar is het restaurantgedeelte gesloten omdat het te weinig opleverde.
Vrijdag is de avond dat ik daar een kaartje kom leggen. Maar deze keer had ik daar geen zin in en koos ik er voor om mijn biertjes aan de toog leeg te drinken.
Iedereen was er. Arie De Bok zat samen met Tom Akkerman, Gerard Boele en Ingetje Abbenbroeck te klaverjassen. Ingetje had voor deze keer mijn plaats ingenomen.
Aaltje Kaag zat met haar vriendinnen Lijntje de Heer en Hendrikje Hoek de dag van haar huwelijk door te nemen. Iedereen wist dat ze volgende week donderdag zou gaan trouwen. Daar had ze wel voor gezorgd. Met die Aaltje heb ik nog een blauwe maandag verkering gehad. Maar dat is al weer jaren geleden.
Verder zag ik een onbekende oude man met lange grijze haren en dito baard met zijn zoon aan een tafeltje zitten; de ouwe achter een pintje en zijn zoon achter een glas limonade.
Ik kan niet zo goed tegen alcohol en de acht biertjes die ik op had, hadden me in een melancholieke stemming gebracht.
Ik zag hoe Arie op Ingetje zat te schelden, die schichtig en met een bang lachje mijn kant opkeek. Hoe kun je met zo’n kaart passen, hoorde ik hem verwijtend roepen.
Anton, riep Arie. Heb je echt geen zin om te spelen? Ik schudde mijn hoofd.
Waarom zeg je niet gewoon wat er aan de hand is, sprak Gerard. Zo erg kan het toch niet zijn?
Ze gaan de school sluiten, zei ik huilend en de tranen liepen langs mijn wangen.
De mannen en Ingetje keken elkaar aan en toen weer naar mij.
Gaan ze de school sluiten? zei Ingetje en ze kwam naar me toe. Ik had niet in de gaten dat mijn opmerking de belangstelling getrokken had van de jongen die in het gezelschap was van de oude man. Ingetje sloeg haar arm om mij heen. Zit je jezelf daarom te bedrinken Anton? vroeg ze me. En waarom gaan ze de school sluiten als ik vragen mag?
Omdat er te weinig leerlingen zijn, antwoordde ik haar.
Je moet niet huilen Anton, zei ze en ze droogde mijn tranen met een zakdoek. Maar wat erg, zeg. Wie heeft je dat gezegd?
Vanmorgen iemand van het ministerie. Als ik na de zomervakantie niet veertien nieuwe leerlingen er bij heb, dan moeten de deuren dicht.
Het leven is hard, zei Ingetje en ze gaf me een kus op mijn wangen. Weet je zeker dat je niet wil kaarten met de jongens? Ze boog zich naar mij toe en fluisterde Die Arie zit de hele tijd op mij te vitten, maar hij kan er zelf ook niets van.
Mijnheer. Het was de jongen, die naar mij toe was gelopen. Wat is er?, vroeg ik hem.
Bent u leraar?
Nog wel, jongen. Nog wel. Ik keek hem eens aandachtig aan. Nu pas viel mij de ernstige blik op in zijn ogen. En wat was zijn huid bleek. Vreemd, want de afgelopen twee weken had de zon volop geschenen. En ook vandaag was de temperatuur boven de dertig graden geweest. De eerste dag van de vakantie was, althans wat het weer betreft, niet slecht begonnen.
Als u nog een baan zoekt, dan moet u maar contact opnemen. Maar wacht u niet te lang. En tot verbazing van Ingetje en mij gaf hij mij een kaartje, waarop een telefoonnummer stond.
Het spijt mij dat ik u heb gestoord, zei hij en vervolgens draaide hij zich om en liep door de openstaande deur naar buiten. Ik begreep nu pas dat de oude baas blijkbaar niets met hem te maken had.
Dat was vreemd, zei Ingetje en ik knikte. Je hebt gelijk, zei ik. Maar eigenlijk is het vandaag helemaal een vreemde dag en daarom is alles normaal. En toen viel ik van mijn kruk af.

29 december 2009

Te vroeg, op tijd of te laat. (2)

Omdat ik geen aanstalten maak om op te staan, komt zij achter haar bureau vandaan en loopt op me af. Ben je doof? gilt ze en trekt aan mijn mouw. Het is blijkbaar de bedoeling dat ik nu alsnog opsta en timide op de houten keukenstoel ga zitten. Maar ik heb me hersteld van mijn aanvankelijke verbijstering en blijf zitten waar ik zit. Nog eenmaal trekt ze aan mijn mouw, maar het is niet overtuigend. Dan laat ze los en kijkt me met grote vochtige blauwgrijze ogen aan. Waarom doe je niet wat ik je zeg? vraagt ze nu met een zachte stem.
Zuchtend gaat ze weer op haar stoel zitten.
Zoals je wilt. Maar je maakt zo geen goede beurt bij mij. Vergeet dat niet. Ik hou er niet van als anderen niet doen wat ik zeg.
Ik neem haar zwijgend in mij op. Ze heeft net zo’n ernstige blik in haar ogen als de jongens en meisjes waarvan de portretten in de gang hangen.
Wel? zegt ze na een korte stilte. Wel wat? vraag ik haar.
Heb je niets te zeggen? Of heb ik hier voor niets op je zitten wachten? Waarom ben je zo laat?
Ik kijk op de middelste van de drie klokken die boven haar hoofd hangen. De wijzers geven aan dat het twaalf uur is. De klok rechts staat op drie uur en de klok links op negen uur. Ik pak mijn zakhorloge maar weer eens. Tot mijn verbazing zie ik dat ik tien minuten te vroeg ben. Maar dat kan niet. Zo-even was ik nog vijf minuten te vroeg, maar dat is zeker twintig minuten geleden.
Volgens mijn horloge ben ik te vroeg, zeg ik aarzelend. Ik laat haar het horloge zien. Ze kijkt er aandachtig naar. Hij geeft een andere tijd aan dan de klokken, zegt ze. Of de klokken lopen niet goed of jouw horloge. Jij mag het zeggen. Ze kijkt me triomfantelijk aan.
Haar opmerking heeft me in de war gebracht. Ik weet niet zeker meer of mijn horloge goed loopt. Van de klokken kan er maar één de juiste tijd aangeven. Het zou nu in de buurt van elf uur ’s morgens moeten zijn.
De klokken lopen in ieder geval verkeerd, zeg ik. Ze geven alle drie een andere tijd aan.
Als de klokken de verkeerde tijd aangeven wil dat nog niet zeggen dat jouw horloge de juiste tijd aangeeft, zegt ze. Opnieuw heeft ze die triomfantelijke blik.
Haar spelletjes beginnen me te vervelen. Daarom negeer ik haar opmerking en zeg
Ik kon de deur niet vinden. Je kon de deur niet vinden? Ze kijkt me verbaasd aan. Waren er dan nog andere deuren?Er is volgens mij maar één deur. Nog nooit heeft iemand deze deur niet kunnen vinden. Je wilt me toch niet zeggen dat je onderweg naar hier verdwaald bent?
Ik denk terug aan de eindeloos lange gang die ik heb afgelopen om hier te komen. De wanhoop die ik voelde omdat er maar geen einde aan leek te komen. De paniek die ik voelde opkomen toen ik ontdekte dat ik nog maar vijf minuten had.
Niemand had me gezegd dat de gang zo ontzettend lang zou zijn, zeg ik. Je kunt niet beweren dat ik niet mijn best heb gedaan om hier op tijd te zijn. Volgens mij weet jij ook niet hoe laat het is.Ik zie dat ze bleek wordt. Blijkbaar heb ik iets verkeerds gezegd. Of een gevoelig onderwerp aangeroerd. Kun jij wel klok kijken? vraag ik haar.
Ze slaat haar handen voor haar ogen. Ik wil het niet horen, zegt ze en ze herhaalt deze woorden in een steeds sneller tempo.
Je moet je handen voor je oren doen als je het niet wilt horen, zeg ik haar.
Ik heb nog nooit iemand zoals jou ontmoet, zegt ze. Je luister niet naar me, je bent brutaal en je denkt dat ik niet kan klok kijken. Heel even is ze stil en staart in gedachte naar de tekening die ze aan het maken was. Ik zie een heuvelachtig landschap met korenvelden, een stralend zonnetje, een molen en een rivier. Aan de horizon trekken wat wolken voorbij.
Wat een mooie tekening, zeg ik naar waarheid om de stilte te verbreken. Vind je hem mooi? zegt ze verrast. Dat is aardig van je. Je hebt gelijk, ik kan niet klok kijken. Maar als ik je in dienst neem, wil je het me vast wel leren.Haar stem klinkt weer zakelijk. En herinnert mij er aan waarom ik hier ben.

28 december 2009

De afspraak (1)

Ik loop met grote passen de donkere lange smalle gang door, waarvan het eind niet is te zien. Mijn voetstappen worden gedempt door de rode loper die over de hele lengte van de gang is uitgelegd. Uit de plafonnières, die om de tien meter tegen het plafond zitten, komt een vaag geel licht. Portretten met ernstig kijkende gezichten van jongens en meisjes hangen aan beide zijden aan de muur, maar ik neem niet de tijd om ze goed te bekijken.
Op mijn zakhorloge zie ik dat ik nog vijf minuten heb. Nergens is een deur te bekennen. Ik versnel mijn pas. Een lichte paniek overvalt me. Straks kom ik nog te laat.
Even krijg ik het gevoel alsof er iemand achter me aan zit en kijk ik achterom. Maar de kaarsrechte gang is leeg en verdwijnt in de verte in het duister, net als het stuk dat voor me ligt. Als ik om de een of andere reden per ongeluk de andere kant uit zou lopen, zou ik dit niet eens in de gaten hebben.
Ik ben nu toch zeker tien minuten onderweg. Dat komt overeen met ruim een kilometer.
Hoe ver is het nog? Loop ik wel goed? Ik durf er niet aan te denken dat ik misschien de verkeerde gang genomen heb. Ik versnel mijn pas nu tot een lichte draf.
De lucht in de gang voelt kil aan, maar desondanks loopt het zweet langs mijn gezicht.
Ik hijg. Mijn benen voelen zwaar en lijken niet vooruit te komen. Het lijkt wel of mijn voeten bij elke stap dieper wegzakken in het pluche. Ik stop. Dit is zinloos. De vijf minuten zijn nu toch voorbij.
Ik veeg het zweet van mijn gezicht en loop in een rustig tempo verder. Haasten heeft geen zin meer. Dan zie ik, op nog geen twintig meter van mij vandaan, de deur.
Verrast en opgelucht dat ik bijna op mijn bestemming ben aangekomen, loop ik langzaam op de deur af. Het is een enorme donkere eikenhouten deur, zo breed en hoog als de gang, versierd met fijn besneden lijstwerk.
Ik duw hem voorzichtig open en zie een helder verlichte ruime kamer, waar achter een groot houten bureau een meisje zit met blonde krullen. Ik schat haar niet ouder dan twaalf. Ze draagt een lichtblauw mantelpakje en heeft een strik in het haar van dezelfde kleur.
Ze lijkt helemaal op te gaan in waar ze mee bezig is en kijkt pas op als ik voorzichtig kuch om haar aandacht te trekken.
Zo, daar ben je eindelijk, zegt ze gedecideerd. Kom binnen en ga zitten.
Verbaasd dat ik zo door haar wordt aangesproken stap ik de kamer binnen en laat me zakken in een van de twee ruime comfortabele stoelen die er voor het bureau staan.
Als door een wesp gestoken schiet het meisje overeind. Niet op die stoel, schreeuwt ze. Ze wijst op een houten keukenstoel die tegen de muur staat. Die stoel!

27 december 2009

Jaarwisseling

De kerst zit er weer op. De vakantie gelukkig nog niet.
Het rode met vetvlekken besmeurde kerstkleed heb ik zo-even van tafel gehaald; de vele kerstkaarten en de kunstboom laten we tot na de jaarwisseling staan.
Niemand zal echt geïnteresseerd zijn hoe ik de kerstdagen heb doorgebracht, dus daar zal ik het verder niet over hebben.
Kerstmis brengt vrienden, familie en geliefden samen, al is het niet in het echt, dan toch wel in gedachten. Je hoeft geen christen te zijn om hier in mee te kunnen gaan. Maar de door de commercie op kunstmatige wijze gevoede gevoelens en verwachtingen komen niet altijd overeen met de werkelijkheid.
Als 18-jarige heb ik eens een wereldreis afgeslagen omdat ik met de kerst thuis wilde zijn. Zover ik mij herinner was het een waardeloze kerst en van een wereldreis is het nooit meer gekomen. Spijt dat ik heb gehad. Laat dit een waarschuwing zijn voor degenen die niet voldoende de tijd nemen om te luisteren naar de stem van hun eigen hart en in plaats daarvan luisteren naar de stem van anderen. En wat mij betreft is dit niet alleen van toepassing op het kerstfeest.
Over een paar dagen ga ik weer oliebollen en appelflappen bakken. Niet teveel, want we zijn maar met z’n tweeën. Klokslag 12 uur trek ik een fles champagne van een goed merk open (demi-sec, want deze vind ik lekkerder dan brut) en proosten we op het nieuwe jaar. Na de telefoontjes van onze kinderen, die de jaarwisseling met hun vrienden vieren, drink ik vervolgens de fles in mijn eentje leeg. Paula kan niet zo goed tegen alcohol en heeft aan een half glaasje champagne voldoende. Ik kan er ook niet zo goed tegen en word er ook dronken van, maar ik vind champagne wel heel erg lekker en ik krijg er gelukkig geen kater van.
Dus als zo velen ga ik 2010 in met een dronken kop.
Anyway, het is nog niet zo ver. Maar omdat ik het anders straks toch vergeet: wie deze woorden leest wens ik het allerbeste toe voor 2010. Maak er weer een leuk jaar van. Het is je in 2009 gelukt, dus waarom niet in 2010? En alsjeblieft, maak geen goede voornemens. Het is je in 2009 niet gelukt om je er aan te houden, dus waarom zou het in 2010 anders zijn?

26 december 2009

Waar zijn de auto’s gebleven?

Vandaag ga ik samen met mijn mentor Ulas, gezegend zijn naam, naar een tentoonstelling over auto’s. Er is mij beloofd dat ik zelf even achter het stuur van een auto mag zitten en dan de auto mag starten. Er worden slechts duizend mensen toegelaten en ik weet dat onze gouverneur tot één van hen behoort. Misschien heb ik wel het geluk om hem tegen te komen.
Zonder de blauwe chip van Utgor, die ik als beloning van hem gekregen heb, omdat ik er in geslaagd ben om de sleutel tot level 6 van Kratorion te vinden, had ik net als iedereen deze unieke tentoonstelling alleen maar kunnen zien via de holo. Maar er gaat toch niets boven het echte werk.
Ik ben op zoek gegaan naar informatie over auto’s, maar behalve een aantal reclamefilmpjes die ik kon bekijken in het stadsarchief heb ik niets gevonden. Er schijnt wel veel informatie te zijn, maar die is ontoegankelijk gemaakt.
Op de holo van het stadsarchief zag ik hoe deze voertuigen in die tijd tot onvoorstelbare prestaties in staat waren.
Met een snelheid van meer dan 120 kilometer per uur reden ze over brede wegen, die de steden van toen met elkaar verbonden, door weer en wind naar hun bestemming toe.
In een filmpje zag ik blij lachende mensen, een man, een vrouw en twee onvolgroeide mensjes, die met elkaar in een auto zaten en door de mooiste landschappen heen reden.
Je kon zien dat de wereld er toen beter uit zag dan nu.
Overal waar mensen met een auto kwamen werden zij door andere vriendelijk lachende mensen welkom geheten. Het hebben van een auto was blijkbaar heel bijzonder.
Auto’s reden de hele wereld over. Ze waren toen vooral handig als je er mee op vakantie wilde gaan.
In die tijd werkten de mensen namelijk heel het jaar, maar soms mochten ze hier enkele weken mee stoppen. Ze hadden dan ‘vakantie’, zeg maar een aantal dagen dat zij niet hoefden te werken. In de reclames zag ik dat zij dan vaak naar de zee toe gingen (echt waar!) en daar aangekomen een plekje zochten waar zij in de zon konden liggen met elkaar.De straling van de zon was toen nog gezond, vermoed ik.
Ook in de steden zelf waren auto’s erg handig voor het doen van boodschappen. Men ging toen naar gebouwen die winkels werden genoemd en waar de spullen in rekken waren opgestapeld. Toen alle boodschappen voortaan rechtstreeks van de bron via het teletransportsysteem bij de mensen thuis konden worden bezorgd en de winkels hiermee overbodig waren geworden, werden de auto’s uit de steden geweerd. Ad acta.
De paar mensen die toen op de wereld leefden waren vrij om overal naar toe te gaan. Het klinkt alsof ik dit verzonnen heb, maar ik heb dit zelf in de filmpjes gezien. Uitgestrekte stranden met slechts enkele mensen, lege wegen, bijna lege steden. Wat was er toen nog ruimte voor iedereen. Als ik toen had geleefd had ik vast ook een auto gekocht.

23 december 2009

Gedicht

Vandaag maak ik eens een gedicht.
Niet al te moeilijk of te zwaar, maar juist heel erg licht.
Het onderwerp is onbelangrijk en doet niet ter zaken
Ik schrijf deze keer slechts om mezelf te vermaken.

Het eerste couplet was eenvoudig en had ik zo klaar
En het maken van het tweede was ook niet zo zwaar
De inhoud is ondergeschikt aan de letters en klanken
Wat staat dit toch mooi, ik kan haast wel janken

Het tweede couplet zei als opmaat tot het derde niet veel
Maar dat komt omdat ik op mijn eigen wijze met de woorden speel
Tenslotte schrijf ik dit alles alleen voor mijn eigen plezier
gewoon wat rijmende woorden en niet eens op papier

Van enige zinvolle inhoud is tot nu toe niet veel sprake
Maar ook zonder dat is er iets moois van te maken
Wat is het toch fijn om zo met klank en ritme te spelen
Maar ik stop er nu mee voordat het mij gaat vervelen

22 december 2009

Monodialoog.

Jij kan makkelijk praten. Het klinkt als een verwijt en zo is het ook bedoeld. Ik lees je stukjes wel eens op je weblog en ik heb inmiddels wel door wat voor iemand jij bent.
Ik haal mijn schouders op. Is dat dan zo belangrijk? vraag ik.
Natuurlijk. Eerst nam ik je verhaaltjes en commentaren nog serieus. Die jongen heeft er kijk op, dacht ik. Maar inmiddels weet ik wel beter. Je bent gewoon een pedant, seksbelust kereltje, dat niets en niemand serieus neemt. Hoe kun je dan verwachten dat anderen jou wel serieus nemen?
Anderen? Wie zijn dat? Dit weblog wordt echt niet door zo veel mensen gelezen. Ik heb zegge en schrijve één fan, die mijn stukjes pas leest als hij beneveld en niet al te kritisch is. En daarnaast zijn er leerlingen en oud-leerlingen die er wel eens een blik op werpen, maar in de eerste twee zinnen moeten geen moeilijke woorden staan, want dan haken ze gelijk weer af.
Dat bedoel ik nou. Je kunt wel merken dat je voor de klas staat. Wat beeld je jezelf eigenlijk wel in?
Mij hoor je niet zeggen dat ik mezelf pedant vind. Dat zijn jouw woorden. Het is bovendien een feit dat mijn leerlingen zich laten afschrikken door moeilijke woorden en lange zinnen. Niemand heeft ze geleerd om in dat geval een woordenboek te raadplegen of de zin nog maar eens rustig over te lezen. Bovendien zijn er veel leukere dingen dan het lezen van mijn weblog.
Een seksbelust mannetje ben je anders wel.
Seksbelust? Je bedoelt geil. Ach, dat is maar bij vlagen. Het heeft ook geen zin om dit te ontkennen. Het is verder niet zo bijzonder. Ik schrijf er toevallig zo af en toe over. Zo tussen twee ejaculaties in. Anderen zijn er weer op hun manier mee bezig. Ik kan niet eens zo openhartig zijn als ik zou willen. Fantasie en feiten gooi ik daarom maar het liefst door elkaar. Anderen moeten dan zelf maar bepalen wat ze er van willen geloven.

En hoe zit het dan met je drugsgebruik? Je wilt toch niet beweren dat je daar ook over fantaseert?
Nee, ik doe daar in ieder geval niet moeilijk over. ’s Avonds voor het naar bed gaan neem ik graag een blowtje. Als ik mezelf hierna niet in de hand hou dan vreet ik achter elkaar de koekjestrommel leeg, als ik dat tenminste de avond er voor al niet heb gedaan. Vooral voor chocola moet ik dan uitkijken. De volgende ochtend heb ik dan van die kleefpoep en ik verzeker je dat dit niet zo prettig aanvoelt.
Ik heb nu ook weer veel te veel zoetigheid in huis gehaald voor de feestdagen. Ik baal er daarom wel van dat het zo heeft gesneeuwd. Als ik ren dan raak ik mijn pondjes wel kwijt, maar dat is nu niet het geval. Al weet ik mijn gewicht mooi op vijfenzestig kilo te houden.
Morgen ga ik toch proberen om een uurtje te rennen. Ik mis mijn ‘runners high’. Ja, ik ben verslaafd aan de endorfine die mijn lichaam aanmaakt tijdens het rennen. Van de nicotine en de alcohol kan ik gemakkelijk afblijven. Soms gaan er maanden voorbij zonder dat ik blow en ook geen druppel alcohol drink. Stoppen, even omschakelen met mijn nachtrust en binnen enkele dagen functioneer ik weer zoals ik wil. Mijn omgeving denkt dat ik dan last heb van ADHD, maar dat komt omdat mijn basisenergieniveau erg hoog is.

Toch kan die troep niet goed voor je zijn.
Dat zal ik niet ontkennen. Beter voor mijn lichaam en natuurlijk ook voor mijn geest zou het zijn om niet te blowen, niet te drinken en matig te zijn met het gebruik van vlees.
Ik heb nooit de behoefte gehad om superman te worden en als ik zowel naar mijn lichamelijke als mijn geestelijke gezondheid kijk, dan mag ik niet klagen. Al jaren geen dokter gezien, misschien drie paracetamolletjes geslikt in de afgelopen vijf jaar en nog steeds een overtuigd agnost. Ik bedoel, hoe geestelijk gezond ben je als je in de bijbel, thora of koran gelooft? Het is nu eenmaal onmogelijk om het bestaan van hogere machten aan te tonen of te ontkennen. Ik mag graag degenen op de hak nemen die slaafs hun gebeden opzeggen zonder zich ooit echt in een Godsbestaan te hebben verdiept. Ik heb mystieke ervaringen genoeg gehad en nog dagelijks kan ik sprakeloos zijn van mijn eigen nietigheid in een zo groot onvatbaar universum. Het Boeddhisme spreekt me meer aan.


Het vermijden van al het foute gedrag,
Het ondernemen van het goede,
En het ontwikkelen van je eigen geest;
Dit is de leer van de Boeddha's.

Ik heb toch nog steeds het idee dat je niets of niemand serieus neemt.
Dat heb je goed gezien. Voor de vorm moet ik wel doen alsof, maar kijk nu eens goed; al die mensen die ons willen laten geloven dat ze zo bijzonder zijn, zijn toch net zulke stakkers als jij en ik.
Politici, popsterren, wetenschappers, schrijvers, (k)unstenaars….Je zou eens bij jezelf na moeten gaan waarom je hen zo bijzonder vindt. Je komt er dan achter dat dit allemaal pure projectie is. Jouw mening en die van mij zijn niet belangrijk. Hun mening ook niet.
Ik moest zo lachen toen ik hoorde dat men teleurgesteld was over de resultaten die bij de milieutop in Kopenhagen waren bereikt. Wat had men anders verwacht? Zijn de mensen nu werkelijk zo onnozel als ik vaak denk? Ja, jij zult dit wel weer pedant van me vinden, maar we zullen nu eenmaal met elkaar de harde les moeten leren die volgt uit de manier waarop wij al eeuwen lang onszelf, anderen en de aarde verwaarlozen. Daar is vrees ik geen ontkomen aan.
Ik hoop dat de overlevenden hierna genoeg gemotiveerd zijn om het niet alleen anders, maar ook beter te doen.

Oh, ja. Ik was vergeten te zeggen dat ik je ook een onverbeterlijke pessimist vind.
Dat klopt. Dat ben ik ook. Ik schrijf dat telkens weer. Onze hele programmering is er op gericht dat wij het op korte termijn steeds beter krijgen. En daarvoor moeten wij onze omgeving manipuleren. Sommigen geven de voorkeur aan het woord ‘beïnvloeden’, maar dat klinkt mij te bewust. Alsof wij weten wat goed voor onszelf is.
Heel onze communicatie met anderen is er op gericht anderen voor onze karretjes te spannen. Ik zeg niet dat dit verkeerd is, ik zeg dat je hier rekening mee moet houden. Onze evolutionaire bagage helpt ons kijken tot aan de horizon en niet daar achter. En dat breekt ons telkens weer op. We willen teveel in een te korte tijd met te weinig middelen en we weten niet eens precies wat we willen. Zie hier het menselijk dilemma in een notendop.

Je geeft dus toe dat je eigenlijk niet deugt?
Ik geef niets toe. Jij moet zelf maar uit mijn weblog opmaken of jij vindt dat ik deug.
Je bent in ieder geval hopeloos.
Misschien, maar mag ik nu ook eens wat over jou zeggen?
Ga je gang.
Ik vind dat je er erg leuk uitziet. Je commentaar op mij heeft me wel een beetje opgewonden.
En?
Eh…, zullen we samen een blowtje nemen en dan naar bed met elkaar gaan?

21 december 2009

Beste Kerstman,

in deze tijd wordt u natuurlijk weer overspoeld met verzoekjes om een borstcorrectie, liposuctie, penisvergroting of vaginacorrectie. Ik zal u er niet mee lastig vallen. Ik geef toe dat ik vorig jaar teleurgesteld was toen u mijn verzoek om een penisvergroting afwees. U vond zeventien centimeter lang genoeg en pas nadat ik een en ander met enkele van mijn vrienden had besproken begreep ik dat ik niet zo slecht was toebedeeld als ik had gedacht.
Maar ik was in de war geraakt door al die sterke verhalen die ik had gehoord, waarin twintig centimeter nog gezien werd als aan de kleine kant.
Nee, dit jaar zou ik graag van u de inspiratie willen krijgen voor het schrijven van een goed verhaal. En het geeft niet hoe u mij deze inspiratie wilt bezorgen. Een toevallige ontmoeting, een inspirerend gesprek, een mooi stukje muziek. U ziet maar. Het liefst op een luchtige manier, want op inspiratie die ontstaan is naar aanleiding van een vervelende gebeurtenis zit ik niet te wachten. Ik weet wel dat veel mensen die schrijven zich laten inspireren door gewone alledaagse dingen. Zoals een partner die dood gaat aan kanker, een onopgeloste moord, honger, seks, oorlog en meer van die dingen. En sommigen komen zelfs tot het schrijven van een bestseller door deze inspiratie. Maar zover gaat mijn ambitie niet. Nee, laat u mijn partner nog maar even leven, met moorden wil ik niets te maken hebben, met honger al helemaal niet, van seks krijg ik nooit genoeg, oorlog lijkt mij vreselijk en ik heb liever niet meer maar minder van die dingen, seks uitgezonderd.
Ik ken mijn beperkingen en om te proberen hier boven uit te stijgen kost mij teveel moeite. Ik ben namelijk enorm lui en elke letter die ik tot een woord aaneen weet te rijgen is er weer één.
Spulletjes, hoe mooi ook ingepakt en hoe goed ook bedoeld, zijn niet welkom. Natuurlijk zal ik mij dankbaar tonen bij het uitpakken van de vele cadeautjes die ik krijg. Ik verwacht dit ook van de anderen met wie wij thuis het kerstfeest vieren. Dat zijn nu eenmaal de spelregels.
Maar wat voor zo velen om mij heen geldt, geldt ook voor mij. De kasten puilen uit. Van alles is er teveel en al schijnt het goed voor de economie te zijn, dat betekent nog niet dat het goed voor de mens is. En dit brengt mij gelijk op het volgende punt. Zou u in uw goedheid de mensen voortaan minder dingen en meer ideeën willen geven. Deze nemen sowieso al minder ruimte in en ik denk dat u hen er meer plezier mee doet. Ik ken mensen die nog nooit één idee hebben gehad. Onvoorstelbaar, hè?
Liefde mag natuurlijk ook. Graag zelfs. Maar al bent u iemand die bekend staat als goedgeefs, van liefde heeft u volgens mij geen kaas gegeten. U bent meer het oppervlakkige lang leve de lol type, die genegenheid koopt door cadeautjes weg te geven. Daarom verwacht ik niet dat u liefde zult geven. Maar als u de liefde in de mensen wakker zou kunnen maken dan zou ik dat nog veel mooier vinden.
Beste Kerstman, ik wilde u niet in verlegenheid brengen. Ik weet dat u uw best doet en dat wat er niet in uw zak gestopt is er ook niet uit kan komen. Maar misschien wilt u eens nadenken over mijn verzoek. Als het dit jaar niet meer kan, dan misschien volgend jaar.

20 december 2009

Het begon te sneeuwen

Het was vlak voor midwinter en het had een paar dagen flink gevroren. In Haaksbergen werd de eerste marathon op natuurijs gereden en ook in andere plaatsen haalde men de ijzers alvast uit het vet. Met twee weken vakantie voor de boeg keek men vol verlangen uit naar de ijspret die was beloofd. Schaatsenslijpers draaiden overuren. Handelaren die schaatsen verkochten deden goede zaken.
Toen begon het te sneeuwen. Eerst dwarrelde er argeloos hier en daar een enkel vlokje naar beneden, dat door de wind plagerig werd opgetild zodat het leek of het een dansje maakte. Verrukt probeerden kleine kinderen zo’n vlokje te vangen, maar als ze dit dan was gelukt en ze hun vangst aan anderen wilden laten zien, was er van het vlokje slechts een vochtig spoortje in hun handen achter gebleven.
Weldra vielen de vlokken in groten getale naar beneden. Omdat het zondag en nog vroeg in de ochtend was bleven de meeste mensen binnen. Van achter het raam keken ze toe hoe een steeds dikker wordende laag sneeuw binnen enkele uren de trottoirs en straten bedekte.
Het KNMI en de ANWB gaven een weeralarm af. Iedereen die niet de weg op hoefde te gaan of de trein moest hebben, werd aangeraden om thuis te blijven. Zo ging de dag voorbij en toen de schemering van de avond in viel sneeuwde het nog steeds.
Tot ieders verbazing bleef de sneeuw ook ’s avonds en ’s nachts vallen. Pas toen het er maandagmorgen naar uit zag dat het sneeuwen voorlopig niet zou stoppen, begon men zich ongerust te maken. Waarom hield het niet op met sneeuwen?, vroeg men zich af.
Op het nieuws werden beelden vertoond van kilometers lange stilstaande files. Het treinverkeer was volkomen ontregeld. De bussen werden door de vervoersmaatschappijen in de garage gehouden. Op diverse plaatsen was de stroom uitgevallen en daarmee ook de verlichting en verwarming.
Volgens het KNMI kwam er voorlopig geen eind aan de sneeuw. Op de buienradar was Nederland geheel verdwenen onder een aaneengesloten front van sneeuwbuien.
In de dagen die volgden bleef de sneeuw gestadig vallen en werd de samenleving steeds meer ontregeld. Bedrijven sloten de deuren. Winkels raakten door hun voorraden heen. Ondanks dat men verwoede pogingen deed om de stroom weer aan te sluiten, waren er steeds meer plaatsen waar de stroom uitviel. Mensen zaten met hun jassen aan op de bank in hun huizen te koukleumen. De dappere wijkzusters slaagden er in veel gevallen niet meer in om hun patiënten te bereiken en moesten hen vaak aan hun lot overlaten. Natuurlijk werd al snel besloten om het leger in te zetten, maar zelfs dat had niet tot gevolg dat er een einde kwam aan de misère. Van een kerstsfeer was nergens wat te bekennen, zo was men bezig om het hoofd boven water te houden. Degenen die nog wel over stroom beschikten, zagen op TV hartverscheurende taferelen van gezinnen die met holle ogen zichzelf warm probeerden te houden. Velen waren in slechts enkele dagen door hun voedselvoorraden heen en in de winkels was niets eetbaars meer te krijgen. Al snel eiste het barre weer zijn eerste slachtoffers onder de vooral wat meer kwetsbare bevolkingsgroepen. Ouderen en zieken waren aan zichzelf overgeleverd en zonder elektriciteit en verzorging was het onvermijdelijk dat zij door gebrek aan medische hulp, van de kou of door ondervoeding zouden sterven, wat tot ontzetting van velen inderdaad gebeurde.
Ook in de landen om ons heen had de sneeuw de samenleving volledig ontregeld. Van hen was geen hulp te verwachten. De regering noemde de zaak ernstig, maar sprak geruststellende woorden, waarin zij tevergeefs trachtte de schijn op te houden dat zij alles onder controle had. Kerstmis kwam en ging voorbij. Net als de jaarswisseling. Het sneeuwde nu bijna twee weken en op sommige plekken kwam de sneeuw boven de dakranden uit. De weersverwachtingen bleven onverminderd slecht.

Ik zit hier op mijn zolder en kijk door het raam naar buiten. De schuur in de tuin is verdwenen onder de sneeuw. Het lijkt of alle huizen in de straat gekrompen zijn. Gelukkig hebben we nog stroom en voldoende te eten. Eerlijk gezegd kunnen we het met elkaar nog wekenlang uithouden. Onze kinderen hebben ons telefonisch laten weten dat wij ons geen zorgen hoeven te maken. Ze redden zich blijkbaar wel.
Onze buren heb ik al weken niet gezien of gehoord. Net als wij zijn ze ingesneeuwd en kunnen ze niet naar buiten. De school waar ik les geef is tot nader orde gesloten en ook de thuiszorg ,waar Paula werkt, heeft de deuren dicht gedaan.
Hoewel het nog steeds sneeuwt, denk ik dat we het ergste achter de rug hebben. Dit kan zo niet langer door gaan. Wetenschappers vermoeden dat het ongewone weer het gevolg is van de klimaatsverandering. Misschien hebben ze gelijk; ik weet het niet. Over twee maanden begint de lente. Als straks de sneeuw gaat smelten verwacht ik dat dit tot veel overlast zal leiden.
De kou zal de ontbinding van de vele slachtoffers die in hun woning liggen nu nog vertragen. Nergens nog kun je de stank van lijken ruiken, ook al weet iedereen dat het er vele duizenden moeten zijn. Als straks de dooi inzet wacht ons de taak om de rommel op te ruimen en opnieuw te beginnen. Misschien slagen we er in om dergelijke rampen in de toekomst te voorkomen. Maar mensen zijn kortzichtig en hardleers. Veel reden voor optimisme is er daarom niet. Naast me ligt een stapel survivalgidsen. Ik vrees dat dit mijn favoriete lectuur gaat worden.

19 december 2009

Lang, lang geleden…

Zo’n tweeduizend jaar geleden woonden er eens in een land hier ver vandaan een herder met de naam Jozef en een herderinnetje dat Maria heette. Zij waren op hun ezel Joachim van Nazareth in Galilea naar Bethlehem in Judea toe gegaan, omdat zij gehoord hadden dat daar De Verlosser geboren zou worden. Doodmoe van de lange reis zochten zij te Bethlehem naar onderdak. Het was een koude winternacht en het firmament vibreerde van myriaden twinkelende sterren. Omdat zij geen geld hadden voor een herberg, besloten zij om ergens in een stal te gaan slapen. Maria was hoog zwanger en wist dat zij deze nacht zou gaan bevallen. Want dat had zij in de bijbel gelezen.

Het kind dat geboren zou worden was niet verwekt door Jozef. Dat kon hem ook niet schelen, want hij was een aardige homoseksueel, die alleen met haar getrouwd was om zijn ouders een plezier te doen. En om te voorkomen dat hij zou worden gestenigd, want dat gebeurde in die tijd ook al.
Maria was al zwanger toen hij met haar trouwde. Haar vader hield op een bijna perverse manier ontzettend veel van haar en mogelijk dat hij daarom zo aardig was de kosten van de bruiloft te betalen. Bovendien gaf hij haar een vorstelijke bruidschat mee, die bestond uit wel twintig schapen, een kameel, een ezel, een geit tegen de eenzaamheid en een vers plakje rode Libanon van een pond, die Jozef in minder dan een maand oprookte met zijn vrienden Lucas, Matteüs en Gabriël.
Jozef nam Maria het slippertje dat zij gemaakt had niet kwalijk, al ergerde hij zich er wel aan dat zij hem niet wilde vertellen wie het kind had verwekt. Want daar was hij natuurlijk wel nieuwsgierig naar. Wat hij ook probeerde om haar aan de praat te krijgen, zij hield haar lippen stijf opeen. Was het soms Lucas geweest, die haar had verleid? Zij glimlachte slechts raadselachtig en hield haar mond. Of anders Matteüs? Ze haalde haar schouders op en floot op valse wijze het toen zo populaire “De herdertjes lagen bij nachten”.
Dan moet het Gabriël geweest zijn, riep hij. Die jongen met zijn engelachtige gezicht heb ik nooit vertrouwd. Maria stapte op hem af, zette haar handen in haar heupen en keek hem ernstig aan. Het was de heilige geest, zei ze, waarna ze zich omdraaide en weg liep.
Jozef gaf het op. Hij nam het leven zoals het kwam en als Maria er niet over praten wilde, dan moest zij dat weten.

Ze vonden een stal waar zij drie magiërs aantroffen, die al eerder op de avond waren aangekomen. De jongste van hen heette Caspar. Hij was twintig jaar en kwam uit Azië.
Degene van middelbare leeftijd was Balthasar, een neger uit Ethiopië. Hij was veertig.
En de oudste, een grijsaard, was zestig en kwam uit Nederland. Zijn naam was Melchior.
Toen zij Maria met haar dikke buik zagen, wezen zij er naar en wisselden zij veelbetekenende blikken met elkaar uit. Jozef zag dit en geërgerd vroeg hij hun waarom zij dit deden. Toen vertelde Melchior hem dat zij waren gekomen om De Verlosser te begroeten, maar dat ze begrepen dat zij te vroeg waren gekomen.
Welke Verlosser?, vroeg Jozef. Waar hebben jullie het over? Maar voor zij antwoord konden geven slaakte Maria een kreet. Ik geloof dat het zover is, zei ze.
De mannen legden haar voorzichtig in het stro. Eén van hen zette een pan met water op het vuur, waarin grote linnen lappen werden uitgekookt. Een ander maakt van een voerbak een kribbetje. Weer een ander hield haar hand vast.
Buiten klonk lawaai. Jozef ging kijken wat er aan de hand was. Daar stonden drie herders met een kudde schapen. Wij komen voor het kind, zei een van hen.
Jullie zijn te vroeg, zei Jozef. Dat geeft niet, zei de herder. Mogen wij alvast naar binnen komen? Het is buiten ontzettend koud.
Terwijl de schapen zich in het stro uitstrekten gingen de herders bij de magiërs staan. Zij hadden weliswaar vaak de geboorte van een schaap gezien, maar nog nooit de bevalling van een vrouw meegemaakt. En dit buitenkansje wilden ze niet laten schieten.
Het werd een lange nacht voor iedereen. Tegen de ochtend werd het kindje geboren. Jezus, zei een van de herders, wat een mooi kind. Laten we hem zo noemen, zei Jozef. En aldus geschiedde.

18 december 2009

Kerstvakantie.

Twee weken vrij. Wat is het toch fijn om onderwijzer te zijn. Gisteravond nog lekker en gezellig met mijn collega’s uit eten geweest bij Mastika, een Turks restaurant op de Eendrachtsweg in Rotterdam.
Toen we er om 18.00 uur aan kwamen begon het te sneeuwen en bijna vier uur later sneeuwde het nog. Pas toen ik thuis naar het journaal keek, zag ik dat het verkeer die dag in heel Nederland ontregeld was geweest als gevolg van de sneeuwval.
In ieder geval is het nu echt winterweer. Voor vannacht is er een minimumtemperatuur van
-15oC voorspeld voor het oosten van ons land. Hier in het westen zal het wat minder koud worden, maar ik ben blij dat ik de deur niet meer uit hoef.
Voor Paula is dit allemaal minder leuk. Haar ischias heeft haar kwetsbaar gemaakt. Wekelijks heeft ze nu twee keer fysiotherapie. Dat uitgerekend juist zij van ons tweeën een beroep heeft wat stevige benen vraagt. Zowel gisteren als vandaag is ze twee keer gevallen en ze zit nu onder de blauwe plekken.
Het is bijna half negen en ik ga straks eerst eens lekker de stoomcabine in, die ik ingesteld heb op 50oC. Nu Kopenhagen toch een mislukking is geworden, komt het op de gewone man aan en deze gewone man gaat straks weer eens lekker wat extra energie gebruiken. Of verspillen, hoe je het ook noemt.
Mocht ik in de toekomst nog eens een huis met een groot stuk grond in de Achterhoek hebben, dan zet ik er een zweethut op. Tot dan red ik het zo wel.

Ik heb helaas nog een onaf gemaakt verhaaltje op mijn blog staan. Ik zie de noodzaak echter niet in om het alsnog af te maken. Mijn schrijverij beschouw ik in de eerste plaats als een vingeroefening. Meer dan twee uur per dag kan ik toch niet met mijn blog bezig zijn. Eerlijk gezegd is dat al rijkelijk veel. Tijd om mijn teksten te redigeren heb ik nauwelijks. Nu ik van mezelf weet dat ik de discipline op kan brengen om dagelijks een stukje te schrijven, heb ik er vertrouwen in dat dit vroeg of laat tot een boekje zal leiden.
De afgelopen maanden ben ik ook weer intensief gaan lezen en zo ben ik op meerdere manieren met taal bezig. Maar voor vandaag vind ik het wel weer genoeg.

16 december 2009

Bezoek

De grote keukentent. Daar hangt een zware koperen bel voor het eten. Ik ren naar de tent, maak de bel los en neem hem mee naar buiten. Ik zwaai hem woest heen en weer en het stille kamp verandert in no time in een heksenketel. Bewapend met machinepistolen rennen de soms halfnaakte guerrillero’s naar de bosrand, waar zij positie innemen tussen de bomen.
Over en weer worden er commando’s en signalen uitgewisseld. Iedereen is bloednerveus en bang dat straks de pleuris losbreekt.
De helikopter is nu heel dichtbij, maar nog steeds niet zichtbaar. Hij hangt ergens in de buurt stil in de lucht en in gedachte zie ik hoe zwaarbewapende soldaten zich langs een touw naar beneden laten zakken en misschien op nog geen vijfhonderd meter hier vandaan zich in onze richting begeven. Ook Alonso houdt er rekening mee dat we straks misschien van boven en vanuit het woud worden aangevallen. Hij vraagt of ze de gouverneur bij hem brengen.
Vincente beseft dat er mogelijk een bevrijdingsactie op komst is en ik zie aan de angst in zijn ogen dat hij verwacht het er niet levend af te brengen.
Jij blijft bij mij in de buurt, zegt Alonso en hij kijkt Vincente met een donkere blik aan. Mocht je plannen hebben om weg te lopen…Hij richt zijn geweer op de rechtervoet van Vincente en haalt de trekker over. Er klinkt een harde knal en Vincente geeft een gil van pijn. Hij zakt door zijn knieën en valt kermend op de grond. Ik raad je aan om geen geintjes uit te halen, vervolgt Alonso op rustige toon. Hij gooit mij een pistool toe. Schiet hem neer als het nodig is, zegt hij op dezelfde kalme toon tegen mij. Hij is nu jouw gevangene.
Het gaat me allemaal te snel. Gisteren zat ik ongeveer om deze tijd nog in de cel, nu ligt mijn boosdoener kreunend aan mijn voeten. Hoe werkt dit ding? , vraag ik Alonso, die mij uitlegt dat ik de veiligheidspal eerst naar beneden moet schuiven en dan pas kan schieten.
Het zware geronk komt weer langzaam dichterbij. Boven de kruinen van de bomen verschijnt dan toch nog onverwachts een kleine gele helikopter. Alonso pakt een verrekijker en zegt even later verrast Hé, dat is de televisie. Iedereen krijgt het signaal om niet te schieten. Men is opgelucht dat we blijkbaar niet worden aangevallen. De helikopter landt op de open plek en terwijl de wieken nog draaien, stappen er een man en een vrouw uit. Guerrillero’s lopen op hen af en nemen hen mee in onze richting. De man draagt een grote camera en de vrouw een opnameapparaat met een microfoon. Alonso loopt ze tegemoet en laat mij achter bij Vincente. De kleine dikke man ligt nog steeds te kermen en ik heb met hem te doen.
Rustig maar, zeg ik hem. Het is de televisie. Misschien word je straks geïnterviewd. Ik haal een kammetje uit mijn kontzak en reik hem dit aan. Laat die voet nu maar even. Als je haar maar goed zit.

15 december 2009

Ik wil geen neukbeer maar troetelbeer voor kerstmis.

Mijn avonturen in een Zuid-Amerikaans land moeten even wachten. Niet omdat ik geen inspiratie meer heb, maar de column van Wim de Jong uit de VK van 12 december vraagt toch wel om een reactie. Wim meent dat het hoog tijd wordt dat de Neukbeermonologen worden geschreven. Ik weet niet of hij deze taak zelf op zich gaat nemen of dat hij hoopt met zijn column anderen op ideeën te brengen. Ik citeer “Als je vanaf 2010 een beetje wil meetellen als interessante vent, dan bereid je een coming-out in de media voor als retroseksuele, geile neukbeer, met liefst ook een enigszins scabreuze voorkeur voor het damestype waar je ‘m graag en veel instopt.” Graag zou Wim het boegbeeld zijn van een nieuwe beweging, waarin de neukberen zich eventueel zouden kunnen verenigen. Een beweging bestaat immers uit een groep mensen die een fundamentele verandering nastreven. Het moet afgelopen zijn met dat stiekeme en dubbelzinnige gedoe. Voortaan niet meer zigzaggend op je doel af koersen maar recht zo die gaat. Stoppen met smoesjes tegen je vriendin over partners die het niet leuk vinden als je al weer belt om te zeggen dat je moet overwerken. Gewoon bellen en zeggen Schat, ik moet nu even de koffiejuffrouw neuken. Het wordt een kwartiertje later vanavond.
Ik stel mij voor dat de beweging bestaat uit mannen die de wereld tot in detail vertellen over de vele keren dat zij hun bolide bij een ander in de garage parkeerden en daarbij naam en toenaam noemen. Het succesverhaal van Kluun wordt door Wim hierbij als voorbeeld opgevoerd.
Elke man is automatisch lid, tenzij hij heeft aangegeven gestemd te hebben op Jan Peter Balkenende als politicus van het jaar.
Ik ken Wim de Jong niet (Ik ben hem nog nooit tegen gekomen bij de hoeren) en weet niet helemaal zeker of hij achter zijn woorden staat. Want behalve dat hij een zekere sympathie lijkt te koesteren voor de vreemdganger, staat hij ook niet onwelgevallig tegenover de feeder.
Zoals bekend is dit iemand die zijn partner uit geilheid vet mest. Je kent vast wel die mooie plaatjes van vrouwen en mannen die alleen nog maar met behulp van een takelwagen een straatje om kunnen gaan en daarom maar in hun eigen vetrollen weggezonken op een enorm bed met droevige ogen zichzelf een kersenbonbonnetje van een zilveren schaaltje offreren, zoals de foto’s ons doen geloven.
Wim koketteert een beetje met het maatschappelijke succes van de geile man, die klinkende munt wil slaan uit de vele escapades, al dan niet in zijn fantasie, waarop hij zich beroept.
Ja Wim, wij mannen zijn neukberen. De troetelbeer heeft afgedaan.
Wij willen echte koffie en echte seks. Niet meer dat surrogaat waarmee wij het vaak moeten stellen. Wij willen de taart en niet de kruimels.
Tussen de verhalenverteller die vroeger van plaats naar plaats trok en zijn publiek wist te boeien met de laatste nieuwtjes en roddels uit de grote stad en de moderne media die om het hardst schreeuwen om onze aandacht te trekken, heeft zich een revolutie voltrokken.
Wat vroeger onder een steen verborgen bleef omdat het daar volgens de goedgemeente thuis hoorde, wordt er nu onder vandaan gehaald en door iedereen die meent een ontdekking te hebben gedaan, aan het daglicht bloot gesteld.
Hé, mannen gaan vreemd. Hé, vrouwen ook. En ze schamen zich er niet eens voor. Ze schrijven er openhartig over en verdienen daar een goed belegde boterham mee. Het zijn onze nieuwe helden. Vreemdgangers over de hele wereld: verenigt u. Bevrijd u van de boeien die u kluisteren. Een nieuwe tijd breekt aan. Paradise at last. De beweging van Wim zal deze wereld op zijn grondvesten doen schudden.

14 december 2009

Een nachtje in het oerwoud

Het is nacht. Een schitterende sterrenhemel strekt zich boven het woud uit en toont ons een stukje van de eeuwigheid. Als er niemand nog weet dat wij ooit hebben bestaan, als het mensenras met al zijn fratsen in de vergetelheid is verdwenen en de aarde misschien weer door andere levensvormen wordt geregeerd, dan nog zullen er ontelbare sterren in kille schoonheid twinkelen aan het oneindige firmament. Het lijkt er op of zij ons willen herinneren aan onze nietigheid. Van sterrenstof zijn we gemaakt en tot sterrenstof zullen we terugkeren.
Bij een vuurtje zitten zo’n dertig mannen en vrouwen zacht te praten en te lachen.
Vannacht slaap ik bij Alonso in de tent. Ik hoop maar dat hij niet snurkt al vrees ik dat ik opnieuw weinig zal slapen.
Vincente heb ik verder met rust gelaten. Niet uit medelijden, want die Vincente is gewoon een grote rat en ook hem had ik graag een pak slaag gegeven. Net als zijn zoon.
Maar ik voelde me moe. De blauwe pil was uitgewerkt en ik had een barstende koppijn.
Het liefst was ik ergens in een hoekje gaan liggen om met rust gelaten te worden.
Toen ik Alonso vertelde dat ik me niet zo goed voelde had hij daar begrip voor. Hij gromde tegen Vincente dat hij geluk had gehad en stuurde hem weer de tent in.
Het kwam mij goed uit dat men ’s middags een siësta hield en ik sliep bijna vier uur aan een stuk.
Nu is het avond. Juanita had ik niet meer gezien sinds onze aankomst en ik durfde ook niet naar haar te vragen.
Ik schuif aan bij de mannen en vrouwen aan het vuur. Een kans om rustig te luisteren naar wat er allemaal wordt gezegd krijg ik niet, want men had mij natuurlijk overdag in het gezelschap van el comandante gezien. Ik wordt allerhartelijkst welkom geheten, de drank vloeit rijkelijk, de laatste blauwe pil die ik heb ingeslikt doet zijn werk en als er een jointje voorbij komt, gemaakt van de lokale wiet, die niet slecht smaakt en voor een aangename high zorgt en ik een haaltje neem, worden mijn oogballen bijkans uit hun kassen gezogen.
De tent van Alonso haal ik die avond niet meer. Ergens tussen de vuurplek en de tent stort ik neer en slaap ik mijn roes uit.
Als ik de volgende morgen wakker word is het schemerig. Ik ril van de kou. Ik lig op mijn rug en zie hoe recht boven mij, op zo’n dertig centimeter van mijn hoofd vandaan, een kolossale spin zijn web maakt. Even duurt het voordat ik besef waar ik ben. Ik ga overeind zitten.
Het is leeg tussen de tenten. Ik zie dat het vuur uit is. Twee ara’s vliegen elkaar zonder enig geluid te maken tussen de takken achterna. Ik sta op en loop naar de vuurplaats. Van de smeulende resten lukt het mij om wat takken aan het branden te krijgen. Even later zit ik in mijn eentje mezelf op te warmen aan een klein vuurtje. Ik bedenk dat het symbolisch is dat ik hier in mijn eentje bij het vuur zit. Ik ben een outsider, een bezoeker die, nu hij weet hoe ongerieflijk het leven in het oerwoud is, maar één ding wil; naar huis toe gaan. Ik staar in de vlammen en dommel een beetje weg. Zacht gebrom klinkt in de verte. Alsof iemand zijn grasveld aan het maaien is. Het geluid komt langzaam dichterbij. Het is een helikopter, besef ik opeens. Ik kijk nog eens goed of ik iemand zie, maar er is helemaal niemand.
Alonso. Ik moet Alonso wakker maken. Ik sta op en ren naar zijn tent, die zo’n honderd meter verderop staat. Ik roep zijn naam een paar keer hardop voordat ik de tent open doet. Alonso slaapt zo diep dat ik hem wakker moet schudden. Een helikopter, er komt een helikopter aan, roep ik. Met een snelheid die je van zo’n grote man niet verwacht komt hij overeind en graait zijn kleren bij elkaar. Maak iedereen onmiddellijk wakker, roept hij mij toe. Nu!

13 december 2009

Genoegdoening

Gelukkig blijkt de reus niet haar echtgenoot maar haar vader te zijn. De man schudt me hartelijk de hand. Hij stelt zich aan mij voor als Alonso en gebaart me om hem te volgen. Juanita verdwijnt in één van de tenten om zich op te frissen en ik volg haar vader over het terrein naar een apart staande tent. Een guerrillero met een kalashnikov zit naast de tent op een boomstronk een sigaretje te roken.
Ik wil je aan iemand voorstellen, zegt Alonso tegen mij. Ik denk dat jullie elkaar al eens eerder hebben ontmoet. Aquila, haal onze vriend even. Aquila gaat de tent binnen en komt even later met een kleine dikke man naar buiten. Mijn mond valt open van verbazing. Daar staat de man aan wie ik mijn veroordeling heb te danken, de vader van Cirilo. De laatste keer dat ik hem zag was ruim een maand geleden in de rechtszaal, waar hij als getuige verklaarde dat Cirilo van onbesproken gedrag was en dat ik levenslang verdiende. Zo trots en hoogmoedig als hij toen was, zo verslagen ziet hij er nu uit. Het chique krijtpak dat hij toen droeg is gehavend en vuil. Hij is ongeschoren en op zijn wang zit een vers litteken. Ik vermoed dat hij zich verzet heeft bij zijn aanhouding.
Hij herkent me gelijk en ik zie dat hij net zo verbaasd is als ik. We kijken elkaar zwijgend aan. Ik weet niet zo snel wat ik zeggen moet. En Vincente, want zo heet hij, houdt zijn mond dicht omdat Alonso hem nog geen toestemming heeft gegeven om zijn mond open te doen.
Dit is ook het moment dat Alonso mij hartelijk en uitvoerig bedankt omdat ik Cirilo het ziekenhuis heb ingeslagen. Op een avond was ik aan het stappen toen hij mij op straat tegen hield en mij om een vuurtje vroeg. Ik zei hem dat ik dit niet bij me had, waarop hij zijn schouders ophaalde, zich van mij afwendde en mij onverwachts bij de keel greep. Ik reageerde automatisch en pakte razendsnel zijn rechterhand met mijn duimen onder zijn pols. Met mijn rechterknie stootte ik hem in zijn kruis en toen hij mij geschrokken en met een van pijn vertrokken gezicht los liet, trok ik zijn rechterarm naar voren en draaide de pols licht omhoog naar mij toe. Hierdoor moest hij voorover buigen, zodat ik mijn linker elleboog, die ik eerst een klein stukje naar voren had getrokken, vol op zijn neus neer kon laten komen. Ik hoorde iets kraken, maar het karwei was nog niet af. Met mijn rechterhand greep ik hem bij zijn haar en trok hem naar mij toe, waarna ik mijn rechterknie met kracht tegen zijn gezicht sloeg. Dit alles verliep bijna geruisloos en duurde nog geen tien seconden. Toen ik zijn haar losliet viel hij met zijn gezicht naar beneden op de grond. Hij was toen al bewusteloos. Vanaf mijn tiende hadden mijn ouders mij naar jiujitsu gestuurd en al vaker was ik hen hiervoor dankbaar geweest.
Ik was flink geschrokken maar mankeerde niets. Daarom beschouwde ik de zaak als afgedaan en vervolgde mijn weg naar mijn hotel.
Tegen een uur of twaalf werd ik ruw van mijn bed gelicht en door vier agenten meegenomen.
Aanvankelijk begreep ik niet wat er aan de hand was, totdat mij werd duidelijk gemaakt dat ik de zoon van de gouverneur zwaar had mishandeld. Zo luidde tenminste de officiële aanklacht. De vader van Cirilo kwam uit de hoofdstad zo’n vijfhonderd kilometer verderop om zijn zoon in het ziekenhuis te bezoeken en om mij voor langere tijd achter de tralies te krijgen. Op de terugweg naar huis werden hij en zijn lijfwachten overvallen. Toen bekend was dat hij zou komen had dit nieuws ook de guerrilla’s bereikt, die dit als een buitenkansje zagen om de gouverneur gevangen te nemen. Toen dit gebeurd was, had Alonso zijn guerrillero’s opdracht gegeven de gevangenis te bestormen, de gevangenen te bevrijden en dezen aan zijn legertje toe te voegen.
Juanita moest bij de aanval op de gevangenis naar mij uit kijken. Als het haar zou lukken mij te vinden moest zij mij mee nemen naar het kamp, dat ze voor enkele dagen hadden opgeslagen in het oerwoud. Dat ze een wip met mij moest maken had hij niet gezegd en had zij zelf bedacht.
Vincente staat met neergeslagen ogen te luisteren naar Alonso, die mij niet alleen bedankt voor Cirilo, maar ook voor zijn vader, die anders nooit uit de veilige hoofdstad naar dit gevaarlijke gebied zou zijn afgereisd.
Wil je nog vijf minuten alleen met hem zijn?, vraagt Alonso. Ik zie hoe Vincente verstart.

11 december 2009

Het kamp

Omdat het geen tijd is om te praten maar om te neuken, besluit ik haar nu niet te vragen hoe het komt dat zij Nederlands spreekt. Dat kan straks nog wel.
Dit is werkelijk een geweldige situatie. Er gaat immers niets boven een combinatie van goede seks en goede drugs. Natuurlijk heb je ook combinaties van slechte seks en goede drugs en goede seks en slechte drugs. Maar dat risico ben ik best bereid te nemen.
We kruipen op de achterbank en kleden elkaar uit. Wat een fantastisch zachte huid heeft die meid. Alles aan haar is stevig, alles aan haar is mooi.
De afgelopen weken waren zonder seks, al had mijn celgenoot wel geprobeerd om mij in de tweede week dat ik er zat te verkrachten. Door mijn tegenwerking had ik wel een kans laten liggen. Om toekomstige amoureuze toenaderingen te ontmoedigen, sloeg ik hem zo hard dat hij verschillende ribben en een arm brak. Ik had mezelf hier helaas ook mee, want nadat hij een week later uit de ziekenboeg kwam, lag hij de hele dag te kreunen en hield hij mij ’s nachts met zijn gejammer uit mijn slaap.
Vreemd genoeg werd ik voor mijn daad niet gestraft. Men begreep blijkbaar heel goed wat er was gebeurd.
Ook Juanita is zo te zien al weken niet van bil geweest. En we gaan daarom als wilde beesten te keer. De stevige schokbrekers van de jeep worden opnieuw op de proef gesteld, maar de tocht omhoog heeft al laten zien dat ze heel wat kunnen hebben.
Nadat ons feestje voorbij is, vraag ik haar hoe het komt dat ze Nederlands spreekt. Ze vertelt me dat ze een Hollandse moeder heeft, ook al is ze hier geboren.
Ik vraag haar gelijk waarom ze me heeft meegenomen en waar we naar toe gaan. Ze zegt dat ik iemand een groot plezier heb gedaan en dat die persoon mij persoonlijk wil bedanken. Ik begrijp niet waar ze het over heeft. Het enige wat ze verder kwijt wil is dat we op weg zijn naar haar compañeros in het bos.
Een half uur later rijden we verder. De weg voert nu tussen de bomen door. Het woud wordt dichter en van een echte weg is geen sprake meer.
Ik ben nog steeds aan het trippen op de blauwe pil, al heb ik geen idee wat ik heb geslikt.
De lucht is klam en ik voel het zweet op mijn rug staan. Ik ben een beetje onpasselijk van het rijden en als Juanita opnieuw stopt, maak ik van de gelegenheid gebruik om eens stevig over mijn nek te gaan. De paar bananen die ik onderweg naar binnen heb gewerkt komen er in een papje weer uit. Hierna voel ik me beter.
Ze lacht als ik weer instap. Ik krijg weer zin, maar Juanita heeft andere plannen. Ze pakt haar telefoon en ik hoor haar aan iemand vragen of ze opgehaald kan worden.
Nog geen kwartier later komen er twee mannen op paarden aan die ons gebaren hen te volgen met de jeep.
We gaan van het pad af en rijden nu langzaam dwars door laag struikgewas. Al snel komen we bij een grote open plek, waar allemaal donkergroene legertenten staan.
Als we uitstappen komt er een enorme man met een grote donkere baard op ons af. Net als al de andere mensen die ik zie, draagt hij een uniform. Hij straalt een enorm gezag uit en ik vermoed dat deze guerrillero de baas is van de groep strijders die zich hier heeft verzameld.
Juanita loopt met snelle passen op hem af en tot mijn schrik slaat de reus zijn armen om haar heen en drukt haar tegen zich aan. Als dit haar man is dan heb ik een groot probleem.

10 december 2009

De bergen in.

Via een poort komen we in een straat waar nog meer militairen zijn. Hoewel ik besef dat ik bevrijd ben, heb ik geen idee wat er gaat gebeuren en ik blijf zo dicht mogelijk in de buurt van Juanita. Mijn hoofd doet nog steeds erg zeer. Pedro heeft de wond alleen schoon gemaakt en gehecht maar niet verbonden. Ik heb één van de grote blauwe pillen geslikt die hij me heeft gegeven tegen de pijn, maar ik heb niet het idee dat het veel helpt.
Ze stapt op een jeep af die langs het trottoir staat geparkeerd en spreekt de chauffeur aan die een sigaretje zit te roken. Hij luistert naar wat ze te zeggen heeft, kijkt terloops even naar mij en komt dan achter het stuur vandaan, zodat zij zijn plaats kan innemen.
Venga, gebaart ze naar me en ik zit nauwelijks naast haar of ze scheurt weg. De volgende twee uur sta ik ware doodsangsten uit als ze de wagen over smalle weggetjes vol kuilen en bulten de bergen in rijdt.
Bij elke bocht drukt ze op de claxon maar niet één keer mindert ze vaart. Gelukkig zijn er weinig tegenliggers en komen we alleen ezels of muildieren tegen, die bereden worden door oude vrouwen of oude mannen. Alles schokt en schudt en ik hou me stevig vast aan het portier om te voorkomen dat ik van mijn stoel wordt geslingerd. De ravijnen waar we langs rijden zijn honderden meters diep en ik duw de gedachte opzij, waarin de jeep met ons er in over de rand schiet en naar beneden stort.
De pijn aan mijn hoofd wordt minder en nu ik de tijd heb om Juanita goed in mij op te nemen valt het mij op hoe mooi ze is. Ik schat haar 25 jaar. Ze zal in ieder geval niet veel jonger zijn dan ik. Haar donkere haren zwiepen heen en weer en als ze een enkele keer haar hoofd naar mij toe wendt schenkt ze me een schitterende lach.
Omdat de motor zo’n herrie maakt is het onmogelijk om een gesprek te voeren en ik kijk daarom maar wat om mij heen.
De stad waar we vandaan komen is al lang achter een van de vele bochten verdwenen. Ergens in de verte zie ik de oceaan. Het water glinstert in de felle zon, die nu bijna in het zenit staat. Alleen op korte afstand van waar we rijden is het oerwoud groen, maar naarmate het zich verder uitstrekt in de richting van de oceaan gaat het groen over in een wazig grijs.
Ik kijk weer naar Juanita. Haar gezicht lijkt anders dan zo-even en dichterbij. Haar neus is wat groter en haar ogen liggen wat dieper in hun kassen. Nu pas valt het mij op hoe krampachtig ze het stuur vasthoudt. Haar handen zijn veel groter dan ik eerder meen gezien te hebben. Toen waren ze veel kleiner. De jeep zelf lijkt gekrompen te zijn. Toen ik er in stapte viel het mij op hoe ruim hij van binnen was. Maar dat is nu niet meer zo. Mijn keel voelt droog. Ik heb een vreselijke dorst. Alsof ze mijn gedachten geraden heeft zet ze de jeep onverwachts aan de kant. Uit de kleine rugzak die ze bij zich heeft haalt ze een metalen veldfles en reikt hem mij aan. Ik vind het een vreemde fles en houd hem vast zonder een poging te doen om hem te openen. Het groen fascineert me. Man, wat is dit een mooie kleur groen. Ze pakt de fles uit mijn handen, neemt een slok en geeft hem opnieuw aan mij.
Ik krijg een onbedaarlijke neiging om te lachen en kijk haar aan. Nu is haar neus juist kleiner dan daarnet. Haar handen hebben weer hun normale afmetingen aangenomen. Ik vertel haar dat ze mooie handen heeft en neem een slok water. Het voelt als een golf die zich over mij heen stort. Mijn keelholte vult zich en heel even heb ik het gevoel dat ik stik. Dan hoest ik alles proestend uit. Juanita maakt een afwerend gebaar maar kan niet voorkomen dat ze nat wordt. Ze trekt een vies gezicht en vloekt. Of ik alsjeblieft voorzichtig wil zijn. Wat is ze mooi als ze zo tegen me loopt te schreeuwen.
Dan stopt ze opeens, pakt mijn arm en trekt mij naar zich toe. Haar gezicht is nu dichtbij het mijne. Ze kijkt me indringend enkele tellen aan en duwt ze me dan lachend weg. Ik heb heel grote pupillen, zegt ze en ze vraagt me wat Pedro aan mij heeft gegeven. Ik laat haar de blauwe pillen zien, die er vreemd genoeg nu veel helderder uit zien dan toen ik ze kreeg. Langzaam dringt het tot mij door dat de pillen die mijn hoofdpijn hebben verdreven een bijzondere bijwerking hebben.
Ik kijk haar opnieuw aan en zeg in het Hollands dat ik zo geil als boter ben. Tot mijn verbazing antwoordt ze Ik ook.

09 december 2009

Bevrijd.

Van de droom waarin ik met een mooie vrouw zit te tafelen rest slechts een euforisch gevoel als ik met een schok wakker wordt. De beelden lossen snel op en laten slechts vage indrukken achter. Er is een stem. Een glimlach. Een paar glinsterende bruine ogen die mij van dichtbij aankijken. Er is de geur van brand.
Cómo estás? Het klinkt bezorgd. De stem is echt. Net als de ogen. De barstende koppijn die ik voel is ook echt. Muy mal, antwoord ik.
Ik grijp naar mijn hoofd en voel iets kleverigs. Bloed. Ze pakt mijn hand en zegt dat ik me geen zorgen hoef te maken. Waarschijnlijk ben ik gevallen. Het kan ook een schampschot zijn. Ik kijk opzij en nu pas zie ik dat de man die naast mij ligt dood is. Met zijn lichaam in een onnatuurlijke verwrongen houding kijkt hij met opengesperde ogen de leegte in.
Muerto?, vraag ik en knik in de richting van mijn buurman. Si, zegt ze ernstig.
Ze helpt me overeind en neemt me mee. De brandgeur wordt sterker. Ze ondersteunt me op onze tocht naar buiten via steile trappen en donkere gangen. Ik zie meer lijken liggen. Cómo tardío es le? vraag ik haar. Ze zegt dat het negen uur is.
Tijd. Het enige houvast dat ik nu heb is de tijd. Ik heb geen idee wat er aan de hand is maar het geeft me enige rust nu ik weet hoe laat het is.
Op de binnenplaats staan tientallen zwaar bewapende mannen en vrouwen in groene uniformen.
Zo’n dertig havenloos geklede mannen zitten op het gras naast de vijver met de goudkarpers. Ik herken ze als mijn lotgenoten.
Het hoofdgebouw staat in brand. De vlammen slaan naar buiten maar niemand schenkt er enige aandacht aan.
De vrouw die mij heeft meegenomen brengt me bij een fors gebouwde man met een indrukwekkende snor en kijkt toe hoe hij me verzorgt. Ik hoor hoe zij hem Pedro noemt en hij haar Juanita.
Pedro strijkt mijn haar opzij en bekijkt mijn hoofdwond. Het is inderdaad een schampschot. Er verschijnt een brede lach op zijn gezicht als hij mij feliciteert en zegt dat ik veel geluk heb gehad. Terwijl hij de wond verzorgt vraagt hij me waar ik vandaan kom. Als ik hem dat vertel is hij verrast.
Hij wil weten waarom ik hier vast zit en ik vertel hem dat het een misverstand is. Dat toen ze me vrij wilden laten ik gevraagd had of ik misschien nog een paar nachten mocht blijven omdat ik zo geld kon besparen op de kosten van een hotel. Als hij beseft dat ik er niet over praten wil dringt hij niet verder aan. Hij geeft me een paar pillen tegen de hoofdpijn en draagt me daarna over aan Juanita, die mij tot mijn verrassing niet bij de anderen brengt, maar mij verzoekt om haar te volgen.

08 december 2009

Veertien jaar.

Het jeukt op mijn hoofd. Zou ik luizen hebben? Net als mijn haar voelt de duisternis vettig aan. Waarschijnlijk door de olie waarin de oude Chinese kok die voor ons kookt al het eten frituurt, ongeacht wat het is en zijn keuken zit hier recht beneden.
Het gerochel en gekreun van de man naast me irriteert me. Zijn ademhaling is onrustig. Ik lig naast hem en beweeg me zo weinig mogelijk. Dit wordt opnieuw een lange nacht.
Het gegil en het slaan van deuren in de verte maakt me nerveus. Liever lig ik nu aan een mooi wit strand met kokospalmen. Zoals toen op Barbados, waar de zon zo fel scheen dat ik mijn neus pijnlijk verbrandde en het bijna twee weken duurde voordat de dikke korst, die zich er op had gevormd, was verdwenen. Natuurlijk probeerden we samen nog een paar leuke meiden te versieren, maar die moesten niets van die Hollandse zeelui weten. En wij konden alleen maar stom grinniken en obscene gebaren naar ze maken.
Veertien jaar. Ik moet hier weg. Na een week kon ik alleen nog maar aan vluchten denken. Er is nu een maand voorbij. Dertig dagen om precies te zijn. Met een spijker trek ik dagelijks een smal streepje op de muur. Na vier streepjes gaat er een horizontaal streepje doorheen.
Anderen voor mij hebben dit ook gedaan en daarom is er op de muur niet veel ruimte meer over. Ik schat in dat ik er nog 6 maanden op kwijt kan. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik deze ruimte helemaal nodig zal hebben.
Ik heb verschillende afspraken met mezelf gemaakt. Niet opvallen, alles eten wat je voorgeschoteld krijgt, geen ruzie maken en goed opletten.
De afspraak over het eten is het moeilijkst om na te komen. De reukzin van de kok is beschadigd door een ziekte, heb ik in de kantine van iemand te horen gekregen.
Zijn kookkunst lijdt daar overigens niet onder, want deze is volgens anderen altijd al slecht geweest.
Bijna alles wat we te eten krijgen is gefrituurd in een ranzig soort vet dat wekenlang wordt gebruikt en tussentijds niet wordt ververst. Kokhalzend had ik op mijn eerste dag mijn eten naar binnen gewerkt. En nog steeds word ik onpasselijk als ik mijn maaltijd krijg voorgeschoteld. Maar als ik niet eet zal mijn weerstand af nemen en ik wil kost wat kost voorkomen dat ik ziek word.
Omdat veel van mijn lotgenoten net zo tenger zijn als ik val ik niet zo op. Niemand kan hier aan mij zien dat ik een Hollander ben. Ik praat weinig met de mensen om mij heen, al zou dat geen probleem voor me zijn want ik spreek goed Spaans.
Ik kijk door het venster omhoog naar de lucht. De enkele sterren die ik zie twinkelen helder aan de hemel.
Thuis zullen ze zich wel afvragen hoe het met me gaat. Dat is tenminste een troost. En als het plan dat ik heb lukt, dan ben ik binnenkort weer bij ze.
Maar voorlopig moet ik nog maar eens zien of het me lukt om vannacht een beetje te slapen.

07 december 2009

Seks.

Ze kijkt me uitdagend aan. Bent u om te kopen meester? vraagt ze spottend. Ze hoopt toch zo dat ze straks een voldoende van me krijgt.
Natuurlijk ben ik om te kopen, denk ik. Je zou eens moeten weten.
Nee, natuurlijk niet, zeg ik en druk op het lichtknopje in mijn hoofd zodat het stoute plaatje waarnaar ik met mijn innerlijk oog keek, opgeslokt wordt door het donker. Duisternis in mijn hoofd is sowieso het prettigst en zeker als een achttienjarige met van die mooie lege ogen je een beetje zit te plagen.
Nee, ter wille van onze baan, onze relatie, het mooie beeld van jezelf dat je de wereld voorhoudt en het fatsoen houden we onze echte gedachten altijd zoveel mogelijk voor ons.
Natuurlijk is daar niets verkeerds mee. We moeten ons zelf wel censureren, want wij zijn niet in staat om het beest in onszelf en in anderen te beteugelen, dat verscholen gaat onder het laagje vernis wat wij beschaving noemen. Dat is al zovele malen aangetoond.
Als ik zondagsmorgen zo af en toe naar een kerkkoor kijk en ik zie al die open mondjes van die blije christelijke dames, dan geniet ik niet alleen van hun mooie gezang maar ook van de vrolijke gedachten die zich onwillekeurig maar soms onbedwingbaar aan mij opdringen.
Daar is het pornokoor weer, denk ik dan. Waar zaten deze lippen nog geen twaalf uur geleden?
Is dit smerig? Ja zeker, dit zijn smerige gedachten. Is dit onfatsoenlijk? Reken maar.
Word ik daar blij van? Wis en waarachtig. En ook dat is belangrijk.
Mannen schijnen onophoudelijk aan seks te denken en al geef ik toe dat ik tussen deze gedachten in ook af en toe aan andere zaken denk, het ongetemde beest in mij laat mij op de een of andere manier altijd weten dat hij er is.
Gelukkig hebben wij al lang vrede met elkaar gesloten, maar toen wij nog regelmatig oorlog met elkaar voerden en ik de ene na de andere veldslag verloor, begreep ik dat je de krachten in jezelf niet moet bestrijden maar moet koesteren. Pas na het sluiten van de vrede heb ik eindelijk rust gekregen. De ware weg naar jezelf is acceptatie.
Iedere man weet hoe gek hij soms kan zijn als het gaat om seks. En daar ben ik geen uitzondering in. Zijn er niet oorlogen gevoerd om de vrouw? Hebben mannen soms niet elkaars hersens ingeslagen om die ene, zo bijzondere wip te kunnen maken? Ja, de natuur is overal. Door het echter ‘liefde’ te noemen wordt het makkelijker bespreekbaar. Nou, wat veel kerels oprecht ‘liefde’ noemen blijkt vaak later toch gewoon oprechte geilheid te zijn geweest. En in tegenstelling tot wat veel mensen denken is daar niets verkeerds mee.
Maar goed, voor mijn mening een ander.
Het kan soms een mensenleven duren voor je het onderscheid maken kunt tussen liefde en seks en sommigen zullen nooit weten dat er verschillen zijn.
Het is de samenleving die uit overlevingsdrang wil dat het beest wordt getemd, maar uiteindelijk worden daar alleen de therapeuten beter van. Seks is goed, seks is fijn. Zonder seks was de mens uitgestorven.
Elke dag komen er nu 200.000 mensen bij en met z’n allen zitten we nu op zo’n 7 miljard. Niet slecht voor een hulpeloos wezen zonder klauwen en vacht. En een gebit waarmee je nog geen hazelnoot kan kraken.
Maar al ben ik mij er van bewust dat wij het als soort op deze planeet zo slecht nog niet doen, ik zou het toch wel prettiger vinden als sommigen zich lieten steriliseren of dat er vaker condooms werden gebruikt.
Vraag ik me nu opeens af: zouden die priesters in Ierland bij het verkrachten en seksueel misbruiken van hun pupillen dit hebben gedaan zonder condoom omdat het gebruik hiervan in strijd is met de regels van het Vaticaan? Of zouden ze van de Paus hiervan ontheffing hebben gekregen? Ja, seks mag dan wel lekker zijn en leuk, er blijven genoeg situaties denkbaar waarbij seks echt smerig is. En niet in de kleinburgerlijke zin zoals elders door mij beschreven, maar gewoon smerig en laag bij de grond. Om vanuit je geilheid het leven van een ander te verwoesten is geen goede zaak. Afhakken die handel, denk ik dan maar.

06 december 2009

Klimaatveranderingen.

Met Kopenhagen voor de deur besteed ik in mijn blog ook wat aandacht aan het klimaat.
Want net als velen heb ook ik een mening die er niets toe doet. En de meningen die er wel toe doen hebben meestal een kort bestaansrecht.
Zo kan Al Gore als brenger van het slechte nieuws het bij veel mensen niet goed meer doen. Velen verwijten hem dat zijn lezingen hem geen windeieren hebben gelegd en dat hij er alleen op uit zou zijn om zijn zakken te vullen. In de “Krant voor zwakker Nederland” noemen veel lezers hem zelfs een charlatan die doet aan ordinaire bangmakerij.
De verwachte klimaatcatastrofes blijven blijkbaar voor deze mensen te lang uit en ook al is het tegendeel aangetoond, velen geloven oprecht dat er geen bewijzen zijn dat de klimaatsveranderingen voor een deel op conto van de mens geschreven kunnen worden.
Helaas laat de geschiedenis zien dat de massa zich vaker heeft vergist. Meestal met destraseuze gevolgen. Velen onder ons zien lijdzaam toe dat de strop om hun nek langzaam maar zeker strakker wordt aangetrokken. Als het tot hun botte hersens doordringt dat ze gewurgd worden is het te laat.
Dat de milieuverontreiniging wel een gevolg is van het menselijk handelen is moeilijker te ontkennen. Maar ook hier zullen veel mensen niet lang bij stil staan. Zij hebben het te druk met het vervuilen van hun omgeving en zijn verontwaardigd als zij daar op worden aangesproken. Onder vrijheid verstaan zij dat ze immers mogen doen wat ze willen en ze vinden dat niemand zich met hun gedrag bemoeien mag. Hoe aandoenlijk en kortzichtig.
Ja, ik ben vandaag weer in een uitgesproken pessimistische stemming. Misschien omdat het al de hele dag regent en ik behoefte heb aan wat zon. Maar is het zo vreemd dat ik mij zorgen maak over het wrede lot dat ons en onze kinderen mogelijk te wachten staat?
Het is mensen blijkbaar eigen om te dansen op de rand van de vulkaan. Niemand kan immers precies voorspellen wanneer hij uit zal barsten. En de dansers gaan er van uit dat het misschien nooit tot een uitbarsting zal komen.
De vraag of deze wereld met een flinke knal of langzaam aan zijn eind zal komen is actueel.
In de film “2012” gebeurt dit met een knal, maar zelf verwacht ik dat het geleidelijk zal gaan.
Als gecertificeerd doemdenker voorspel ik ook altijd dat het gaat onweren zodra er op een mooie zomerdag wolken aan de blauwe hemel verschijnen. En soms heb ik daar gelijk in. Meestal gelukkig niet. Ook nu hoop ik dat ik mij vergis. En is de mensheid veel verstandiger dan je uit het gedrag dat zij vertoont zou kunnen opmaken. Maar eerlijk gezegd weet ik wel beter.

04 december 2009

Chronisch ziek.

In het zaaltje zitten mensen van alle leeftijden. De jongste is misschien 2 en zit bij zijn mama op schoot. De oudste zal een jaar of tachtig zijn en heeft haar rollator naast zich staan.
Wat heeft die kleine? vraag ik aan de moeder. Eczeem en astma, antwoordt ze. En u zelf?
Migraine, maar op het moment gaat het goed. Ze schenkt me een mooie glimlach en ik probeer mij haar voor te stellen terwijl ze met een van pijn vertrokken gezicht op de bank ligt. Geen vrolijk plaatje en ik ga daarom snel verder naar de volgende. U meneer, wat mankeert u?
Ik heb een te hoge bloeddruk. En suikerziekte.
Hij spreekt luid en duidelijk en kijkt mij aan alsof hij van mij een compliment verwacht. Als dat uitblijft voegt hij er aan toe: Maar voor de rest voel ik me prima. De aanwezigen lachen.
Ik wend mij tot de oude vrouw met de rollator. U ziet er nog gezond uit, zeg ik haar. Oh, maar dat ben ik niet hoor, reageert ze. Ik heb last van kortademigheid, suikerziekte, staar en een te hoge bloeddruk. Ze schuift wat heen en weer op haar stoel en kijkt triomfantelijk om zich heen. Achter in de zaal ontstaat het begin van een applausje maar dat dooft uit als het niet door iedereen wordt overgenomen. Ik richt mij op en kijk het publiek aan. Het is muisstil.
Goedenavond allemaal. Ik heet u allen van harte welkom. Mijn naam is John the Revelator, net als de gelijknamige bluesband uit Haarlem. Ik ben blij met deze grote opkomst.
Zoals u allen in de krant heeft kunnen lezen of op het journaal heeft gezien lijdt ruim de helft van de bevolking aan een chronische ziekte. En van de mensen boven de 65 heeft de helft minstens twee chronische ziektes. Hierbij moet u denken aan gewrichtsontsteking, hartaandoeningen en vernauwing van de bloedvaten.

In Nederland kunnen duizenden zich niet zonder hulp verplaatsen. Als u in een willekeurig winkelcentrum wandelt moet u er daarom op letten dat u niet ondersteboven wordt gereden door een voorbij razende scootmobiel.
Ho, ho,
roept er iemand vanuit de zaal. Ik protesteer. Op de eerste rij zit een dikke man met een ongeschoren gezicht zich druk te maken. U doet of mensen met een scootmobiel asociaal zijn, maar ik zeg u dat er met ons helemaal geen rekening wordt gehouden. Ik moet de mensen wel eens laten schrikken anders gaan ze helemaal niet opzij.
Ik knik de man vriendelijk toe en richt mij weer tot de zaal. Deze meneer geeft precies weer waarom u allen vanavond hier bent, zeg ik.
U allen heeft wel een of andere kwaal waaronder u lijdt. Dat is op zich al heel vervelend. Maar wat het erger maakt is, dat niemand rekening met u houdt. De gezonde Nederlander, zeg maar de andere helft van onze bevolking, weet niet eens dat u bestaat. U komt niet voor in zijn wereld. En als hij met u te maken heeft, bijvoorbeeld als collega of als partner, dan zal hij meestal geen of weinig begrip tonen voor uw situatie. Hij denkt recht te hebben op een goede gezondheid en omdat hij altijd gezond is geweest kan hij zich niet voorstellen dat hij op zekere dag misschien behoort tot de helft die chronisch ziek is.
Ik wil u allen uitnodigen om naar voren te komen, een bordje te pakken en te genieten van het fantastische buffet dat hier achter mij staat. Gaat u eens gezellig met elkaar in gesprek en aarzel dan niet om aan de ander te vertellen wat u mankeert en wat dat voor u betekent.
Ik zelf heb helaas een erg goede gezondheid en daarom weet ik niet wat het is om gebukt te gaan onder de last van de kwaaltjes die u heeft. Het spijt me. Als u vanavond naar huis gaat met het gevoel dat u niet de enige bent die lijdt, maar dat u door uw ziekte verbonden bent met vele lotgenoten, dan is deze korte bijeenkomst wat mij betreft geslaagd geweest.

03 december 2009

Koopavond

We botsen tegen elkaar aan als we beiden op hetzelfde moment de bocht om gaan. De klap is hevig, want allebei proberen we uit te wijken maar doen dat naar de verkeerde kant. De grote plastic tas die ze draagt schiet uit haar handen en valt tussen de plassen op straat.
In een poging om deze te grijpen laat ik ook mijn tas vallen.
We zijn allebei geschrokken en mompelen verontschuldigingen. Ik heb mijn tas al gepakt als zij nog op haar hurken bezig is om de pakjes die er uit haar tas zijn gevallen bij elkaar te rapen. Ik buig voorover om haar te helpen. Ze zegt Bedankt en dan pas herken ik haar stem.
Margot, roep ik verrast uit. Ze zit nog steeds gehurkt en kijkt schuin omhoog.
John. Ze is niet minder verrast dan ik. Ze doet het laatste pakje in de tas en richt zich op.
Het regent al de hele avond en we zijn allebei kletsnat.
Heb je zin en tijd om even wat warms te drinken? vraag ik haar. Er verschijnt een lach op haar gezicht. Het valt me op dat ze oud geworden is. Door de regen is haar mascara doorgelopen. Het lijkt wel of ze heeft gehuild. Waar? vraagt ze.
Kom maar, zeg ik en we lopen naast elkaar met de zware tassen tussen ons in naar een café een paar straten verderop. Ik kom hier wel vaker als ik in de stad ben. Even later zitten we in het vale kroeglicht tegenover elkaar aan een tafeltje, onze natte kleding over de stoelen naast ons en de tassen op de grond. Je mascara is doorgelopen, zeg ik.
Ze staat op, zegt Ik ben zo terug en loopt naar achteren.
Als ze terug komt ziet ze er weer verzorgd uit, al is de vermoeidheid in haar ogen niet verdwenen.
Ik ben doodop van dat gesjouw, zegt ze om het gesprek op gang te brengen. En door die nattigheid is het helemaal vermoeiend, reageer ik. Iedereen blijft binnen hangen want daar is het tenminste lekker warm. Ik heb eigenlijk een gloeiende hekel aan die koopavonden maar overdag heb ik geen tijd.
Ik hoor mezelf praten en opeens dringt het tot mij door dat de vrouw die er tegenover mij zit al vijftien jaar mijn vrouw niet meer is. Maar vreemd genoeg is het net alsof we nog steeds bij elkaar horen. Ik ben dan ook niet verbaasd als zij na een uur naar huis belt en haar man vertelt dat zij vanavond bij een vriendin blijft slapen die zij toevallig in de stad is tegen gekomen. Ik bedenk dat ik er verstandig aan heb gedaan om het tweepersoonsbed niet weg te doen na mijn scheiding vorig jaar. Koopavonden, ze zijn een ramp. Maar soms kom je een cadeautje tegen dat je niet zoekt maar waarmee je jezelf toch een groot plezier kunt doen.

02 december 2009

Integriteit.

Hij kijkt me aan als een verongelijkt kind. Maar Bart, zeg ik hem en ik zoek naar de woorden die het best tot uitdrukking brengen wat ik hem wil zeggen, jouw personeel krijgt maar een fractie per maand van wat jij verdient. Zij doen het gevaarlijke werk en jij gaat op kosten van het korps samen met je collega’s en jullie partners naar Zweden en Turkije. Iedereen noemt het snoepreisjes, maar jij en je collega’s noemen het dienstreizen.
Maar dat zijn het ook,
zegt Bart. En vroeger had niemand daar problemen mee, maar tegenwoordig lijkt het wel of je jezelf overal moet voor verantwoorden.
Hij wijst de barman op zijn lege glas, die dit weghaalt en vervangt door een nieuw met een mooie schuimkraag.
Ik schud mijn hoofd. Je hebt aan de top toch een voorbeeldfunctie, Bart? Eerst dat rare declaratiegedrag. Ik hoorde dat één van de korpschefs zelfs zijn manchetknopen van meer dan € 1000,- had gedeclareerd. Dat kan toch niet?
Op dat punt ga ik wel met je mee,
zegt Bart. Maar die ophef over die dienstreizen is schromelijk overdreven.
Noem het maar overdreven,
zeg ik. Naar Turkije heeft dat dienstreisje meer dan een ton gekost.
Bart staart nors uit het raam. Het komt allemaal door de nederwiet. De georganiseerde misdaad verdient er miljoenen mee. Ze lachen ons gewoon uit.
Ik kijk hem verbaasd aan. Is dat het? Komt al dat gedoe voort uit een soort van jaloersheid?
Zijn het gewoon frustraties die de korpschefs in heel het land er toe brachten om een eigen invulling te geven aan het begrip integriteit?
Ik neem een slok van het koude bier. Heerlijk. Weet jij dat overal waar ik kom men zegt dat integriteit één van de speerpunten is van het beleid in de organisatie? Wij moeten onze leerlingen het verschil duidelijk maken tussen mijn en dijn. Van ons wordt verwacht dat we mensen afleveren die van onbesproken gedrag zijn. Wil je geloven dat mijn collega’s en ik dit bijna zien als onbegonnen werk? Een stel grote ratten brengen samen met vele andere ratten de wereldeconomie op de rand van de afgrond. Misschien zijn we er zelfs wel over heen maar heeft niemand dit nog in de gaten.
In eigen land zien we hoe een DSB-bank duizenden mensen in een situatie brengt waarin je zelf liever niet terecht komt. Hou me tegoed; daar zitten natuurlijk ook genoeg mensen tussen die hun situatie te danken hebben aan hun eigen hebzucht. Oh ja, en dan al dat nieuws over het Koninklijk Huis. Die zetten zichzelf ook in de etalage te kakken.
Maar dat de korpschefs nu zo negatief in het nieuws komen…En dan zeg jij dat dit eigenlijk komt door de nederwiet. Ben je soms een beetje stoned, Bart?

Bart lacht. Oké, ik geef toe dat het daar niet aan ligt. Je weet toch zelf ook wel dat mensen aan de top soms erg overmoedig worden en gaan geloven in het beeld dat hun personeel van ze heeft. Ik weet wel dat wij niet anders zijn, maar je wilt dat natuurlijk wel graag geloven. Vertel het maar aan niemand verder, maar sommige van mijn collega’s zijn zulke rukkers dat ze niet alleen eelt hebben op hun ziel maar ook tussen hun vingers. Maar ja, je gaat je eigen nest niet bevuilen dus voor het publiek vormen we één front. Ik heb in je blog wel eens gelezen dat je denkt dat ze jou niets meer hoeven wijs te maken en dat je nergens in gelooft. Kerel, je zou eens moeten weten. Overal waar mensen de macht hebben en niet voldoende worden gecontroleerd doen ze waar ze zin in hebben. Geloof mij, je weet nog niet half. Het is vele malen erger dan je denkt. Maar hoe erg, dat zul je waarschijnlijk nooit te weten komen.

01 december 2009

Bericht uit de Rimboe.

(Ik lig met een krantje lui achterover op een ligstoel) Hier lees ik dat de kredietcrisis de bestrijding van aids in Afrika in gevaar brengt. (Ik schenk mezelf een Pinacolada in en neem een flinke slok) Rijke landen investeren minder nu ze zelf minder geld hebben. (Wat is het hier warm.) De organisatie Stop Aids Now vreest een nieuwe aids-epidemie. (Ik doe een raam open.) En ik besef opeens dat er nog veel ergere problemen dreigen dan een toenemende werkloosheid en ontevreden bevolking. (Dat voelt een stuk beter.) Wat leven we toch in bizarre tijden.

30 november 2009

Nog naar je zin gehad bij Dream-City?

Vandaag een ‘knipselkrant’ met zomaar wat reacties op het feest waar iedereen zo lang naar had uitgekeken. Wat een ‘waar hoogtepunt’ had moeten worden, zoals door onze bestuursvoorzitter zo mooi onder woorden werd gebracht in de folder waar ‘dream city werd aangeprezen, eindigde in een stevige vechtpartij die zelfs de landelijke bladen haalde. Zes man werden aangehouden voor onder meer mishandeling. Zeven mensen raakten gewond door de vechtpartijen, meldt de politie zondag. Vier gewonden moesten naar het ziekenhuis. Drie gewonden konden ter plaatse worden behandeld aan onder meer snijwonden.
Ik laat een paar van onze leerlingen hier zelf even aan het woord.

Tess: Alleen jammer dat ik zolang voor de deur moest wachten.
Het was te druk binnen, dus stond ik zeker een uur te wachten.
Kwamen die politiemannen nog met paarden en honden ons naar achter drijven..
Volgende x is het handig als jullie dat iets beter regelen, de binnenkomst enzo.
MAAR VERDER WAS HET TOP!

Maaike: ik vond er zelf niks aan, ik hoorde iets over een goodiebag aan het eind van de avond. ik heb niks gekregen en toen ik het ging vragen hoorde ik dat je het via school moest regelen, en hoe weet de school nou dat je geweest bent?
verder te lang buiten wachten & alles stopte om 12 uur zodat je wel moest gaan, de helft liep om kwart over 12/half 1 al buiten.

Lindsay: Het aantal gevechten was wel echt heel erg jammer! Vriendinnen van ons mochten niet meer binnen vanwege de gevechten! Dat snap ik nooit hoor.. Stelletje idioten.. Je komt toch om te feesten!? Verder was het wel beeere gezellig!

Charel: wij mochten niet meer naar binnen door de drukte!!!
stond daar 3 kwartier te wachten..
wil me geld terug

Jessica: De entree blijkt naar vele reacties dus idd bagger te zijn, ook mijn ervaring was niet best... Volgende x moeten ze gwn hekken nemen zoals bij attractieparken...
Verders was feest top, ook wel jmmr dat het om half 12 afgelopen was

Patty: Jammer van de gevechten en de gespannen sfeer. En ik wil m’n Goodiebag

Kim: dramatisch

Viletta: Ik vind ook dat de entree beter kon. Had dan idd hekken neergezet ofzo want nu kwamen ze opeens met paarden aan om ons terug te dringen. En een beetje jammer van die goodiebag idd. Niks gezien. En nog een minpuntje was dat het om half 12 afgelopen was

Mehran: volgende keer bokshandschoen bij ingang uitdelen inplaats van goodybags

Patty: Het boekje zou ook online moeten staan. Deze link is alleen niet meer beschikbaar. Ik ben mijn boekje kwijt geraakt in de menigte op de terug weg.Ben maar klein en werd telkens omver gelopen. Kun jij het formuliertjes anders scannen voor de liefhebber? Dat zou fijn zijn!

Chiar: Het binnenkomen was echt drama!
Verder heb ik -buiten het feit dat ik iemand op een brancard afgevoerd heb zien worden- niet veel gemerkt van rellen.
Eerst vond ik het nog niet zo leuk, maar de loop van de avond begon iedereen te dansen, toen vond ik het wel gezellig!
Jammer inderdaad dat het rond half 12 ineens was afgelopen! Het zou tot 0100 duren...
Naar het volgende event? Ja, lijkt me wel leuk!

Shirley23: Goeie muziek, de rest echt té slecht geregeld...zwaar kutfeest met kutsfeer. Schandalig hoe het geregeld was! Door politiepaarden verdrongen worden in de rij,..echt ongelofelijk. Dat ze zoiets niet kunnen organiseren...Kwam voor de vette line-up, en de muziek in sommige zalen was dan ook het enige goeie aan dat baggerfeest. Leek wel een uit de hand gelopen schoolfeest, en dan ook nog vechtpartijen zien en lastig gevallen worden door dronken Marokkaantjes van 16...Ben er nog geen 3 uur geweest, zonde van m'n geld, en goodiebag? Waar dan? Nooit meer zo'n feestje.

Vievy: Muziek was goed en heb me prima vermaakt, maar wat een volk liep er rond zeg! Ik heb zeker 30 meiden half aangerand zien worden en dan vinden ze het gek dat je een hekel aan buitenlanders krijg?

Robbekop: Geen sfeer, vervelende mensen, veel vechtpartijen, lauwe drank, wel goede muziek maar die kon t niet redden.
In totaal misschien 2 uur daar geweest.. Blij toen ik weg was..

Nouk02: Mijn hemel wat een feest... In de eerste plaats snapte ik het concept al niet zo goed (een goede line-up, maar ook een gaming area, workshop paaldansen, je kon er voetballen, je haar er laten knippen..HUH??!) maar oke a la door die 10 euro (HUH?!) zo overgehaald! Daar op het feest kwam ik erachter dat het een 16+ feest was (dat stond nergens aangegeven toch?) dus even slikken maar nog steeds met volle moed. Muziek was top., alleen jammer dat er smiddags al zo ontzettend gebeukt werd met allemaal hitjes, dus waar zit dan het hoogtepunt? Publiek was DRAMA. Je merkte dat naarmate de avond vorderde de spanningen hoop opliepen en dat uitte zich dus ook in gevechten. Mensen werden afgevoerd op brancards en buiten stond de politie al in grote getalen paraat. Om half 10 ging ik weg en kon toen al niet via de normale uitgang naar buiten wegens teveel gezeik. Toen naar een andere uitgang gebracht waar ik eerst moest wachten op weer een passerende brancard. Een goodiebag kregen we niet omdat dat volgens de politie voor teveel overlast zou zorgen.. My god waar gaat dit heen.. Erg jammer.

Kleintje: Feest eerder geëindigd na vechtpartijen
Rond het feest Dream City in Ahoy zijn zaterdagavond zes mensen gearresteerd en zeven mensen gewond geraakt. Het feest werd door de organisatie in overleg met de politie eerder afgesloten.
Het feest was zaterdagmiddag rond vier uur begonnen. Rond zeven uur was er een grote toestroom van bezoekers. Daarbij ontstonden veel gevechten. Ook binnen was de sfeer niet al te feestelijk door ongeregeldheden.
Het feest werd rond half twaalf beëindigd. Dat was twee uur eerder dan gepland.
De RET zette extra metrostellen in om bezoekers op ordelijke wijze te vervoeren.

29 november 2009

feest?

Natuurlijk had ik beter moeten weten. Maar na de tweede brief van school en de moeite die ik gedaan had om op het laatste moment een kaartje te krijgen, gingen Paula en ik gisteravond toch naar Dream-City in de Ahoyhal. Daar zou een swingend feest georganiseerd worden voor zowel docenten als leerlingen. De kaartjes waren € 10,- als je ze via de school bestelde en je betaalde wat meer als je ze ergens anders kocht.
Paula had eigenlijk wel wat anders aan haar hoofd door de onverwachtse dood van Jan. Uiteindelijk kwamen we overeen dat ik in mijn eentje verder zou gaan en zij bij het station de tram terug zou nemen.
Bij de ingang van de Ahoyhal werd iedereen tot bijna in de bilnaad gefouilleerd. De joker die mij visiteerde had voorheen blijkbaar in de bajes gewerkt want hij onderzocht werkelijk alles, tot en met de inhoud van mijn portemonnee toe. Ik wist niet waar hij naar op zoek was, maar hield voor de zekerheid zijn handen goed in de gaten toen hij door de bankbiljetten bladerde.
Eindelijk mocht ik naar binnen. Ik voelde mij behoorlijk opgelaten. Een dergelijke vernederende behandeling ben ik niet gewend, al heb ik vele jaren geleden bij een bezoek aan Neil Young aan de Ahoyhal een zelfde grondig onderzoek meegemaakt.
Binnen gekomen ging ik op zoek naar collega’s maar ik kwam er niet één tegen. Dwalend door de zes grote zalen, waar een soort van hakketakketering muziek werd gedraaid, telde ik een paar honderd leerlingen en evenveel beveiligingspersoneel en ik kreeg de indruk dat het feest nog moest beginnen. Het was inmiddels zeven uur ’s avonds en het openingsprogramma met Chuckie was om vier uur geweest. Wat was er in de afgelopen drie uur gebeurd?
Nergens een bekend gezicht. De leerlingen die ik tegen kwam waren van andere opleidingen. Natuurlijk niet zo vreemd dat ik mij voelde als een bezoeker van een andere planeet. Na een half uur had ik het wel gezien en besloot om weg te gaan. Blijkbaar was ik de eerste die vroeg naar de uitgang, want de beveiligers aan wie ik vroeg waar de uitgang was keken mij en elkaar verbaasd aan. Een jongen was zo vriendelijk om mij te adviseren via de ingang naar buiten te gaan. En dat ging probleemloos.
Buiten gekomen ademde ik de frisse lucht met volle teugen in. Binnen zou het feest of wat er voor doorging nog uren door gaan maar gelukkig zonder mij. Ik was blij dat Paula al eerder was afgehaakt. Opnieuw nam ik mij voor om voortaan ver uit de buurt te blijven van wat anderen een ‘waar hoogtepunt’ noemen waarbij ‘niemand zich dan ook één moment zal vervelen’ en meer van die onzin, zoals door onze bestuursvoorzitter zo mooi gezegd werd in de folder waar het hele gebeuren werd aangeprezen. Ik begin blijkbaar te oud te worden voor die flauwekul.

28 november 2009

De dood.

Het valt mij op dat ik het in de stukjes, die ik de laatste tijd geschreven heb, vaak over de dood heb. Onze verwevenheid met de natuur uit zich immers in onze gemoedsstemming. En zeg nu zelf, dit zijn toch troosteloze dagen?
Voor mij en vele anderen is de herfst een tijd van afscheid nemen. Onze zomerdromen zijn door een slecht geheugen en een teveel aan fantasie tot anekdotes geworden die het op feestjes en in een weblog soms goed doen, maar in feite niets anders zijn dan een vorm van geschiedvervalsing. Was het eten in dat bijzondere restaurant in dat kleine pittoreske plaatsje aan het strand wel echt zo lekker als je jezelf nu herinnert of had je toen gewoon een vreselijke honger? Of was het de veel te hoge rekening waardoor je achteraf moet vaststellen dat het wel heel lekker moet zijn geweest?
En dat meisje of die jongen waarmee het zo leuk klikte. Was die nu echt leuker dan de partner waarmee je al jaren het bed deelt?
Het blijven onbeantwoorde vragen, want we koesteren onze leugens als kostbare juwelen. Niemand kan ons dwingen er afstand van te doen.

Met het korter worden van de dagen raken we wat ingekeerd. Te grote uitbundigheid kost nu eenmaal teveel energie en als voorbereiding op de winter moet ons organisme daar zuinig mee zijn. Zo is het bekend dat veel mensen in deze tijd behoorlijk in gewicht aankomen en het zal ook wel niet voor niets zijn dat we ons tijdens de vele feestdagen kunnen volproppen. Over enkele maanden, als al die vetlagen hinderlijk beginnen te worden bij het naderen van de zomer omdat ze dan weer zichtbaar worden voor onze medemens, staan we met een spijtige blik naar ons zelf in de spiegel te staren. Vaak is dit voldoende om ons te motiveren een extra sprintje te trekken of om drie keer per week naar de sportschool te gaan in plaats van één keer.
Gelukkig helpt de natuur ons dan een handje om ons weer min of meer in vorm te krijgen. De grote schoonmaak in het voorjaar ruimt niet alleen de troep op die we om ons heen hebben verzameld maar ook de rotzooi van binnen raken we wat makkelijker kwijt.

Behalve dat de dood zich uit in het symbolisch afscheid nemen van het verleden is er ook de echte fysieke dood. Terwijl ik aan mijn weblog werk zit Paula in het ziekenhuis een vriendin te troosten omdat haar man een paar uur geleden een hartstilstand heeft gehad. Van het ene op het andere moment was hij dood. Hij stierf onder haar ogen.
En nog geen maand geleden kreeg een collega waarmee ze goed kon opschieten een hersenbloeding die haar fataal werd.
Vooral als de dood onaangekondigd komt en wij er als het ware door worden overvallen, is de verbijstering groot.
Ik zat gitaar te spelen toen de telefoon ging en Paula het slechte nieuws kreeg. Aan haar gezicht zag ik hoe ernstig het nieuws was en ik stopte met spelen. Ik begreep dat er iemand was dood gegaan maar ik wist nog niet wie. Heel even was ik bang dat het één van onze kinderen zou zijn. Maar ik zag aan haar gezicht dat dit niet zo was. En als je dan hoort wat er werkelijk aan de hand is en er wordt bevestigd dat het niet om iemand gaat die je zelf goed kent en waar je mogelijk een band mee hebt is er, ook al is het nieuws nog zo slecht, vreemd genoeg toch ook een gevoel van opluchting.