Ik loop met grote passen de donkere lange smalle gang door, waarvan het eind niet is te zien. Mijn voetstappen worden gedempt door de rode loper die over de hele lengte van de gang is uitgelegd. Uit de plafonnières, die om de tien meter tegen het plafond zitten, komt een vaag geel licht. Portretten met ernstig kijkende gezichten van jongens en meisjes hangen aan beide zijden aan de muur, maar ik neem niet de tijd om ze goed te bekijken.
Op mijn zakhorloge zie ik dat ik nog vijf minuten heb. Nergens is een deur te bekennen. Ik versnel mijn pas. Een lichte paniek overvalt me. Straks kom ik nog te laat.
Even krijg ik het gevoel alsof er iemand achter me aan zit en kijk ik achterom. Maar de kaarsrechte gang is leeg en verdwijnt in de verte in het duister, net als het stuk dat voor me ligt. Als ik om de een of andere reden per ongeluk de andere kant uit zou lopen, zou ik dit niet eens in de gaten hebben.
Ik ben nu toch zeker tien minuten onderweg. Dat komt overeen met ruim een kilometer.
Hoe ver is het nog? Loop ik wel goed? Ik durf er niet aan te denken dat ik misschien de verkeerde gang genomen heb. Ik versnel mijn pas nu tot een lichte draf.
De lucht in de gang voelt kil aan, maar desondanks loopt het zweet langs mijn gezicht.
Ik hijg. Mijn benen voelen zwaar en lijken niet vooruit te komen. Het lijkt wel of mijn voeten bij elke stap dieper wegzakken in het pluche. Ik stop. Dit is zinloos. De vijf minuten zijn nu toch voorbij.
Ik veeg het zweet van mijn gezicht en loop in een rustig tempo verder. Haasten heeft geen zin meer. Dan zie ik, op nog geen twintig meter van mij vandaan, de deur.
Verrast en opgelucht dat ik bijna op mijn bestemming ben aangekomen, loop ik langzaam op de deur af. Het is een enorme donkere eikenhouten deur, zo breed en hoog als de gang, versierd met fijn besneden lijstwerk.
Ik duw hem voorzichtig open en zie een helder verlichte ruime kamer, waar achter een groot houten bureau een meisje zit met blonde krullen. Ik schat haar niet ouder dan twaalf. Ze draagt een lichtblauw mantelpakje en heeft een strik in het haar van dezelfde kleur.
Ze lijkt helemaal op te gaan in waar ze mee bezig is en kijkt pas op als ik voorzichtig kuch om haar aandacht te trekken.
Zo, daar ben je eindelijk, zegt ze gedecideerd. Kom binnen en ga zitten.
Verbaasd dat ik zo door haar wordt aangesproken stap ik de kamer binnen en laat me zakken in een van de twee ruime comfortabele stoelen die er voor het bureau staan.
Als door een wesp gestoken schiet het meisje overeind. Niet op die stoel, schreeuwt ze. Ze wijst op een houten keukenstoel die tegen de muur staat. Die stoel!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten