Het was vlak voor midwinter en het had een paar dagen flink gevroren. In Haaksbergen werd de eerste marathon op natuurijs gereden en ook in andere plaatsen haalde men de ijzers alvast uit het vet. Met twee weken vakantie voor de boeg keek men vol verlangen uit naar de ijspret die was beloofd. Schaatsenslijpers draaiden overuren. Handelaren die schaatsen verkochten deden goede zaken.
Toen begon het te sneeuwen. Eerst dwarrelde er argeloos hier en daar een enkel vlokje naar beneden, dat door de wind plagerig werd opgetild zodat het leek of het een dansje maakte. Verrukt probeerden kleine kinderen zo’n vlokje te vangen, maar als ze dit dan was gelukt en ze hun vangst aan anderen wilden laten zien, was er van het vlokje slechts een vochtig spoortje in hun handen achter gebleven.
Weldra vielen de vlokken in groten getale naar beneden. Omdat het zondag en nog vroeg in de ochtend was bleven de meeste mensen binnen. Van achter het raam keken ze toe hoe een steeds dikker wordende laag sneeuw binnen enkele uren de trottoirs en straten bedekte.
Het KNMI en de ANWB gaven een weeralarm af. Iedereen die niet de weg op hoefde te gaan of de trein moest hebben, werd aangeraden om thuis te blijven. Zo ging de dag voorbij en toen de schemering van de avond in viel sneeuwde het nog steeds.
Tot ieders verbazing bleef de sneeuw ook ’s avonds en ’s nachts vallen. Pas toen het er maandagmorgen naar uit zag dat het sneeuwen voorlopig niet zou stoppen, begon men zich ongerust te maken. Waarom hield het niet op met sneeuwen?, vroeg men zich af.
Op het nieuws werden beelden vertoond van kilometers lange stilstaande files. Het treinverkeer was volkomen ontregeld. De bussen werden door de vervoersmaatschappijen in de garage gehouden. Op diverse plaatsen was de stroom uitgevallen en daarmee ook de verlichting en verwarming.
Volgens het KNMI kwam er voorlopig geen eind aan de sneeuw. Op de buienradar was Nederland geheel verdwenen onder een aaneengesloten front van sneeuwbuien.
In de dagen die volgden bleef de sneeuw gestadig vallen en werd de samenleving steeds meer ontregeld. Bedrijven sloten de deuren. Winkels raakten door hun voorraden heen. Ondanks dat men verwoede pogingen deed om de stroom weer aan te sluiten, waren er steeds meer plaatsen waar de stroom uitviel. Mensen zaten met hun jassen aan op de bank in hun huizen te koukleumen. De dappere wijkzusters slaagden er in veel gevallen niet meer in om hun patiënten te bereiken en moesten hen vaak aan hun lot overlaten. Natuurlijk werd al snel besloten om het leger in te zetten, maar zelfs dat had niet tot gevolg dat er een einde kwam aan de misère. Van een kerstsfeer was nergens wat te bekennen, zo was men bezig om het hoofd boven water te houden. Degenen die nog wel over stroom beschikten, zagen op TV hartverscheurende taferelen van gezinnen die met holle ogen zichzelf warm probeerden te houden. Velen waren in slechts enkele dagen door hun voedselvoorraden heen en in de winkels was niets eetbaars meer te krijgen. Al snel eiste het barre weer zijn eerste slachtoffers onder de vooral wat meer kwetsbare bevolkingsgroepen. Ouderen en zieken waren aan zichzelf overgeleverd en zonder elektriciteit en verzorging was het onvermijdelijk dat zij door gebrek aan medische hulp, van de kou of door ondervoeding zouden sterven, wat tot ontzetting van velen inderdaad gebeurde.
Ook in de landen om ons heen had de sneeuw de samenleving volledig ontregeld. Van hen was geen hulp te verwachten. De regering noemde de zaak ernstig, maar sprak geruststellende woorden, waarin zij tevergeefs trachtte de schijn op te houden dat zij alles onder controle had. Kerstmis kwam en ging voorbij. Net als de jaarswisseling. Het sneeuwde nu bijna twee weken en op sommige plekken kwam de sneeuw boven de dakranden uit. De weersverwachtingen bleven onverminderd slecht.
Ik zit hier op mijn zolder en kijk door het raam naar buiten. De schuur in de tuin is verdwenen onder de sneeuw. Het lijkt of alle huizen in de straat gekrompen zijn. Gelukkig hebben we nog stroom en voldoende te eten. Eerlijk gezegd kunnen we het met elkaar nog wekenlang uithouden. Onze kinderen hebben ons telefonisch laten weten dat wij ons geen zorgen hoeven te maken. Ze redden zich blijkbaar wel.
Onze buren heb ik al weken niet gezien of gehoord. Net als wij zijn ze ingesneeuwd en kunnen ze niet naar buiten. De school waar ik les geef is tot nader orde gesloten en ook de thuiszorg ,waar Paula werkt, heeft de deuren dicht gedaan.
Hoewel het nog steeds sneeuwt, denk ik dat we het ergste achter de rug hebben. Dit kan zo niet langer door gaan. Wetenschappers vermoeden dat het ongewone weer het gevolg is van de klimaatsverandering. Misschien hebben ze gelijk; ik weet het niet. Over twee maanden begint de lente. Als straks de sneeuw gaat smelten verwacht ik dat dit tot veel overlast zal leiden.
De kou zal de ontbinding van de vele slachtoffers die in hun woning liggen nu nog vertragen. Nergens nog kun je de stank van lijken ruiken, ook al weet iedereen dat het er vele duizenden moeten zijn. Als straks de dooi inzet wacht ons de taak om de rommel op te ruimen en opnieuw te beginnen. Misschien slagen we er in om dergelijke rampen in de toekomst te voorkomen. Maar mensen zijn kortzichtig en hardleers. Veel reden voor optimisme is er daarom niet. Naast me ligt een stapel survivalgidsen. Ik vrees dat dit mijn favoriete lectuur gaat worden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten