Het jeukt op mijn hoofd. Zou ik luizen hebben? Net als mijn haar voelt de duisternis vettig aan. Waarschijnlijk door de olie waarin de oude Chinese kok die voor ons kookt al het eten frituurt, ongeacht wat het is en zijn keuken zit hier recht beneden.
Het gerochel en gekreun van de man naast me irriteert me. Zijn ademhaling is onrustig. Ik lig naast hem en beweeg me zo weinig mogelijk. Dit wordt opnieuw een lange nacht.
Het gegil en het slaan van deuren in de verte maakt me nerveus. Liever lig ik nu aan een mooi wit strand met kokospalmen. Zoals toen op Barbados, waar de zon zo fel scheen dat ik mijn neus pijnlijk verbrandde en het bijna twee weken duurde voordat de dikke korst, die zich er op had gevormd, was verdwenen. Natuurlijk probeerden we samen nog een paar leuke meiden te versieren, maar die moesten niets van die Hollandse zeelui weten. En wij konden alleen maar stom grinniken en obscene gebaren naar ze maken.
Veertien jaar. Ik moet hier weg. Na een week kon ik alleen nog maar aan vluchten denken. Er is nu een maand voorbij. Dertig dagen om precies te zijn. Met een spijker trek ik dagelijks een smal streepje op de muur. Na vier streepjes gaat er een horizontaal streepje doorheen.
Anderen voor mij hebben dit ook gedaan en daarom is er op de muur niet veel ruimte meer over. Ik schat in dat ik er nog 6 maanden op kwijt kan. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik deze ruimte helemaal nodig zal hebben.
Ik heb verschillende afspraken met mezelf gemaakt. Niet opvallen, alles eten wat je voorgeschoteld krijgt, geen ruzie maken en goed opletten.
De afspraak over het eten is het moeilijkst om na te komen. De reukzin van de kok is beschadigd door een ziekte, heb ik in de kantine van iemand te horen gekregen.
Zijn kookkunst lijdt daar overigens niet onder, want deze is volgens anderen altijd al slecht geweest.
Bijna alles wat we te eten krijgen is gefrituurd in een ranzig soort vet dat wekenlang wordt gebruikt en tussentijds niet wordt ververst. Kokhalzend had ik op mijn eerste dag mijn eten naar binnen gewerkt. En nog steeds word ik onpasselijk als ik mijn maaltijd krijg voorgeschoteld. Maar als ik niet eet zal mijn weerstand af nemen en ik wil kost wat kost voorkomen dat ik ziek word.
Omdat veel van mijn lotgenoten net zo tenger zijn als ik val ik niet zo op. Niemand kan hier aan mij zien dat ik een Hollander ben. Ik praat weinig met de mensen om mij heen, al zou dat geen probleem voor me zijn want ik spreek goed Spaans.
Ik kijk door het venster omhoog naar de lucht. De enkele sterren die ik zie twinkelen helder aan de hemel.
Thuis zullen ze zich wel afvragen hoe het met me gaat. Dat is tenminste een troost. En als het plan dat ik heb lukt, dan ben ik binnenkort weer bij ze.
Maar voorlopig moet ik nog maar eens zien of het me lukt om vannacht een beetje te slapen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten