Omdat ik geen aanstalten maak om op te staan, komt zij achter haar bureau vandaan en loopt op me af. Ben je doof? gilt ze en trekt aan mijn mouw. Het is blijkbaar de bedoeling dat ik nu alsnog opsta en timide op de houten keukenstoel ga zitten. Maar ik heb me hersteld van mijn aanvankelijke verbijstering en blijf zitten waar ik zit. Nog eenmaal trekt ze aan mijn mouw, maar het is niet overtuigend. Dan laat ze los en kijkt me met grote vochtige blauwgrijze ogen aan. Waarom doe je niet wat ik je zeg? vraagt ze nu met een zachte stem.
Zuchtend gaat ze weer op haar stoel zitten.
Zoals je wilt. Maar je maakt zo geen goede beurt bij mij. Vergeet dat niet. Ik hou er niet van als anderen niet doen wat ik zeg.
Ik neem haar zwijgend in mij op. Ze heeft net zo’n ernstige blik in haar ogen als de jongens en meisjes waarvan de portretten in de gang hangen.
Wel? zegt ze na een korte stilte. Wel wat? vraag ik haar.
Heb je niets te zeggen? Of heb ik hier voor niets op je zitten wachten? Waarom ben je zo laat?
Ik kijk op de middelste van de drie klokken die boven haar hoofd hangen. De wijzers geven aan dat het twaalf uur is. De klok rechts staat op drie uur en de klok links op negen uur. Ik pak mijn zakhorloge maar weer eens. Tot mijn verbazing zie ik dat ik tien minuten te vroeg ben. Maar dat kan niet. Zo-even was ik nog vijf minuten te vroeg, maar dat is zeker twintig minuten geleden.
Volgens mijn horloge ben ik te vroeg, zeg ik aarzelend. Ik laat haar het horloge zien. Ze kijkt er aandachtig naar. Hij geeft een andere tijd aan dan de klokken, zegt ze. Of de klokken lopen niet goed of jouw horloge. Jij mag het zeggen. Ze kijkt me triomfantelijk aan.
Haar opmerking heeft me in de war gebracht. Ik weet niet zeker meer of mijn horloge goed loopt. Van de klokken kan er maar één de juiste tijd aangeven. Het zou nu in de buurt van elf uur ’s morgens moeten zijn.
De klokken lopen in ieder geval verkeerd, zeg ik. Ze geven alle drie een andere tijd aan.
Als de klokken de verkeerde tijd aangeven wil dat nog niet zeggen dat jouw horloge de juiste tijd aangeeft, zegt ze. Opnieuw heeft ze die triomfantelijke blik.
Haar spelletjes beginnen me te vervelen. Daarom negeer ik haar opmerking en zeg
Ik kon de deur niet vinden. Je kon de deur niet vinden? Ze kijkt me verbaasd aan. Waren er dan nog andere deuren?Er is volgens mij maar één deur. Nog nooit heeft iemand deze deur niet kunnen vinden. Je wilt me toch niet zeggen dat je onderweg naar hier verdwaald bent?
Ik denk terug aan de eindeloos lange gang die ik heb afgelopen om hier te komen. De wanhoop die ik voelde omdat er maar geen einde aan leek te komen. De paniek die ik voelde opkomen toen ik ontdekte dat ik nog maar vijf minuten had.
Niemand had me gezegd dat de gang zo ontzettend lang zou zijn, zeg ik. Je kunt niet beweren dat ik niet mijn best heb gedaan om hier op tijd te zijn. Volgens mij weet jij ook niet hoe laat het is.Ik zie dat ze bleek wordt. Blijkbaar heb ik iets verkeerds gezegd. Of een gevoelig onderwerp aangeroerd. Kun jij wel klok kijken? vraag ik haar.
Ze slaat haar handen voor haar ogen. Ik wil het niet horen, zegt ze en ze herhaalt deze woorden in een steeds sneller tempo.
Je moet je handen voor je oren doen als je het niet wilt horen, zeg ik haar.
Ik heb nog nooit iemand zoals jou ontmoet, zegt ze. Je luister niet naar me, je bent brutaal en je denkt dat ik niet kan klok kijken. Heel even is ze stil en staart in gedachte naar de tekening die ze aan het maken was. Ik zie een heuvelachtig landschap met korenvelden, een stralend zonnetje, een molen en een rivier. Aan de horizon trekken wat wolken voorbij.
Wat een mooie tekening, zeg ik naar waarheid om de stilte te verbreken. Vind je hem mooi? zegt ze verrast. Dat is aardig van je. Je hebt gelijk, ik kan niet klok kijken. Maar als ik je in dienst neem, wil je het me vast wel leren.Haar stem klinkt weer zakelijk. En herinnert mij er aan waarom ik hier ben.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten