Het is nacht. Een schitterende sterrenhemel strekt zich boven het woud uit en toont ons een stukje van de eeuwigheid. Als er niemand nog weet dat wij ooit hebben bestaan, als het mensenras met al zijn fratsen in de vergetelheid is verdwenen en de aarde misschien weer door andere levensvormen wordt geregeerd, dan nog zullen er ontelbare sterren in kille schoonheid twinkelen aan het oneindige firmament. Het lijkt er op of zij ons willen herinneren aan onze nietigheid. Van sterrenstof zijn we gemaakt en tot sterrenstof zullen we terugkeren.
Bij een vuurtje zitten zo’n dertig mannen en vrouwen zacht te praten en te lachen.
Vannacht slaap ik bij Alonso in de tent. Ik hoop maar dat hij niet snurkt al vrees ik dat ik opnieuw weinig zal slapen.
Vincente heb ik verder met rust gelaten. Niet uit medelijden, want die Vincente is gewoon een grote rat en ook hem had ik graag een pak slaag gegeven. Net als zijn zoon.
Maar ik voelde me moe. De blauwe pil was uitgewerkt en ik had een barstende koppijn.
Het liefst was ik ergens in een hoekje gaan liggen om met rust gelaten te worden.
Toen ik Alonso vertelde dat ik me niet zo goed voelde had hij daar begrip voor. Hij gromde tegen Vincente dat hij geluk had gehad en stuurde hem weer de tent in.
Het kwam mij goed uit dat men ’s middags een siësta hield en ik sliep bijna vier uur aan een stuk.
Nu is het avond. Juanita had ik niet meer gezien sinds onze aankomst en ik durfde ook niet naar haar te vragen.
Ik schuif aan bij de mannen en vrouwen aan het vuur. Een kans om rustig te luisteren naar wat er allemaal wordt gezegd krijg ik niet, want men had mij natuurlijk overdag in het gezelschap van el comandante gezien. Ik wordt allerhartelijkst welkom geheten, de drank vloeit rijkelijk, de laatste blauwe pil die ik heb ingeslikt doet zijn werk en als er een jointje voorbij komt, gemaakt van de lokale wiet, die niet slecht smaakt en voor een aangename high zorgt en ik een haaltje neem, worden mijn oogballen bijkans uit hun kassen gezogen.
De tent van Alonso haal ik die avond niet meer. Ergens tussen de vuurplek en de tent stort ik neer en slaap ik mijn roes uit.
Als ik de volgende morgen wakker word is het schemerig. Ik ril van de kou. Ik lig op mijn rug en zie hoe recht boven mij, op zo’n dertig centimeter van mijn hoofd vandaan, een kolossale spin zijn web maakt. Even duurt het voordat ik besef waar ik ben. Ik ga overeind zitten.
Het is leeg tussen de tenten. Ik zie dat het vuur uit is. Twee ara’s vliegen elkaar zonder enig geluid te maken tussen de takken achterna. Ik sta op en loop naar de vuurplaats. Van de smeulende resten lukt het mij om wat takken aan het branden te krijgen. Even later zit ik in mijn eentje mezelf op te warmen aan een klein vuurtje. Ik bedenk dat het symbolisch is dat ik hier in mijn eentje bij het vuur zit. Ik ben een outsider, een bezoeker die, nu hij weet hoe ongerieflijk het leven in het oerwoud is, maar één ding wil; naar huis toe gaan. Ik staar in de vlammen en dommel een beetje weg. Zacht gebrom klinkt in de verte. Alsof iemand zijn grasveld aan het maaien is. Het geluid komt langzaam dichterbij. Het is een helikopter, besef ik opeens. Ik kijk nog eens goed of ik iemand zie, maar er is helemaal niemand.
Alonso. Ik moet Alonso wakker maken. Ik sta op en ren naar zijn tent, die zo’n honderd meter verderop staat. Ik roep zijn naam een paar keer hardop voordat ik de tent open doet. Alonso slaapt zo diep dat ik hem wakker moet schudden. Een helikopter, er komt een helikopter aan, roep ik. Met een snelheid die je van zo’n grote man niet verwacht komt hij overeind en graait zijn kleren bij elkaar. Maak iedereen onmiddellijk wakker, roept hij mij toe. Nu!
1 opmerking:
spannend !
Een reactie posten