Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

30 januari 2010

Mijn eerste dertiger dit jaar.

Zoals bekend mag ik graag een paar kilometertjes rennen. Hier begon ik jaren geleden mee nog voordat ik wist dat rennen zulke heilzame effecten heeft op je lichamelijke en geestelijke gezondheid. Inmiddels is het deel van mijn leefpatroon.
Vanmorgen lag er overal sneeuw en ik zag er tegen op om de dertiger te lopen die ik mezelf had beloofd. In zo’n geval zet ik mijn verstand op nul (alsof ik naar mijn werk ga) en ga gewoon lopen. Eerst moest ik de glibberige parkeerplaats af, die staat aan het begin van ons woonerf. Toen ging ik de wijk uit, richting Overschie. Een jongetje dat in zijn eentje aan het voetballen was in de sneeuw keek verbaasd toe toen hij mij zag rennen. Ik was verbaasd om hem in zijn eentje te zien voetballen in de sneeuw.
Op de polderweg was een shovel bezig om de sneeuw en het ijs van de weg te verwijderen.
Op de plaatsen waar hij al was geweest was het spekglad.
Bij Overschie ging ik onder de A13 door, liep een stukje langs de Rotterdamse Schie over de Kleinpolderkade en stak het bruggetje over dat toegang gaf tot Park Zestienhoven. Een vrouw stond naast de brug de vogels te voeren en werd bijna belaagd door de grote ganzen die uitzinnig stonden te gakken. Bij de Terletweg ging ik de Overschiese Kleiweg op.
Ik had inmiddels mijn balans helemaal gevonden en geen last meer van de gladheid, die op de meeste plekken nogal mee viel. De paar mensen die ik tegen kwam lachten vriendelijk tegen me. Ze zullen wel gedacht hebben dat ik niet goed bij mijn hoofd was.
Bij het Sint Franciscus Gasthuis ging ik de N471 onder door en naar links, de Kleiweg op richting Hilgersberg. Ik volgde de Kleiweg tot de Straatweg. Ik was nu een uurtje onderweg. Nog steeds had ik geen andere renners gezien. Ik rende de straatweg af en aan het eind boog ik naar rechts af en volgde de Weissenbruchlaan. Daarna nam ik de Burgemeester le fevre de Montignylaan tot aan de Molenlaan. Ik stak de Rotte over en kwam uit op de Terbregseweg. Ik voelde me uitstekend. Er stond bijna geen wind en het was aangenaam fris. Nadat ik het viaduct van de A20 was gepasseerd stond ik even later op de Bosdreef aan de rand van het Kralingsebos. Ik ging het bos in, dat er prachtig bij lag. Alles natuurlijk mooi wit en glinsterend in het zonnetje. En bijna geen auto’s. De enkele fietser die ik zag had het moeilijker dan ik door de sporen in de sneeuw, die waren opgevroren. Hier zag ik voor het eerst enkele andere lopers. Ik kwam bij de Plaszoom uit en volgde deze tot aan de Korte Kade.
Ik had er één uur en drie kwartier op zitten en ging nu weer op huis aan. Dwars door de stad, langs het Centraal Station, de Beukelsdijk af, langs de Schie en zo verder tot ik weer thuis was. Drie uur en een kwartier was ik onderweg over 30 kilometer. Mijn benen voelden alsof ze nog met gemak een uurtje verder konden.
Terugdenkend besef ik dat ik blijkbaar goed was voorbereid. Twee avonden pasta gegeten. Weliswaar stoned om 01.00 uur naar bed, maar wel uitgeslapen tot 09.30 uur.
En de afgelopen week niet gerend, zodat mijn benen utgerust waren.
Ik ga me nu toch maar voor die marathon opgeven. Mezelf voorbereiden zoals ik gepland had is door het winterweer niet helemaal mogelijk, maar ik heb vandaag gezien dat de basis goed is en ik heb nog twee maanden de tijd om me voor te bereiden. Dat moet lukken.

28 januari 2010

Palaver.

In alle vroegte hadden de mannen hout bij elkaar gesprokkeld en samen met nog na te kijken proefwerken werd daarmee in een fors uit de kluiten gewassen vuurkorf een vuur aangestoken. De vrouwen zorgden voor een lekker kopje hallucinerende ayahuascathee, die zij thuis hadden gezet en naar school hadden meegenomen in grote thermoskannen.
Zoals sommigen wel weten wordt ayahuascathee gebruikt om in een geestelijke toestand te geraken waarin men ontvankelijker wordt voor mystieke, religieuze gevoelens, verdieping van inzichten en om contacten met buitenaardse wezens soepeler te laten verlopen. Ook visuele hallucinaties (het zien van kleurige, bewegende beelden) worden soms opgeroepen.
Behalve voor de thee hadden de vrouwen ook voor lekkere hapjes gezorgd.
Het was nog vroeg en ons eerste kopje thee hadden we om half acht al op.
Alle stoelen en banken hadden we op de gang gezet en wij zaten met elkaar in ons ondergoed in een kring in het leslokaal. Het kostte ons enige moeite om onze adjunct er van te weerhouden alles uit te doen. Zo vroeg op de ochtend konden wij dit nog niet trekken.
Iedereen zat glazig voor zich uit te staren. Wat ons betreft kon de vergadering met ons opperhoofd beginnen.
Deze kwam stipt om acht uur aan en was verbaasd om ons zo aan te treffen. Verontwaardigd dat wij er als een stelletje indianen bij zaten en er zelfs geen stoel voor hem klaar stond wilde hij weer opstappen.
Maar gelukkig wist onze teamcoördinator hem te bewegen om zijn jas uit te doen en bij ons te komen zitten.
Het opperhoofd, ook wel bekend als voorzitter van het College van Bestuur, bleek een redelijke vent te zijn. Aarzelend liet hij zich een kopje ayahuascathee inschenken. Hij had nog meer vergaderingen die ochtend en aan zijn ogen te zien had hij nog een kater van gisteravond te verwerken. In ieder geval was hij goed aanspreekbaar en iedereen deed daarom zijn zegje.
Onderwerpen waarover we het met elkaar hadden waren het talencentrum, de doorstroom naar het HBO, het uitje met de meiden uit het tweede jaar naar het naaktstrand bij ’s Gravenzande begin juni (verplicht onderdeel van de opleiding, maar er bestond grote weerstand hiertegen bij de ouders van met name de moslimmeisjes), het opzetten van een topklas, de te grote schooluitval, blowen tijdens de les (al eerder was in de nieuwsbrief opgemerkt dat de docenten dit buiten moesten doen), het onderwijscafé, het afsluiten van convenanten met de gemeente en nog diverse andere zaken.
Een veelgehoorde klacht was dat bij de ontwikkeling van het nieuwe onderwijsmodel de kaders voortdurend veranderden. Het opperhoofd herkende dit en gaf aan dat al die regelgeving gebaseerd was op wantrouwen van de overheid in het onderwijs.
De strekking van zijn boodschap aan ons was dat wij de baas zijn en hij adviseerde ons dat wij ons niet teveel moesten laten ringeloren door de regelneven in Den Haag.
Om negen uur moest ik surveilleren en met enige tegenzin stond ik op om het lokaal te verlaten. Gelukkig was er nog iemand helder genoeg om mij er op te wijzen dat ik alleen mijn onderbroek aan had en dat ik mij beter even kon aankleden. Onze adjunct was helemaal naakt, maar niemand nam er aanstoot aan. Iedereen wist dat hij een fundamentele nudist was, die het liefst nooit kleren droeg.
Terwijl ik mij aan het aankleden was, hief de groep een lied aan, waar een enkeling in extase dwars doorheen brulde. Zo uitgelaten kende ik mijn collega’s nog niet.
Iemand van facilitair kwam ondertussen binnen en vroeg ons beleefd of de vuurkorf uit kon. De gehele 8e en 9e verdieping stonden onder de rook en de leerlingen hadden geklaagd dat het zo stonk. Iedereen keek naar het opperhoofd, dat rustig knikte en niks zei.
De facilitair medewerker bedankte hem en wenste ons nog een prettige ochtend toe.
Ook ik ging weg en iedereen zwaaide en riep alsof het een afscheid voor altijd was.
Ik had erg tegen de bijeenkomst op gezien, maar achteraf ben ik blij dat ik dit heb mogen meemaken.

27 januari 2010

Veranderingsmoe.

Zal het erg opvallen als ik morgen om acht uur met van die grote rode stuiters bij de vervroegde vergadering zit, waarvoor ook de voorzitter van het College van Bestuur is uitgenodigd?
Hij (en ik geloof nog een ander duur bestuurslid) is gevraagd om wat te komen vertellen over de grote organisatieverandering waar we midden in zitten, waarbij ons Regionaal Opleiding Centrum (ROC) wordt omgevormd tot een Lokaal Opleiding Centrum (LOC).
Deze verandering wordt versneld doorgevoerd naast de onderwijskundige verandering waarmee we te maken hebben, waarbij het Probleem gestuurd Onderwijs (PGO) wordt ingeruild voor het Competentie Gericht Leren (CGL) en naast de organisatorische verandering bij de opleiding waar ik zit, waarbij twee opleidingen zijn samengevoegd.
Drie veranderingen die door elkaar heen lopen en die voor grote onduidelijkheid zorgen.
Deze zal na morgen vermoedelijk alleen maar groter zijn.
Waarschijnlijk roepen de antwoorden die we krijgen alleen maar meer vragen op.
Zelf heb ik totaal geen behoefte om te weten waarheen we koersen. Ik ben al zo vooringenomen over de resultaten die ik van al deze veranderingsprocessen verwacht, dat ik het liefst morgen een half uurtje blijf liggen.
Bovendien ben ik een beetje veranderingsmoe. Er is de laatste jaren teveel met mij gezeuld van links naar rechts en dan weer terug. Gewoon omdat het management ook geen duidelijk beeld had waarheen zij wilde. En dat hebben ze nog niet, zodat we voortdurend elkaar tegensprekende instructies krijgen. Gezonde mensen worden er knettergek van en alleen omdat ik ook niet helemaal geestelijk gezond ben red ik het uitstekend. Maar ik ben wel een beetje mentaal moe geworden van dit amateuristisch gefröbel dat enorm zijn weerslag heeft op het onderwijs.
Maar ik kom toch, omdat ik Wim niet wil afvallen. Dat is onze coördinator en heel toevallig zijn wij samen in dezelfde buurt opgegroeid. We kwamen op dezelfde plekken en kenden dezelfde mensen. Het is een goeie vent en het zou een beetje lullig zijn als de helft van het team niet zou komen opdagen. Ieder ander had ik waarschijnlijk laten weten dat ik niet komen zou.
Om negen uur begint gewoonlijk onze donderdagochtend vergadering en ik moet deze keer toevallig surveilleren. Gewoon verkeerd ingeroosterd, vermoed ik. Misschien kan ik dan nog een beetje slapen. De acht leerlingen die komen kan ik wel zo uit elkaar zetten dat ik voor spieken niet bang hoef te zijn. En dan nog.
Laat ik mezelf voor morgenvroeg maar de rol van observator aanmeten. Een uitgelezen kans om het gedrag van mezelf en dat van mijn collega’s te observeren in de buurt van iemand met een hogere status. Daar had ik het vroeger ook niet gemakkelijk mee. Toen werd ik meestal agressief. Met het ouder worden schijn je echter volgens Erickson steeds vaker geneigd te zijn om te zeggen “Mankind my kind”, alsof die arme sodemieters er ook niets aan kunnen doen. En terwijl ik dit typ voel ik opeens mijn maag omhoog komen. Hoe zou dat toch komen?

26 januari 2010

Automobilisten, jullie zijn gefopt.

Het doet me veel plezier dat onze Camiel zich aan de 2e kamer heeft moeten verantwoorden voor zijn poging om aan de ANWB-leden het laatste woord te geven voor wat betreft de besluitvorming over rekeningrijden. Ik vond dat hij mooi voor lul stond.
Heel even dacht ik met een nieuwe trend te maken te hebben. Door middel van het raadplegen van de leden van grote organisaties gaan wij voortaan ons land besturen en zetten we de 2e kamer buiten spel.
Als we de toelages aan studenten willen verlagen vragen we eerst wat zij daarvan vinden. Als er geen draagvlak is, dan gaat de verlaging niet door.
Voor belangrijke besluiten op het gebied van consumeren wenden wij ons tot de consumentenbond, want deze heeft ook veel leden.
Voor het milieu hebben we greenpeace en milieudefensie, maar er zijn er natuurlijk wel meer die dan ook hun bijdrage willen leveren aan het publieke debat.
Ik besef opeens dat ons land tientallen verenigingen heeft waarvan de leden best wel mee willen praten bij de besluitvorming over onderwerpen die hun portemonnee raken. Of over andere belangen die zij menen te hebben.
Nee, Camiel. Je bent een ordinaire volksmenner. Je belooft de mensen dat je naar hen zult luisteren en vervolgens verbaas je je er over dat er zo’n commotie ontstaat.
Hoongelach in de kamer was je deel. En terecht. Nu volgt er hoongelach uit de rest van de samenleving. Je hebt de politiek en de democratie een slechte dienst bewezen.
Ook jij komt uit de draaikontencultuur van de papen en al staat je met je 36 jaar en zo’n dijk van een CV nog een mooie toekomst te wachten, voor mij ben je en blijf je de kwal die verantwoordelijk is voor het zinloos doortrekken van de A4 dwars door Delfland. Ja zeker, ik ben niet geheel onbevooroordeeld.
Toen al dacht ik: die man deugt niet. Het is een nieuwe Elco Brinkman. Wat hij als politicus ongetwijfeld ziet als een compliment, maar zo is het zeker niet bedoeld.
Elco is de slimbo die nog niet door de mand gevallen is. Voorzitter van het ABP, voorzitter van het Rode kruis en voorzitter van Bouwend Nederland, de vereniging van bouw- en infrabedrijven. Eén van de machtigste mannen in de samenleving die achter de gordijnen aan de touwtjes trekt. En Camiel zou maar wat graag in de toekomst in zijn voetsporen treden, vermoed ik. Maar dan zal hij toch zorgvuldiger zijn woorden moeten kiezen.

25 januari 2010

Lummelen.

Voor de enkele leerling die dit leest, is het misschien wel een troostrijke gedachte dat ook ik van die momenten heb dat er niets uit mijn handen komt. Dat ik maar loop te lummelen.
Er ligt een klus die geklaard moet worden, er is een deadline en anderen zijn van je afhankelijk. Elke dag neemt de werkdruk een beetje toe. De dagen glijden voorbij, je zit in de trein en kijkt naar buiten en denkt aan het werk dat op je wacht, je opent een lade in je hoofd waar je deze gedachte in kiepert en als het lijkt alsof een slapend monster in die lade tot leven komt, loop je zuchtend de kamer uit en doet de deur stevig achter je dicht. Wat ik niet zie, dat bestaat niet.
Ik heb het nog niet eens over de verbouwing, die al sinds de herfst stil ligt. De HR-ketel is nog niet besteld, het laminaat moet nog in de gang en de slaapkamer worden gelegd, de muren kunnen wel een behangetje en een likje verf gebruiken, het bekleden van de radiatoren is geen overbodige luxe en over mijn werkkamer wil ik het niet eens hebben. Dat is een hoofdstuk apart.
Nee, ik heb het over mijn werk. De handleidingen die ik maken moet. De toetsen die ik nog na moet kijken. De afspraken die ik nog met de stage-instellingen maken moet. De gesprekken die ik allemaal nog moet voeren met de leerlingen die ik begeleid.
Ja, soms vliegt het me even aan.
Dan pak ik de gitaar maar weer of ga ik wat lezen, ik beantwoord mijn mailtjes of neem een warme douche. Dat ik wekelijks een aantal keer moet rennen is voor mij een zegen. Al heb ik me nog steeds niet opgegeven voor de marathon. Dat komt omdat ik nu nog twijfel of ik me tot nu toe wel goed voorbereid heb en ik me afvraag hoeveel tijd ik nog heb om me voor te bereiden.
De korte stukjes, zeg maar zo’n 15 kilometer, gaan probleemloos. Maar boven de 25 kilometer heb ik nog wat probleempjes. Ik zal in de weekends een paar dertigers moeten inplannen en eens kijken hoe dat gaat.
Natuurlijk kost het rennen veel tijd, maar dat doe ik voor mezelf. En jezelf verwaarlozen is toch wel zo onverstandig. Nee, dat moet je pas doen als je alle anderen om je heen verwaarloost heb en er niemand meer over is dan jezelf. Tot nu toe is het zover in mijn leventje niet gekomen.
Het is nu half elf. Ik zou nog wel wat voor school kunnen doen, maar ik heb er geen zin in. Eens kijken of er nog post is. En een pretsigaretje draaien. Ik geef er de voorkeur aan om de dag lummelend af te sluiten.

N.B. Veertien dagen geleden zat ik ook al zo te zeiken dat ik het druk had. Terwijl 'het druk hebben' helemaal 'uit' schijnt te zijn. Nee, je bent pas interessant als je het NIET druk heb; als je met een lach op je gezicht kunt zeggen dat alles onder controle is, dat je barst van de energie en zin heb om weer eens wat anders te ondernemen. En ik wil ook interessant gevonden worden. Daarom dus bij deze: ik heb het niet druk. Ik doe niet eens druk. Ontspannen zit ik achter mijn toetsenbord en geniet van de gedachte dat ik me de komende dagen de blubber kan werken zodat ik mijn spullen op tijd af heb. Tenslotte is dit tot nu toe altijd gelukt. Mijn handen trillen niet, er staat geen zweet op mijn voorhoofd, mijn hart klopt rustig en 's nachts slaap ik als een onschuldig kind, dat voor het slapen gaan nog even gezoogd is aan de warme borsten van zijn mams. Ik voel een en al vrede in mij. Wat is het leven toch mooi. En nu de hoogste tijd voor de pretsigaret die mij zelf heb beloofd.

23 januari 2010

John

John,

ik vind het heel vervelend dat je mijn probleem op je weblog hebt behandeld. En dan ook nog eens op zo’n seksistische manier. Ik heb een paar van je verhaaltjes gelezen en besef nu dat ik beter had moeten weten.
Je opmerkingen en adviezen raken kant nog wal.
In tegenstelling tot wat jij denkt, ben ik niet wanhopig. Dat ik mij tot jou heb gewend, komt omdat ik de indruk had dat jij anders was dan al die andere mannen die ik sinds mijn zestiende heb versleten. Ja, dat had je niet van mij gedacht, hè? Jij kent mij alleen als dat stille lieve meisje uit de klas, dat altijd blij leek als je haar aandacht gaf.
Is het wel eens in je opgekomen dat ik gewoon met je zat te flirten? Ja ik, die stille Truus.
Je schrijft dat je wel eens een beetje opgewonden van me werd. Nou, je hebt je opwinding altijd goed voor me weten te verbergen. En dat is maar goed ook. Ik viel toen niet op oude mannen en dat doe ik nog niet.
Je opmerking over jongens, die het op prijs stellen als je als vrouw weet wanneer je je mond open moet doen en wanneer niet, vind ik ronduit walgelijk.
Als er één een goede blowjob kan geven, dan ben ik het wel. Maar goed, je zult me op mijn woord moeten geloven, want je zult het nooit meemaken dat ik die pegel van je in mijn mond neem. Ik ril al bij de gedachte.
Ik heb ook nog een advies voor jou. Ga je eens gedragen zoals men van je verwacht. Accepteer het nu maar dat jij je tijd gehad hebt. Achter de horizon wacht geen jonge mooie vrouw op je die naar je verlangt, maar een verpleegster met een rolstoel die je bij mooi weer ergens buiten in het zonnetje zet. Als je geluk hebt krijg je straks zo af en toe een aai over je bol van haar. Nog tien, hooguit twintig jaar en dan ontmoeten jullie elkaar. Denk jij dáár maar eens goed over na. Nou John, het allerbeste. Waarschijnlijk bedoel je het niet slecht, maar aan jou heb ik ook niks. Groetjes,

Truus (echte naam bekend bij John)

Truus,

je hebt mijn hart gebroken. Ik kan niet geloven dat wat je schrijft echt helemaal waar is en dat je de lullige opmerkingen die je maakt werkelijk meent.
Ik geef toe dat ik misschien beter een andere toon had kunnen aanslaan in mijn reactie op jouw brief. Ik wilde grappig doen en hoopte een glimlach op je lippen te toveren. Ik had niet de bedoeling om je het gevoel te geven dat ik je dom of saai vond. Juist uit je reactie blijkt dat je uitgegroeid bent tot een volwassen assertieve vrouw.
Je moet er niet te zwaar aan tillen dat ik alles op mijn weblog zet, want behalve jij en Theo leest niemand de shit die ik hier opschrijf.
Dat is de reden dat ik ook je tweede brief aan mij hier openlijk behandel.
Dat jij al vanaf je zestiende met mannen naar bed gaat, vind ik schokkend. Niet omdat ik daar moeite mee heb, maar ik had het inderdaad nooit achter je gezocht.
Door jouw reactie ben ik mij gaan afvragen of de beelden die ik van mijn leerlingen heb sowieso al kloppen. Ik heb nooit beweerd dat ik een ‘mensenkenner’ ben, maar dat ik er zover naast zou zitten wat betreft jou, had ik nooit verwacht. Dit is echt een opdoffer voor mijn ego.
Dat ik mijn tijd gehad zou hebben, vind ik zo’n afgezaagde opmerking. Zolang ik mij voel als een jonge hengst en nog goed kan presteren, denk ik niet aan die zuster met die rolstoel ergens achter de horizon.
Je schrijft dat ik me zou moeten gedragen zoals men van mij verwacht. En dat ik mijn tijd gehad heb. Wel Truus, je zat er nog nooit zover naast. Maar goed, ik heb niet de behoefte om je te overtuigen aangezien jij gelooft dat oudere mannen hem alleen nog maar gebruiken om te plassen.
Ik begrijp uit je brief dat mijn adviezen aan jou overbodig waren. Gelukkig maar. Ik denk dat een meisje zoals jij, dat haar mondje bij zich heeft, zich prima in deze wereld kan redden. Het ga je verder goed.

22 januari 2010

Lieve John

Lieve John,

ik zit met het volgende probleem. Ik ben een eenzaam lief meisje van twintig jaar dat snakt naar een beetje genegenheid. Hoewel je dit misschien niet van je jezelf kunt zeggen vind ik, dat ik er niet onaantrekkelijk uit zie. Eerlijk gezegd ben ik wel tevreden met mijn uiterlijk.
Ik heb, zoals jullie mannen zeggen, een leuk figuurtje, ik ruik lekker fris en weet wanneer ik mijn mond moet houden. Maar een vriendje heb ik niet. Ik ben dus op zoek naar een leuke knul om samen spannende dingen mee te doen, zoals uitgaan, televisie kijken en kleine stadjes bezoeken. Nu doe ik dit allemaal met mijn zusje, maar die heeft sinds kort verkering en daarom heeft ze nu veel minder tijd voor me. Wat moet ik doen? Ik wacht je antwoord met spanning af,

Truusje (echte naam bekend bij John)


Lieve Truus,

Bedankt voor je brief. Je moet wel erg wanhopig zijn dat je mij schrijft. Tenslotte had ik je vader kunnen zijn. Sommige van mijn leeftijdsgenoten zijn zelfs al grootvader.
Ik ken je probleem. Zoals ik jou in gedachte voor me zie, herken ik de beschrijving die je van jezelf geeft. Je hebt zeker een leuk figuurtje. Zoals wij mannen tegen elkaar zeggen: dat is een echte stoot. Daar zou ik wel eens een ontbijtje mee willen eten.
Lekker ruiken doe je beslist. Je gebruikt geen goedkope Hemageurtjes. Volgens mij ruik jij puur natuur. Een beetje naar de lente aan het eind van de winter en een beetje naar de herfst aan het eind van de zomer. Toen wij elkaar nog zagen, werd ik soms wel eens een beetje opgewonden van je. Dat kan ik je nu wel bekennen. Nee, het is niet jouw stevige figuurtje met die zachte rondingen noch je geur waarom je nog niet aan de man bent. Ik kan mij dit althans niet voorstellen.
Het is waarschijnlijk omdat je wel weet wanneer je je mond moet houden, maar niet wanneer je hem open moet doen. Want jongens stellen dat op prijs. Denk daar maar eens goed over na.
De spannende dingen waar jij het over hebt zijn natuurlijk oersaai. Vrijen met een onbekende en dan zonder condoom, dat is pas spannend. Nog dagen er na blijft deze spanning hangen als je jezelf afvraagt of je toch misschien zwanger bent geworden of misschien wel een geslachtsziekte hebt opgelopen.
Wat ook spannend is, is om bij volle maan ’s nachts in je eentje door het park bij de euromast te lopen. Of een advertentie plaatsen met de tekst: j.vr.m.gr.b.zkt.g.b.m.g.p. en dan je telefoonnummer.
Nog spannender is het als je het telefoonnummer van je ouders vermeldt en hun vraagt de telefoontjes voor jou op te schrijven mocht je ze gemist hebben omdat je niet thuis was.
Nee Truusje, uitgaan is alleen spannend als je zonder geld in een restaurant gaat eten,tussen de mannen gaat zitten in een pornobioscoop of naar kleine stadjes gaat waar demonstraties van Nieuw Rechts worden verwacht.
Maar wat moet je nu doen? Want dat wil je weten.
Ik denk dat je gewoon op een leuke jongen moet afstappen als je hem ziet en hem direct moet zeggen dat je vindt dat hij er leuk uit ziet. Nee heb je, ja kun je krijgen.
Natuurlijk kun je het ook subtieler aanpakken. Straks is het weer Valentijn en wat is er verkeerd mee om aan alle jongens die je leuk vindt een kaart te sturen waarop je vermeldt dat ze een geheime bewonderaarster hebben. Zorg dat je een pre-paid telefoontje hebt en vermeld je nummer op de kaart. Wellicht krijg je een aantal reacties terug. Wie weet kun je straks kiezen.
Mocht dit allemaal niets opleveren en je echt wanhopig zijn, laat me dit dan weten.
Geloof me, een meisje zoals jij hoeft zich echt niet eenzaam te voelen.

21 januari 2010

Voortgangsvergadering.

Eén van de vele onderwijsvormen in onderwijsland is het Competentie Gericht Leren (CGL). Ik smaak het twijfelachtige genoegen om als docent uit de eerste hand te ervaren wat dit CGL voor een effect heeft op leerlingen en collega’s. Onderstaand verhaal had zomaar eens waar kunnen zijn.

Voorzitter: Dan is nu Rishma aan de beurt. Wie heeft Rishma? Ellen?
Ellen: Ben ik haar coach?
Voorzitter: Dat zou jij moeten weten. Volgens de lijst wel.
Ellen: Die lijst klopt niet.
Voorzitter: Dit is de nieuwe lijst.
Ellen: De nieuwe lijst? Ik heb hier de oude.
Voorzitter: Die moet je weggooien.
Ellen: Zal ik doen. Mag ik eens op die nieuwe lijst kijken?
Voorzitter: Alsjeblieft.
Ellen: Je hebt gelijk. Ik zie hier ook Mohammed staan. Zijn dit de leerlingen die ik overneem van Gerda?
Voorzitter: Dat zal wel. Gerda is weg. Die is al vier maanden weg.
Ellen: Ja. Je hebt gelijk. Ik ben haar coach. Ik was in de war met Madhu.
Voorzitter: Die zit in 2C. We bespreken nu de leerlingen van 2B.
Ellen: 2B? Ik was er even niet bij. Ik dacht dat we met 2C bezig waren. Heb jij haar rapport?
Voorzitter: Dat heb je zelf.
Ellen: Ik heb de stukken vanmorgen pas gekregen. Ik heb nog geen tijd gehad om…
Voorzitter: Ik heb de stukken gisteren in je bakje gedaan.
Ellen: Toen was ik zeker al naar huis.
Voorzitter: Om elf uur?
Ellen: Ik heb zeker vergeten om in mijn bakje te kijken voordat ik weg ging.
Voorzitter: Zullen we verder gaan?
Ellen: Hier heb ik haar rapport. Nu weet ik het weer. Ik zie haar nooit op school. De jongedame trekt haar eigen plan. De cijfers zijn redelijk. Hoewel? Ze heeft toch nog zo’n acht onvoldoendes.
Voorzitter: Die heeft gewoon haar eigen agenda.
Ellen: Het is echt bizar. Wie is haar stagedocent? Is niemand haar stagedocent?
Voorzitter: Dat is Louise. Maar die komt later. Ze heeft eerst nog een afspraak met iemand gemaakt. Haar eigen leerlingen interesseren haar zeker niet.
Ellen: Hoe weet ik nu hoe ze het in haar stage doet?
Harry: Kunnen we niet een beetje opschieten. We moeten nog een hele klas. We hebben nog maar een half uur.
Voorzitter: Harry heeft gelijk. Iemand nog iets over Rishma?
Hans: Ik zou haar een contract geven op afwezigheid.
Maaike: Is dat nu wel zo slim? Bij mij is ze altijd in de les aanwezig.
Hans: Ik ken haar niet. Ik geef geen les aan de 2e jaars.
Ellen: Zal ik haar een contract geven?
Mieke: Sorry dat ik nu pas reageer. Maar ik ben de stage-docent van Rishma. Louise heeft haar aan mij overgedragen. Ik ga volgende maand bij haar langs.
Ellen: Had Louise nog wat over haar gezegd bij de overdracht?
Mieke: Alleen dat ze het te druk had gehad om langs te gaan. Ik heb twee leerlingen van haar overgenomen. Rishma is er één van.
Ellen: Nou weet ik nog niet wat ik moet doen.
Maaike: Ik zou haar een waarschuwing geven. Ik weet dat ze thuis problemen heeft en daarom niet naar school kan komen.
Ellen: Hoe komt het dat ik dat niet weet?
Harry: Sorry jongens. We zijn nu al tien minuten met Rishma bezig. Dat kan toch wel sneller?
Voorzitter: Je geeft haar een contract en als ze de komende drie maanden aanwezig is dan vervalt dat contract weer.
Ellen: Dat zou ik misschien wel kunnen doen.
Maaike: Ik zou haar echt geen contract geven. Je kunt het beste eerst een gesprek met haar voeren en daarna beslissen.
Voorzitter: Oké. Wat doen we? Contract? Geen contract?
Ellen: Je hebt gelijk. Ik zal haar eerst eens oproepen.
Voorzitter: Helder. Gaan we naar de volgende. En graag een beetje sneller, want dit duurt te lang. De volgende is Erdogan. Wie heeft Erdogan? Niemand? Erdogan, die lange magere jongen met dat vlassige baartje.
Hans: Oh, die? Nee, die heb ik niet. Volgens mij heeft Gerard hem.
Voorzitter: Gerard komt straks. Die belde vanmorgen op dat zijn vrouw de wagen nodig had en dat hij met de trein komt.
Ellen: Rijden de treinen dan? Toen ik vanmorgen hier naar toe ging heb ik een half uur staan wachten.
Harry: Jongens, ik word hier gek. Is er dan niemand die een beetje zelfdiscipline heeft?
Voorzitter: Parkeren we Erdogan maar. Who’s next? Illich? Die is van jou, Harry.
Harry: Geen bijzonderheden. De volgende.

Nu denk je misschien dat ik dit echt allemaal verzonnen heb? Helaas, zoveel fantasie heb ik niet.

19 januari 2010

Stop met het versterven van baby’s!

Als ik dan toch mag kiezen waarover ik me vandaag erg boos moet maken, dan over het laten versterven van baby’s in Nederland.
Pas vandaag heb ik daar voor het eerst over gehoord. Mogen degenen die verantwoordelijk zijn voor de wetgeving die dit mogelijk maakt voor eeuwig branden in de hel. Dat zij tijdens hun aardse leven minstens zo mogen lijden als de ouders van zo’n baby.
Ik hoop dat zij op hun sterfbed niet eerder dood gaan dan nadat de laatste druppel vocht uit hun lichaam is verdampt. Nog mooier zou het zijn als magere Hein er pas na tien jaar achter kwam dat hij ze per ongeluk is vergeten. “Kom me halen”, roepen ze tevergeefs snakkend naar verlossing.
Als er een God is en als Hij rechtvaardig is, dan laat hij dit tuig langzaam creperen.

In Nederland, dit prachtige land waar we allemaal zo veel van houden, lopen mensen rond die er voor hebben gezorgd dat pasgeboren baby’s met ernstige, levensbedreigende afwijkingen, niet op een vredige wijze mogen inslapen. Dit ondanks het ernstige lijden dat hen te wachten staat.
Jaarlijks zijn er zo’n twintig babi’s die men laat versterven. Wat dit inhoudt, lees je in het volgende artikel uit de Volkskrant van 19 januari, geschreven door Maud Effting

AMSTERDAM - Kinderartsen in Nederland willen ruimere regels voor actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen met zeer ernstige handicaps. Dat stelt kinderarts Eduard Verhagen namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.

Sinds een paar jaar durven veel kinderartsen het vanwege nieuwe regelgeving niet meer aan om over te gaan tot actieve levensbeëindiging met medicijnen bij pasgeborenen. In plaats daarvan kiezen ze voor een omweg: ze laten het kind ‘versterven’.

Dat houdt in dat alle levensverlengende behandelingen worden gestaakt. De sondevoeding stopt, en de baby raakt langzaam uitgemergeld totdat hij uiteindelijk sterft aan de hongerdood. Dat kan soms wekenlang duren. ‘Voor sommige ouders is het heel moeilijk om dat aan te zien’, zegt Verhagen.

Ondraaglijk en uitzichtloos
In de richtlijnen staat dat het leven van een baby alleen actief mag worden beëindigd als het kind op dat moment ‘ondraaglijk en uitzichtloos’ lijdt. Maar volgens kinderartsen gaat het juist vaak om ondraaglijk lijden in de toekomst. ‘Als je het kind op dat moment ziet, ligt het er vaak prima bij’, zegt Hans van Goudoever (Erasmus MC), hoofd van de grootste Nederlandse intensive care voor pasgeborenen. ‘Maar je wéét dat het binnen afzienbare tijd ondraaglijk gaat lijden. Bijvoorbeeld aan epilepsie, spasticiteit, longontstekingen, doofheid, blindheid, of andere zware geestelijke en lichamelijke handicaps.’

Verhagen: ‘Wij willen daarom dat de criteria worden uitgebreid met toekomstig ondraaglijk lijden.’ Volgens hem is een belangrijke meerderheid van de kinderartsen daar voor.

Wanhoop
‘Ouders zijn vaak wanhopig’, zegt Van Goudoever. ‘Soms vragen ze heel direct of het leven van hun baby beëindigd kan worden. Maar dan moeten we uitleggen dat we dat niet mogen. Terwijl iedereen het erover eens is dat het leven van zo’n kind geen zin meer heeft. Ouders zeggen weleens tegen me: we behandelen onze huisdieren humaner dan ons kind.’

Actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen kwam vóór 2007 zo’n 15 tot 25 keer per jaar voor. Kinderartsen moesten zich tot hun onvrede destijds melden bij justitie. In 2007 stopte dat, toen er een commissie kwam van deskundigen om de gevallen te beoordelen.

Versterven
Sindsdien zijn er geen meldingen geweest. Dat kan deels komen doordat in 2007 de twintig wekenecho werd ingevoerd; zware handicaps bij kinderen worden eerder ontdekt, waarna vaak abortus volgt. Maar dan nog worden er jaarlijks kinderen geboren met zulke ernstige problemen dat het ondraaglijk gaat worden. In die gevallen zou nu worden gekozen voor ‘versterven’. Voorzitter Joep Hubben van de toetsingscommissie zegt de signalen te kennen, en werkt aan een onderzoek.


Ik heb dit artikel niet uit sentimentaliteit opgenomen in mijn blog van vandaag. Ik hoop oprecht dat de media-aandacht die er nu voor dit onderwerp is lijdt tot humanere wetgeving.
Hoe vaak zal het nog gebeuren dat ogenschijnlijk beschaafde mensen met een prima opvoeding en scholing, op basis van ideologisch of religieuze opvattingen besluiten nemen, die kunnen leiden tot zoveel groot verdriet?

17 januari 2010

Voor de laatste keer ontmaagd.

Vooruit Theo, nog één bordje pap. Dan heb je genoeg gehad.

Ik kan natuurlijk niet bezig blijven. Daarom is dit mijn laatste ontmaagding. Straks denk je nog dat ik het allemaal verzonnen heb.
Het zou wel origineel zijn om een boekje met korte verhalen te schrijven die uitsluitend gaan over de keren dat de schrijver zelf ontmaagd werd. En niet alleen in deze wereld, maar ook in Wonderland door Alice, door Katrien Duck in Disneyland en door Tinkerbel in Nooitgedachtland, om maar een paar bekende hete dametjes te noemen. En wat te denken van een ontmaagding door vrouwen die leefden in een wereld die al voorbij is?
De geschiedenis heeft de mooiste en interessantste vrouwen voortgebracht. Hun naam en wat anekdotes is alles wat er nog van ze rest. Zelfs de mest die van hen over bleef is soms al gerecycled. Waarom de gedachten aan hen geen nieuw leven ingeblazen?
Ontmaagding heeft iets obsessief. Alsof het heel bijzonder is en dat pas hierna het leven echt voor je begint. Natuurlijk de grootste flauwekul, maar dat weet je niet als je zelf nog maagd bent. Voor vrouwen of meisjes is het vooral triest dat hun leven een kans loopt verwoest te worden door de verkeerde ideeën over ontmaagding. Als bij hun huwelijk bijvoorbeeld blijkt dat ze geen maagd meer zijn en hun omgeving ten prooi valt aan een collectieve krankzinnigheid.
Er zijn vrouwen die zich genoodzaakt voelen om een nieuw vliesje te laten aanbrengen omdat ze groot gevaar lopen als het uitkomt dat ze geen maagd meer zijn. Geloof me, die kerels die hen dat kwalijk nemen gaan zelf niet als maagd het huwelijk in. Anders vinden hun vrienden hen een watje. Walgelijk deze dubbele moraal.
Maar goed, ik ben nog steeds maagd als ik haar tegen kom in het dorp Goudswaard. Het is honderd jaar geleden en een zachte dag in mei.

Het is vrijdag en aan het eind van de middag. Ik loop onder aan de dijk en zie haar boven dezelfde richting uit lopen. Ik herken haar van de bus waarin ik samen met haar zat. Lange blonde haren, leuk koppie en een strak lijf. Ze lacht tegen me en ik lach terug. Ze ziet dat ik niet uit het dorp kom. Mensen van buiten worden in Goudswaard gelijk opgemerkt en ik kom van buiten.
Hoe zou ze reageren als ik naar haar toe ga? denk ik. Is ze echt zo knap als ik denk? Ik klim de dijk op. Haar lach wordt breder als ze de klauterpartij gade slaat. Het laatste stuk is stijl en ze steekt haar hand uit om me te helpen. Als ze me omhoog trekt voel ik hoe sterk ze is. Maar haar hand is zacht en warm en daar ben ik niet ongevoelig voor.
Als ik naast haar sta blijkt ze minstens vijf centimeter groter dan ik te zijn.
Hoi, ik ben John, zeg ik lachend. Want dat doe je als je een goede indruk op iemand maken wil. Je lacht zo vriendelijk mogelijk en stelt je voor.
Jannie, zegt ze. Jij bent niet van hier,hè?
Ik vertel haar dat ik uit Rotterdam kom en dat ik op weg ben naar twee vrienden van me.
Als ik hun namen noem, weet ze precies wie het zijn en waar ze wonen. Goudswaard was honderd jaar geleden nog echt een dorp en iedereen kende iedereen.
Ik moet dezelfde kant uit, zegt ze. Ik woon aan het begin van de westdijk.
Waarom kom je straks niet even langs? vraag ik als we uit elkaar gaan. Ik zie dat ze aangenaam verrast is door mijn directheid. Dat lijkt me wel leuk, zegt ze. We spreken af dat ze na het avondeten komt. En als ik met Hans en Lilian aan het toetje bezig ben, stapt ze zo de kamer binnen. Ik had al verteld dat ze komen zou, dus haar komst is geen verrassing. Uit mijn beschrijving van haar had Lilian al opgemaakt over wie het ging.
Jannie is niet verlegen en zoals ze ontspannen bij ons aan tafel komt zitten lijkt het wel of we haar al veel langer kennen. Ze zit tegenover mij, zodat we elkaar goed kunnen zien. We lijken beiden tevreden te zijn over de uitkomst. Leuke meid, leuke jongen.
Het is al bijna twaalf uur als ze opstapt en zegt dat ze naar huis moet. Ik stel haar voor om haar even weg te brengen. Het is maar zo’n vierhonderd meter. Ze vindt dit aardig van me en als we door de dorpsstraat lopen in de richting van de westdijk geeft ze me een hand. Haar huis staat net buiten het dorp. Het is donker op de dijk en daardoor zijn de sterren goed te zien. Zo af en toe staan we stil en kussen elkaar hartstochtelijk. Het initiatief komt aanvankelijk van haar en ik vind dit wel iets hebben. Ze vindt me blijkbaar echt leuk.
Als ik mijn hand onder haar bloesje wil stoppen duwt ze hem weg. Dat is toch iets teveel initiatief, vindt ze. Als we bij de woning zijn aangekomen zie ik dat het licht in de huiskamer nog brandt. We nemen afscheid van elkaar en ze zegt Ik zie je morgen wel.
De volgende dag gaan Hans en Lilian op de motor naar Rotterdam om wat wiet te kopen.
Ik blijf alleen achter. Het is elf uur ’s morgens. Er staat een plaat op van Country Joe & The Fish en ik heb net een kop koffie voor mezelf in geschonken als de deur open gaat en Jannie binnen stapt. Ik vertel haar dat Hans en Lilian weg zijn, maar dat lijkt haar niet uit te maken.
Ze komt bij me op de bank zitten en binnen een paar minuten zitten we alweer te zoenen. Deze keer duwt ze mijn hand, die uit zichzelf op ontdekkingsreis gaat, niet weg.
Ben je altijd zo ondernemend? vraagt ze me tussen twee zoenen door.
Niet altijd, zeg ik haar. Maar nu wel. Hoewel ik nog nooit met een meisje naar bed ben geweest, weet ik dat ik zo tegen het eind van de ochtend de meeste onrust voel. De hormonen doen hun werk, de geest is zwak en het lichaam is sterk.
Ze vraagt of ik ‘iets’ bij me heb, maar ik ben zo onnozel dat ik haar vraag niet begrijp.
Een condoom, legt ze uit. Nee, die heb ik niet bij me. Maar ik weet toevallig wel waar Hans zijn condooms bewaart en vijf minuten later tover ik er een tevoorschijn.
Jannie blijkt van wanten te weten. Ik ben niet haar eerste vriendje, ook al is zij pas zestien.
Zij is wel mijn eerste vriendinnetje waarmee ik tot het gaatje kan gaan. En dat doe ik dan ook. Jannie is een echte lieverd en ik merk niet aan haar dat ze denkt “Oh, dit is voor hem de eerste keer. Wat een klungel.” Want achteraf gezien was ik dat toen wel.
Onze verkering heeft nog drie maanden geduurd. Daarna viel ze voor een jongen uit het dorp zelf en was ik weer een vrij man. En als je bijna achttien bent is dat wel zo fijn.

16 januari 2010

Alweer ontmaagd.

Opgedragen aan Theo, die zegt er wel pap van te lusten.

Het gezelschap dat zich in de lounge verzameld had bestond uit ongeveer dertig mensen. Meer dan de helft was civiel personeel en de rest passagier.
Thiemen had ons bijeen geroepen. Hij had een belangrijke mededeling. Als hofmeester had hij een natuurlijk gebrek aan gezag en werd hij door niemand serieus genomen. Maar iedereen was nu nieuwsgierig naar wat hij te zeggen had, dus toen hij begon te praten was het muisstil. Het bleek dat ons schip in verband met de naderende orkaan alvast was vertrokken naar Fort Lauderdale in Florida. Wij moesten noodgedwongen achtervaren.
Vannacht sliepen we in het hotel dat bij het casino behoorde en de volgende dag zou een vliegtuig van Delta Airlines ons van Freetown naar Miami brengen. Bij de receptie konden we onze kamersleutel halen. Omdat er ruimte genoeg was, had iedereen een eigen kamer gekregen.
Tot mijn verrassing zag ik Edith tussen de passagiers. Ze stond naast Laura, haar hartsvriendin. Edith had me ook gezien en zwaaide. Blij dat ze zo reageerde liep ik op hen af.
Laura kende ik niet zo goed. Ik had slechts terloops met haar gesproken. Maar met Edith had ik een zwoele nacht doorgebracht op het lido; hier was het zwembad en in je zwembroek tussen de anderen was het moeilijk te zien of je een passagier was of tot de bemanning behoorde. Want de bemanning mocht hier natuurlijk niet komen.
Gelukkig liet de scheepsagent zich die nacht niet zien.
Het zal ver na middernacht geweest zijn dat we samen een kwartiertje in de dekenkast kropen. Daar lagen de dekens opgestapeld die overdag aan de passagiers werden uitgereikt als ze op hun dekstoelen in het zonnetje lagen en ze het te fris vonden.
We waren beiden moe en een beetje aangeschoten van de champagne die Edith had mee genomen. Haar ouders zaten blijkbaar goed in hun slappe was.
In het pikkedonker friemelden we wat aan elkaar en tongden er stevig op los. Maar van meer dan dat was geen sprake. Gelukkig, want we waren beiden nog maagd en wel nieuwsgierig, maar vooral bang.
Ik had zo’n dertig dollar in het casino gewonnen en nodigde beide dames uit voor een drankje. Laura bedankte en zei dat ze moe was. Ze ging naar de receptie om de sleutel van haar kamer te halen en wenste ons goede nacht. Ik bleef daarom alleen achter met Edith. Thiemen zat met een schuin oog naar ons te loeren, maar hij kon van mij de pot op.
Edith zei dat ze een Sloe Gin Fizz wilde en hoewel ik niet wist wat dit was, bestelde ik er twee. Het was mijn eerste ervaring met cocktails en deze beviel me goed.
We babbelden wat over koetjes en kalfjes. Voor het eerst hoorde ik dat haar vader eigenaar was van een groot busbedrijf in North Carolina. Ze bestelde nog een cocktail voor ons beiden. Tot mijn verrassing dronk ze hem in één teug leeg. Toen vroeg ze of ik mee ging om de sleutels te halen. Ik dronk mijn cocktail ook op en liep met haar mee.
Hoewel we niet aan boord van het schip waren had ik wel het gevoel dat de vloer op en neer bewoog. Maar vervelend vond ik dat niet.
Onze kamers bleken op dezelfde verdieping te zijn. Toen we bij haar kamer kwamen en ik afscheid van haar wilde nemen, sloeg ze onverwachts haar armen om mij heen en vroeg mij met hese stem of ik met haar mee wilde komen. Ze zei dat ze een verrassing voor me had.
Ik volgde haar naar binnen. Het bleek een ruime kamer te zijn met een groot bed, een televisie, een minibar en een ligbad in de badkamer.
Edith opende een raampje. Het stormde en je kon de wind horen gieren.
Ze vroeg me of ik de deur op slot wilde doen. Uit haar tas haalde ze een pakje sigaretten. Het bleek dat ze tussen de sigaretten een paar stickies had verstopt. Even later zaten we gezellig te paffen. Ik besefte dat het een vreemde situatie was. Hier zat ik met mijn zeventien jaar, in een hotel op de Bahamas, samen met een Amerikaanse chick een stickie te roken. Haar ouders waren aan boord en maakten zich vermoedelijk zorgen over hun puberdochter. Ten onrechte, want zij was immers bij mij in goede handen.
Het leek ons leuk om samen een bad te nemen. Pas toen zag ik voor het eerst hoe mooi haar borsten met de kleine tepeltjes waren. In mijn handen bleken ze erg stevig te zijn.
Beiden waren we al opgewonden en de drank en de wiet had ons nu ook nog flink ontremd. We moesten lachen om niets en zaten voortdurend aan elkaar te plukken.
Op de schone lakens van het grote tweepersoonsbed legden we een handdoek, waarop Edith ging liggen. Ze vroeg me of ik voorzichtig wilde zijn, wat ik beloofde. Gegeven de situatie was ik bereid om haar alles te beloven wat ze vroeg.
Zo kwam er onverwachts een einde aan mijn maagdelijkheid. En die van Edith. Als ik nu, meer dan veertig jaar later, hoor over orkanen in de Caribean dan moet ik niet alleen denken aan verwoestend natuurgeweld, maar ook aan die nacht waarin Edith en ik definitief onze onschuld verloren.

13 januari 2010

Ontmaagd.

Geef je portemonnee maar hier, zei Adje. Hij griste er vijf dollars uit. Dit is genoeg. Straks aan boord krijg je je portemonnee wel terug. Adje, een stevige knul van begin twintig, was één van mijn vrienden en werkte als kok in de kombuis.
Ik was net 17 geworden en met de jongens aan het stappen in Port au Prince. Normaal gesproken kwamen we nooit in Haïti en bezochten we elke twee weken alleen Aruba en Curaçao. Maar mogelijk was er deze keer vracht bij voor Haïti.
Het was vroeg in de middag en bloedheet. De verlaten straten waren stoffig en smerig. Overal lag vuil. We liepen op dat moment langs een steeg waar jonge donkere vrouwen uitdagend met hun heupen stonden wiegen en naar ons stonden te roepen. Hier zou ik voor het eerst van mijn leven een wip maken, wist ik. Best spannend. Ik kan me vaag herinneren dat mijn nieuwsgierigheid de overhand had op mijn geilheid. En dat ik ook wel een beetje bang was. Ik had immers geen idee wat mij te wachten stond.
De kleine mollige negerin die mij naar binnen trok in een ruimte met slechts een bed waarop een matras en een handdoek lagen, moet hebben geweten dat ik nog maagd was. Ze had er veel schik in, waarschijnlijk omdat ik zo klungelig deed.
Na mijn kleren uit te hebben gedaan ging ik ongemakkelijk op de handdoek liggen en wachtte op de dingen die komen gingen.
Do you want me to take it in my mouth? vroeg ze me. Ik had geen idee wat ze bedoelde en in het vertrouwen dat ze geen kwaad in de zin had, knikte ik haar vriendelijk toe.
Twee tellen later lag ze tot mijn schrik aan me te sabbelen alsof ik een lolly tussen mijn benen had.
Even vreesde ik zelfs dat ik klaar zou komen voordat ik in haar was geweest en dan zou ik na afloop nog steeds maagd zijn. Ik maakte haar daarom duidelijk dat ik vond dat ze wel genoeg gesabbeld had en dat het tijd werd voor het echte werk. Toen wist ik nog niet dat een blowjob je voorbij de poorten van de hemel en verder kon brengen. Dat ontdekte ik pas toen ik 21 was bij mijn Amerikaanse vriendin, die van onze lieve Heer een paar stevige wangen en een gespierde tong had gekregen. Maar daarover later meer.
Na afloop van het gedoe gaf ik haar als extraatje de goudkleurige riem die ik droeg. Ze reageerde uitgelaten.
Ik begreep dat er een nieuwe fase in mijn leven was aangebroken. Ik had ‘het’ gedaan en hoorde nu bij de mannen. Die avond heb ik me bij het toepen helemaal klem gezopen. Aan boord gebeurde dit wel vaker. Ook dat hoorde er bij. Zeelui, drank en hoeren worden niet voor niets samen in één zin genoemd.

Vandaag is Port au Prince verwoest. Duizenden doden, tienduizenden gewonden. Dat vrouwtje van toen, zou ze de aardbeving hebben overleefd? Of is ze al eerder om het leven gekomen tijdens één van de vele orkanen die het land geteisterd hebben?
Het zijn zo van die gedachten die ineens in je opkomen en daarna weer verdwijnen. Overal en altijd weer wordt er een stukje aan je levensverhaal toegevoegd. En als het boek vol is wordt het dichtgeslagen en opgeborgen in die enorme bibliotheek, waar jouw boek slechts uit de kast wordt gehaald als wat je te vertellen hebt voor de lezer interessant is. Zo schrijf je soms ook na je dood ongewild mee aan het levensverhaal van anderen. Lijkt het je niet mooi om op deze manier toch een beetje onsterfelijk te worden?

12 januari 2010

Ik wil een heel erg groot stuk chocolade.

Straks moet ik natuurlijk niet die hele zak met stroopwafeltjes leeg eten. En die grote plak chocolade kan ik maar beter ongeopend laten. Net als die zak met Nacho Cheese Buggles.
Herken je dat? Die soms onverzadigbare behoefte aan calorieën? Je verstand zegt: niet doen. Maar je gebrek aan verstand zegt: vreten. Naar binnen met die handel. En je hoeft daar niet eens stoned voor te zijn. Elke reden die je kunt bedenken om je zelf eens stevig vol te proppen is goed.
Zoals bekend, is het niet altijd voorspelbaar wie deze strijd gaat winnen: je verstand of je gebrek hier aan. Hoewel ook hierop genoeg uitzonderingen zijn.
Sommigen weten zichzelf namelijk altijd in de hand te houden. Anderen, mensen zoals ik bijvoorbeeld, hebben hier meer moeite mee. Ik vind het heerlijk om hersenloos, onbegrensd en onverantwoord mezelf leeg te laten lopen, maar mijn verstand moet eerst wel hebben vastgesteld of de situatie hier naar is. Zo niet, dan hou ik mezelf keurig in toom.
Men zegt dat het verstand tot grootse prestaties in staat is. Nou, dan zou ik willen zeggen dat het gebrek aan verstand hier niet voor onder doet. We kunnen allemaal talloze zaken bedenken waarbij het verstand niet aan te pas is gekomen.
Zelfs de gedachte om het verstand te gebruiken is vaak afwezig bij velen. We doen maar wat. We klooien maar wat aan. Ook degenen waarvan je denkt dat deze zijn of haar zaakjes op orde lijkt te hebben. Waar zaten de hersens van bijvoorbeeld Jan Peter toen hij instemde met het besluit om politieke steun te geven aan de Amerikanen tijdens de oorlog in Irak?
En waar was zijn verstand toen hij een eerste reactie gaf op het rapport van de commissie Davids? Ik kan nog wel meer retorische vragen bedenken, maar ter wille van de leesbaarheid van dit stukje laat ik dit achterwegen.

Voor sommigen lijkt het gebrek aan verstand zelfs hun hele leven te beheersen. Nog voor hun geboorte werd het verstand van hun verwekkers op nul gezet toen zij zich aan elkaar vergrepen in een liefdeloze, maar wel zeer geile omstrengeling. Hou me tegoed: als ik een wip maak, komt er ook niet altijd liefde bij kijken. Maar misschien is dit bij anderen anders.
In ieder geval bleek dat de coïtus niet zonder gevolgen was en na negen maanden aanleiding gaf tot het trakteren op beschuit met muisjes. Ja, en toen begonnen de problemen pas goed voor de nieuwe hersenloze. Dat hij of zij het misschien later maatschappelijk nog ver zou schoppen zat er vanaf de geboorte al in. Een baantje als minister of bankier behoorde beslist tot de vele mogelijkheden.
Maar laat me niet teveel uitweiden over mensen die soms het geluk hebben dat gebrek aan verstand hun leven beheerst. Als je de rest van mijn blog leest, dan weet je genoeg.
Het is half twaalf ’s avonds. Mijn verstand zegt: afbouwen en slapen gaan.
Maar opnieuw is het mijn gebrek aan verstand dat wint en zegt: nog even een blowtje, lekker wat schransen, maar niet al teveel anders ga je zo uit je bek stinken en morgen is je stoelgang dan mogelijk ontregeld. Daarna met van die rode glimoogjes onder de wol. Morgen weer een dag.

11 januari 2010

Druk op zolder

Ook in mijn bovenkamer kan het soms erg druk zijn. Zo heb ik bijvoorbeeld deze maand een aantal deadlines voor het inleveren van toetsen en handleidingen, moet ik nog afspraken maken over het afnemen van toetsen, moet er een plannetje gemaakt worden om de peers uit het peersupporttraject in te zetten in de Open Dagen en zal ik een flink aantal stagebezoeken moeten afleggen. Overal dus ‘moeten’.
Als er teveel in mij omgaat, stel ik de dingen die gedaan moeten worden echter liever even uit. Ik denk er zelfs niet eens meer aan. Dat geeft rust. Als je hoofd overloopt van alles wat je nog moet doen en er zijn geen mensenlevens mee gemoeid, kun je het best een boek pakken of lekker gitaar gaan spelen. Je zult zien dat alles op zijn pootjes terecht komt.
Juist als ik niet meer het gevoel heb helemaal ‘in control’ te zijn, vraag ik mij soms af welke beloftes en aan wie ik ben vergeten na te komen. Het lijkt er op dat ik dan naar nog meer werk zoek, terwijl ik al zo veel te doen heb.
Afgezien van een vreemd onbehagelijk gevoel is er meestal gelukkig niets wat mij helpt om deze beloftes weer in mijn herinnering te brengen. Waarschijnlijk heb ik helemaal geen niet ingeloste beloftes gedaan, maar vanuit je onrust lijkt dat anders.
Hoe dan ook, werken vanuit een rusteloos gevoel is altijd contraproductief. Je bent niet echt bezig met wat je aan het doen bent. De kans op het maken van fouten neemt toe. En ook de kans op een teveel aan stress. Nee, eerst weer eens rustig worden van binnen. En hierna met hernieuwde energie er tegen aan.

De beloftes die je aan jezelf doet moet je echter proberen zoveel mogelijk na te komen, tenzij je natuurlijk vergeet wat je jezelf hebt beloofd.
Zo heb ik net de printerscanner die we al zo’n twee maanden geleden gekocht hebben geïnstalleerd. Dat had ik mezelf vandaag voorgenomen en ik ben blij dat dit nu gedaan is. Ik heb mijn laptop schoon gemaakt zodat hij wat sneller werkt. En zo’n vijftien mailtjes afgehandeld. Zonder enige moeite kan ik nog tientallen andere klusjes bedenken die gedaan moeten worden. Maar wie niet?
Daarnaast zijn er de alledaagse zaken die om mijn aandacht vragen. Zoals het nieuws, boeken die ik aan het lezen ben, hardlopen en niet al te zware workouts, gitaar spelen, jongleren, mediteren, stukjes schrijven voor dit blog, de vogels voeren, socialising en de bekende reutemeteut waar we allemaal mee te maken hebben. Geen wonder dat ik zo af en toe in mijn eentje naar het strand ga om uit te waaien. Om er dan met een frisse kop weer tegenaan te kunnen gaan.
Mijn geluk is dat ik me niet of erg weinig identificeer met mijn werk. Ik kan mij niet herinneren dat ik dit ooit gedaan heb. En misschien juist daarom vind ik mijn werk zo leuk. Maar waar is waar, het kan soms ook erg vermoeiend zijn.

09 januari 2010

Erwtensoep en nog wat.

Ik was volop bezig met het maken van een grote pan erwtensoep toen de buurman van haar vader belde. Of hier mevrouw Breedvelt woonde. Geheel onverwachts was haar vader flink opgeknapt en het was niet meer nodig dat zij naar Friesland toe kwam. Want dat waren Paula en de wijkverpleegkundige gisteravond met elkaar overeen gekomen en deze afspraak hadden zij vanmorgen bevestigd. De crisisopvang zat vol en hem alleen laten leek de wijkverpleegkundige niet verantwoord.
Toen Paula hoorde hoe slecht het met haar vader ging, wilde zij aanvankelijk onmiddellijk met de trein naar haar broer Albertjan in Wijche gaan. Zij kon dan met hem meerijden naar Oude Mirdum. Maar het was al erg laat en ze besloot de reis een dagje uit te stellen.
Dit was het eerste wat ik vanmorgen te horen kreeg, toen Paula op stond. Daarna viel ik weer in slaap en werd twee uur later opnieuw wakker.
Paula had inmiddels de verpleegkundige gesproken. Ook had ze haar vader aan de lijn gehad. Deze vertelde dat er niets aan de hand was. Iedereen maakte zich zorgen om niets. Het gesprek bevestigde echter het vermoeden van Paula dat hij hulp nodig had. Vanmiddag om twee uur vertrok ze daarom toch richting Wijche. Een kwartier later belde de behulpzame buurman op.
Ik gaf hem het telefoonnummer van Paula, maar die besloot de reis door te zetten, hoewel ze nog op weg was naar Rotterdam. Om zes uur belde ze dat ze was aangekomen bij Albertjan. Het was zo laat geworden omdat ze in de trein in slaap gevallen was en pas in Eindhoven wakker werd. Het schijnt dat ik de afgelopen nacht flink heb liggen snurken, maar zoals gewoonlijk kan ik mij daar niets van herinneren. Ik heb geen geheugen voor dit soort zaken.
Morgen besluiten zij en haar broer of ze alsnog naar Friesland gaan. Dat doen ze alleen als het echt nodig is. In het noorden zijn de wegen moeilijker begaanbaar dan hier in het zuidwesten en beiden hebben geen zin om in Friesland vast te komen zitten.

Toen Paula gisteren werd gebeld en het nieuws over haar vader hoorde, zat ik bij Theo en Yvonne. Ik had hen al een aantal weken niet gezien en hoewel we nagenoeg dagelijks via de computer contact met elkaar hebben, was het fijn om weer bij hen te zijn.
Het werd in meerdere opzichten een heerlijke avond. Theo had voor een kleurrijke en lekkere maaltijd gezorgd en we konden ook genieten van de aanwezigheid van de witte weduwe in ons gezelschap. Zo’n weduwe is tamelijk heftig en houdt er van als je haar met respect behandeld.
Theo liet mij op mijn verzoek zien hoe hij met behulp van de collagefunctie in Picasa tientallen fantastische collages had gemaakt. Iets wat ik zelf ook wil gaan doen.
We jamden wat op de gitaar en hadden het prima naar onze zin. Ik genoot van het gesprek met Yvonne, maar omdat de witte weduwe zich inmiddels stevig op mijn schouders had genesteld, raakte ik af en toe de draad van het verhaal kwijt. Dat werd niet opgemerkt of mij in ieder geval niet kwalijk genomen.
Toen ik weer naar huis ging kreeg ik zomaar een gitaar van Theo. Cadeautje. Maar ik moest wel gaan oefenen met het spelen van akkoorden in C. Misschien dat als we dan weer zouden samenspelen er echte muziek uit de boxen zou komen en niet uit de linker box het gitaarspel van Theo en uit de rechter box het geklingel en geklungel van mij. Dat zei Theo niet, ik zag het hem zelfs niet denken,maar ik kan ook niet alles zien. In ieder geval ga ik zijn advies wel opvolgen want samen op de gitaar spelen kan heel erg leuk zijn.

Zo-even belde Paula ’s vader. Het schijnt vreselijk hard te sneeuwen in Friesland. Hij klonk monter en zei me dat hij zich weer een stuk beter voelde. Hem lijkt het verstandig als ze niet naar Friesland toe gaan.
De erwtensoep die ik gemaakt heb is heerlijk geworden, maar wel te vet. Mijn maag is er een beetje van slag door. Morgenochtend haal ik met een schuimspaan het overtollige vet er af. Moet je eens zien wat een fantastische erwtensoep ik dan heb.

07 januari 2010

Winter

Het doet me genoegen dat ik er met mijn futuristische scenario op 20 december 2009 over een ingesneeuwd Europa niet ver naast zat. Goed, ik overdreef door het dagen achter elkaar te laten sneeuwen, maar het blijkt dat er veel minder voor nodig is om de samenleving te ontregelen. Overigens schijnt de winter wereldwijd alles in de war te hebben gegooid.
Auto’s staan urenlang in de file of glibberen tegen de vangrail aan. Het OV ligt plat of rijdt zo onregelmatig dat niemand ’s morgens op weg naar zijn werk of school weet hoe laat hij ’s avonds thuis zal komen. Vliegvelden zijn gesloten. Engeland is een onbereikbaar eiland geworden…
En het ziet er naar uit dat vadertje winter zich voorlopig nog zal laten gelden.
Deze winter is helemaal in lijn met de recessie. Iedereen ziet er verkleumd en ongezond uit. Het is aan de mensen niet te zien wie van hen zijn of haar baan is kwijt geraakt, wie een woekerpolis heeft of wie er opgenomen is in een schuldregelingstraject. Het zou zomaar iedereen kunnen zijn, want de lelijke koppen die ik dagelijks zie, inclusief de lelijke kop van mezelf, stralen geen vrolijkheid uit. Terwijl ellende juist zou moeten verbroederen.
Gelukkig worden de dagen al weer langer en over slechts enkele maanden is het lente.
De goeie tijd ligt voor ons, zullen we maar zeggen.
Het is erg vervelend dat ik niet kan rennen. Terwijl ik er juist nu tijd voor heb. De wegen hier in de buurt zijn op sommige plekken echter te glad en ik riskeer liever niet dat ik val en iets breek. Omdat ik pas laat les hoef te geven ga ik het toch morgenvroeg proberen, al stel ik mij er op in dat het niets wordt. Afgelopen zondag kon ik ondanks de gladheid zo’n twintig kilometertjes afleggen, maar als ik op 11 april de marathon wil rennen moet ik veel meer kunnen trainen dan nu. Zo heeft iedereen wel iets waar hij zich zorgen over maakt.

06 januari 2010

Gratis krantjes

Omdat Paula zo van puzzelen houdt, neem ik altijd de Spits, de Metro en de Pers mee naar huis. Als ik mij ’s avonds doodmoe, met wallen onder mijn ogen en met afhangende schouders zuchtend op de bank laat zakken is het eerste wat zij dan vraagt of ik ook de gratis krantjes heb meegenomen. En als ik die dan uit mijn rugzak vis en aan haar geef, stort ze zich onmiddellijk op de puzzels en begint deze op te lossen. Ja, thuiskomen is altijd een feestje.
De Metro heeft vandaag drie ongure koppen van criminelen op de voorpagina staan. Wat in Amerika al jaren gebruikelijk is, namelijk het publiceren van foto’s van gezochte criminelen, gaat nu ook in Nederland gebeuren. Wanneer zal hier de eerste professionele bounty hunter opstaan? Misschien iets voor vakantiewerkers. Lekker spannend en bij succes levert het meer op dan tafels bedienen in een restaurant.
Ander nieuwtje: 13.000 rijexamens zijn door het koude weer uitgesteld. Dat is jammer, want juist met die gladheid en de sneeuw krijg je als aankomend automobilist een kans om te laten zien dat je het rijbewijs verdient. Het CBR lijdt door het afblazen van de examens een geschat omzetverlies van € 1.000.000,-
Ik lees in mijn horoscoop dat niet iedereen mijn gedrag waardeert en accepteert. Helaas, de sterren zijn weer eens keihard voor mij.
IJsland geeft voorlopig de Engelsen en Nederlanders hun geld niet terug. Wordt vervolgd.
De Pers heeft een aantal onschuldige foto’s op de voorpagina van het opruimen van geiten. Op pagina twee wordt uitgelegd waarom in tegenstelling tot bij het ruimen tijdens de varkenspest en de gekke koeienziekte er deze keer voor gekozen is om de media-aandacht beperkt te houden. “Door dode dieren uit de media te houden wordt er überhaupt geen discussie over de bio-industrie gevoerd” En hier is minister Verburg natuurlijk heel blij mee.
Een 42-jarge vader heeft de vliegvakantie van zijn familie verknald door tijdens een controle op de luchthaven tegen een bekende voor de grap te zeggen dat hij een explosief in zijn ondergoed had zitten, waarop hij werd gearresteerd. Hij krijgt waarschijnlijk een boet van €1000,- Nou, deze vader heeft nog tot in lengte van dagen een anekdote bij de hand, die hem op menig feestje in het middelpunt van de belangstelling zal zetten.
Tenzij hij natuurlijk wordt overruled door die Jemeniet die 1,5 kilo dynamiet rectaal had ingebracht en vervolgens aan boord van een vliegtuig wilde stappen. Mogelijk werd hij betrapt omdat het lontje er nog uit hing.
Natuurlijk staat er ook een artikel over Jemen in, waar de Amerikanen straks weer de gelegenheid krijgen om hun nieuwste wapens te testen als zij Al-Qaida even een poepje willen laten ruiken. Dat hierbij ook onschuldigen hun leven zullen verliezen (collateral dammage) wordt als onvermijdelijk gezien, temeer omdat de aanvallen vooral uit de lucht zullen plaats vinden. Inmiddels is het al weer bijna elf uur. Ik heb geen zin meer om de rest van de krantjes door te nemen. En vandaag nog meer te schrijven. Morgen weer een dag.

04 januari 2010

Werk

Vandaag was mijn eerste werkdag in 2010 en morgen volgt een tweede. Wie was het toch die adviseerde om nooit met werken te beginnen, omdat het verslavend schijnt te zijn?
Hoe kun je anders verklaren dat mensen vechten om het behoud van hun baan tijdens een recessie of dat ze tot hun 65e (sommige gelukkigen straks tot hun 67e) aan het werk blijven? Ik weet van vroegere buren dat ze hele plannen hadden voor ná hun 65e. Wereldreizen met campers en zo. Tweede huisjes in het buitenland. Voettochten naar Santiago de Compostella. Maar stoppen met werken en al deze dingen nu doen zagen ze blijkbaar niet zitten. Want ze wilden werken. En ze mogen dit nu twee jaar langer dan ze gedacht hadden.
Ik zal ook nog wel zo’n kleine zeven jaar op de loonlijst van mijn baas staan, D.V.
Omdat ik het zo erg naar mijn zin in het onderwijs heb en zo goed verdien. Dus geheel uit vrije wil. Maar als ik een kutbaan had, een lelijk wijf thuis die stonk uit haar straatje, een uitzichtloos monotoon bestaan in een krot, maar wel genoeg geld om een jaartje een huis in Bali te huren…
Natuurlijk lul ik maar wat uit mijn nek. We zijn allemaal zo gesocialiseerd dat we het normaal vinden om te werken. Werken is de norm, of het zinloos of zelfs destructief werk is doet er niet toe.
Werk wordt gezien als belangrijk voor het vormen van de identiteit. Als mensen zich aan je voorstellen weet je binnen een paar tellen wat voor werk ze doen. Vooral als zij hiermee hun ego een beetje kunnen oppoetsen. Zovele van ons identificeren zich volledig met hun baan, dat zij als mens daar helemaal in verloren zijn geraakt. Als deze mensen hun werk kwijt raken hebben ze niets meer. Zelfs een kutbaan met een scheldende chef lijkt velen van ons beter dan thuis te moeten zitten met een uitkering. Maar mocht het socialisatieproces toch niet helemaal te zijn gelukt, dan zijn er wel ambtenaren van de Sociale Dienst of medewerkers van het UWV-werkbedrijf die het karwei willen afmaken.

Ja, werk verrichten is de norm geworden. Ook al is dit niet perse de natuurlijke staat van de mens. Daar trekt men zich bij het vorm geven aan de cultuur toch niet zo veel van aan. Juist als de natuurlijke staat luiheid en gemakzucht zou zijn, vindt men dat dit moet worden aangepakt. Zoiets maakt deel uit van het beschavingsoffensief.
Eigenlijk is het zo dat consumeren de norm is geworden en dat voor de meeste onder ons geldt dat ze dit pas een beetje op niveau kunnen doen als ze genoeg verdienen.
Als je voldoende geld hebt en niet teert op de gemeenschap dan is het wel acceptabel als je niet werkt. Maar velen die niet zouden hoeven werken blijven dit wel doen. Werk is natuurlijk meer dan het verdienen van geld alleen. Er zijn dikke boeken geschreven over wat werk voor de moderne mens betekent.
In Nederland heerst nog steeds armoede en dat schrikbeeld is vaak voldoende om je enige bron van inkomsten met beide handen vast te houden. Hoe ernstig deze armoede is en wat het met mensen doet kun je uitgebreid op internet nalezen.
Dus toch maar werken allemaal? Zou dit de remedie zijn tegen armoede? Of is er iets anders aan de hand?
Ooit werd ons gezegd dat het werk in de toekomst door machines zou worden overgenomen. Dat is ook gebeurd en vooral ongeschoolde mensen zijn hierna aan de kant geschoven. Zij mochten niet meer mee doen en krijgen nu van de Sociale Dienst een papierprikker in de hand geduwd en een mooi vuurrood vestje.
Nederland is een samenleving van dienstverleners geworden. Met een midden- en bovenlaag van kleine en wat minder kleine baasjes die er genoegen in schijnen te scheppen om anderen constant voor de voeten te lopen. Hun werk is vaak niet alleen overbodig, het kost de samenleving vermoedelijk miljarden.
Maar waarom stoppen deze mensen dan niet met werken? Ten eerste omdat men ze laat denken dat hun werk wèl erg belangrijk is. Daarin zijn ze snel te overtuigen.
Ten tweede omdat ze goed verdienen en dus op niveau kunnen consumeren. En ten derde omdat het leuk is om baasje te spelen en jezelf wijs te maken dat je enige invloed uitoefent op anderen.
Werken is blijkbaar inderdaad verslavend. Dat geldt voor alle soorten werk. Mensen willen er bij behoren en als je maar veel positieve etiketjes plakt op de groep werkenden en veel negatieve etiketjes op de groep nietwerkenden dan zullen de meeste mensen toch het liefst bij de eerste groep willen behoren. Het zou m.i. voor de samenleving beter zijn als velen zich hun verslaving realiseerden en probeerden af te kicken. Ze kunnen voor zichzelf en voor anderen zoveel meer betekenen dan alleen in die kutjob die ze hebben.

03 januari 2010

Geen Geloof, geen Hoop, alleen Liefde.

Het fijne van een weblog is dat je in de eerste plaats schrijft voor jezelf en pas in de tweede plaats voor anderen. De ene keer schrijf je iets wat op een column lijkt, de volgende keer begin je aan een verhaaltje, dat je na enige afleveringen laat voor wat het is, dan weer begin je aan een gedicht. En zo is er altijd wel een reden om te schrijven.
Omdat je rekening houdt met een denkbeeldig publiek leidt dat soms tot zelfcensuur. Ik ben er immers niet op uit om mensen van mij af te stoten. Toch zal dit wel eens gebeuren. Het is niet anders. De tijd dat ik echt een allemansvriend was, heb ik achter me gelaten. Er blijven er meer dan genoeg over waar ik wel bevriend mee zou willen zijn of waarmee ik al bevriend ben.
Deze mensen inspireren me, zetten me aan het denken, geven me kracht als ik daar behoefte aan heb, accepteren me met mijn tekortkomingen en fouten en ik verwacht dat ze voor me klaar staan als ik hen echt nodig heb. En dat is wederzijds.
Veel kan ik met hen delen en wat ik niet met hen delen kan, kan ik gelukkig een plekje geven in mijn leven zonder dat het me al te veel belemmert in mijn functioneren.

Omdat ik, om gediscussieer te voorkomen, over het algemeen niet met anderen over het geloof praat, is een weblog voor mij natuurlijk de plek om te laten zien dat het onderwerp wel mijn belangstelling heeft. Niet het geloof op zich heeft overigens mijn interesse, maar wat het doet met mensen en op welke wijze.
Ik ben sowieso geïnteresseerd in alles wat het menselijk gedrag en de motivatie beïnvloedt, dus ook in andere veelomvattende concepten en instituten die ons denken en voelen sterk beïnvloeden, zoals politiek, filosofie, wetenschap, taal en ga zo nog maar even door.
Maar het geloof springt er voor mij toch wel uit, omdat de zichtbare kenmerken hiervan zich sterk aan mij opdringen, hetzij verhuld hetzij openlijk.
Ik weet hoe belangrijk het geloof voor sommigen is. Zij putten er troost en kracht uit en voelen zich verbonden met anderen die hetzelfde geloven. Zij kunnen zich een wereld zonder hun God niet voorstellen. En kunnen erg vijandig reageren als er iemand aan hun God komt. Waarop ik zeg: maak je niet druk. Jouw God heeft jouw hulp niet nodig. Hij kan zichzelf wel redden.
Zozeer als het geloof voor anderen belangrijk is, zozeer is het ontbreken van een geloof belangrijk voor mij. Ik moet er niet aan denken om aan een God te geloven en zo ongewild te gaan behoren tot een groepering, die een visie op het leven en het gedrag van anderen heeft die ik niet met ze deel. Als degenen waarvan ik hou of mezelf iets ergs zou overkomen in dit onvoorspelbaar ondermaanse, zal ik mijn troost en kracht ergens anders vandaan moeten halen. En gelukkig zijn de bronnen waaruit ik putten kan overal om ons heen aanwezig.
Geen God, geen ziel en geen hiernamaals. Dat zou wat mij betreft het uitgangspunt moeten zijn om met elkaar een samenleving in te richten. Geen Geloof, geen Hoop, alleen Liefde.
Terzijde en out of the blue: Het is toch diep treurig dat 96% van de Papoea’s christelijk is? Deze mensen zijn niet alleen hun cultuur kwijt geraakt, maar ook hun oorspronkelijke animistische religies.
Op dit moment worden hun eilanden leeg geroofd door andere christenen, die er goud en andere bodemschatten hebben ontdekt. Zoals genoegzaam bekend, neemt De Mammon in het christendom een plaats in, die minstens zo belangrijk is als The Man Himself.
Waarom beroepen godsdienstige mensen zich altijd op een heilig boek om hun wangedrag te rechtvaardigen? “De mens is de mens een wolf” en het zit in onze aard om anderen, die ons in de weg zitten, pijn te doen. Of te bekeren. Of beide.
Dat er mogelijk een soort van creatieve intelligentie is, sluit ik niet uit. Zelfs niet eens dat er wèl een God is. Waarschijnlijk is het dan De Grote Kakitoko, die in de binnenlanden van Zuid-Amerika door de inheemse Bradibra-indianen wordt geëerd. Weinig kans dat hij zich aan deze kant van de oceaan zal manifesteren.
Een troost voor mij: Memento, homo, quia pulvis es et in pulverem revertis. En dat geldt gelukkig ook voor alle gelovigen.

02 januari 2010

Vrije meningsuiting.

Het jaar is net twee dagen oud of een 28-jarige man probeert de cartoonist Kurt Westergaard met een bijl en een mes om zeep te helpen. Onze blonde narcistische maagd uit Venlo zag hier een aanleiding in om drie voor Islamieten controversiële cartoons van Kurt op zijn website te plaatsen. Ja, aan de reflexen van onze Geert mankeert niets. Ook voor hem is 2010 goed begonnen. Ik ben benieuwd of de aanklacht tegen hem tot ‘het aanzetten tot discriminatie en haat’ op 20 januari zal leiden tot een veroordeling.
Iedereen die zich tegen welke vorm van fundamentalisme dan ook verzet, heeft wat mij betreft op voorhand gelijk.
Bij fundamentalisme gaat het immers om ‘het handelen vanuit een geheel van normen en waarden waarbij die normen en waarden algemeen geldend worden geacht en waarbij er tevens geen ruimte is voor wijziging van die normen en waarden. Dan is er geen enkele mogelijkheid meer tot een compromis met een ander.’ (Bron: Wikipedia)
Of dit verzet nu gericht is tegen automobilisten, die menen dat van Nederland één grote asfaltweg moet worden gemaakt, of tegen veganisten of fruitariërs die een ander zijn stukje vlees niet gunnen, het maakt me niet uit. In een seculiere geïndividualiseerde samenleving (je kunt wel merken dat ik ooit de sociale academie heb gedaan, hè, hè..) is er niets zo belangrijk als de dialoog. En dat is niet zoiets als ‘ik praat en jij luistert.’
Vrije meningsuiting is een groot goed, al kan men twisten over de vraag wat vrij is, wat er onder een mening wordt verstaan en welke uitingsvormen acceptabel zijn.

Verknipt religieus besef staat vaak aan de basis van fundamentalistisch geloof.
Zelf zou ik er een voorstander van zijn om elke vorm van gericht godsdienstonderwijs aan kinderen en jongeren tot 18 jaar te verbieden. Het gaat hierbij immers niet om het delen van een opvatting alleen, maar in alle gevallen om indoctrinatie. Of dit nu bij wijze van spreken vanuit Joods, Hindoestaans, Christelijk of Islamitische perspectief gebeurt is niet interessant. Kinderen en jongeren zijn van volwassenen afhankelijk en betrekkelijk weerloos tegen dit godsdienstig geweld. Helaas is het inherent aan elk geloof om zoveel mogelijk zieltjes te winnen en andersdenkenden te verketteren. Waarbij men zich natuurlijk beroept op een of ander geheimzinnig heilig boek, dat de enige en echte waarheid bevat.
Je zou toch maar in een gezin opgroeien dat je leefregels bij brengt waar je je maar aan te houden hebt, op straffe van uitstoting of erger.
Ik zou er wel een groot voorstander van zijn om, naast humanisme, godsdienstonderwijs in brede zin aan te bieden, zodat kinderen al vroeg kennis kunnen maken met wat er op godsdienstig en humanistisch gebied in de wereld te koop is. En niet zomaar een uurtje per week, maar als een fundamenteel onderdeel van het onderwijs, net zo belangrijk als rekenen en Nederlands.
Ik zou het hele onderwijs sowieso totaal anders willen zien. Met veel meer ruimte voor sport, ecologie, expressieve vakken, droomwerk, meditatie en debatteren. Ik maak nu dagelijks mee wat onze mbo-leerlingen als basis hebben meegekregen en geloof mij, dit is niet zo best. Als zij hier hun toekomst op moeten bouwen, dan staat hen en onze samenleving nog wat te wachten.
De ideologische strijd over het beste onderwijsmodel wordt natuurlijk over hun ruggen en die van de docenten uit gestreden. Een strijd die meer verliezers dan winnaars telt. Ik spreek met enige kennis van zaken als ik beweer dat een meerderheid van degenen die deze strijd voeren zelf niet in staat is om een fatsoenlijke les te verzorgen. Achter de tekentafel en de vergadertafel is men in zijn element. In de klas beslist niet. Het idee dat managers en beleidsmedewerkers niet in staat hoeven te zijn om het werk aan de basis aan te kunnen is gebaseerd op een misverstand, dat zij zelf graag in stand houden. Het misverstand is het idee dat er tussen het managen en het uitvoerend werk een afstand behoort te zijn. Dat zou de besluitvorming ten goede komen. Nou, mooi niet.
Veranderingen gaan langzaam. Ook onder de hard werkende docenten zelf zijn er niet veel die het onderwijsmodel dat ze moeten uitvoeren openlijk ter discussie durven stellen. Niet zo vreemd, want zij lopen het risico dat ze van hogerhand op een vervelende manier tot de orde worden geroepen.
Heeft de bijdrage van vandaag nog een pointe? Ik dacht het niet, of het moet zijn dat er, behalve het verketteren van andersdenkenden, nog genoeg andere manieren zijn waarmee we ons leven wèl een zinvolle invulling kunnen geven en dat het onderwijs volgens mij hierin een belangrijke rol kan vervullen. En natuurlijk dat alles hopeloos is, maar dat heb ik in veel van mijn vorige bijdragen al gezegd.

01 januari 2010

De eerste dag van 2010

Eigenlijk ben ik best wel stoer. Ik heb dat eerder ontkend, maar kan er nu helaas niet meer om heen. Helaas, omdat ik nu bij uitzondering mijn zo door iedereen gewaardeerde bescheidenheid moet laten varen.
De champagne was tegen mijn eigen verwachting in gelukkig toch nog helemaal op gegaan. Toen ik uiteindelijk licht beneveld om half vier naar bed toe ging, was ik daarom wel aan mijn nachtrust toe. Ik kan me het moment niet eens meer herinneren, dat mijn hoofd het kussen raakte.
Na een uitermate diepe slaap, waarin ik vlak voor het wakker worden dromen had over coke die iemand voor mij had meegenomen, verstopt in een wit knuffeldier, en een inval van de politie, die zich onder de feestende gasten mengde, terwijl ze ondertussen alles binnenstebuiten keerden, stond ik om kwart voor tien op. Vanuit de spiegel werd ik door een onguur type bij elke beweging die ik maakte zo overdreven geïmiteerd, dat ik vond dat het wel een beetje op pesterij begon te lijken. Na mezelf opgekalefaterd te hebben en een stevige bak koffie, had mijn spiegelfiguur een aangename metamorfose ondergaan en zag er weer toonbaar uit.
Om twaalf uur trok ik in de bijtende kou de polder in, maar al binnen tien minuten liep het zweet langs mijn voorhoofd. Na anderhalf uur en vijftien kilometertjes rennen door de polder was ik weer thuis, nam een stoombad en een koude douche (Nu begrijp je misschien waarom ik mezelf zo stoer vind. Die Nieuwjaarsduiken zijn natuurlijk een lachertje.) en at mijn brunch. Inmiddels was het half drie.
Jij bent goed bezig, zei een buurvrouw en ik gloeide van trots.

Afgelopen woensdag zijn Paula en ik naar Rotterdam gegaan om daar bij de beste oliebollenbakker van Rotterdam en omstreken (Visser aan de Heemraadsingel) oliebollen en appelflappen te halen. Hoewel ik best bereid was om zelf oliebollen te maken en er min of meer van uit was gegaan dat ik dit zou doen, was de suggestie van Paula om ze deze keer eens te kopen ook niet verkeerd.
We waren niet de enigen en voegden ons bij de lange rij wachtenden. Na drie kwartier begon het te regenen. Het was beslist onbehagelijk en om te voorkomen dat ik chagrijnig werd besloot ik het maar te zien als een grap. Ik heb een hekel aan wachtende rijen en probeer altijd situaties uit de weg te gaan, waarbij ik er zelf ook in terecht kom.
Een kwartier later waren we aan de beurt. Aanvankelijk wilden we tien oliebollen en vier appelflappen halen, maar bij nader inzien leek ons vijfentwintig oliebollen en tien appelflappen meer in verhouding staan tot de inspanning die we hadden verricht.
En nu de hamvraag: was het allemaal de moeite waard? De nog warme oliebollen, waarvan we er woensdag één namen, waren toen nog lekker. De appelflappen waren niet erg bijzonder, maar ook niet slecht. Donderdag vonden we beiden zowel de oliebollen als de appelflappen tegen vallen. Paula zei dat ze de appelflappen zelfs smerig vond.
En vandaag hebben we besloten om de drie appelflappen en de tien oliebollen die nog over zijn morgen aan de eendjes te voeren. Er zit alles in wat deze vogels met dit weer nodig hebben. Onze ervaring is dat onze zelfgebakken oliebollen en appelflappen zelfs beter gaan smaken als ze een paar dagen oud zijn. Herken je dat?
Nu, dhr. Visser bakt ze lekker bruin en ik gun hem zijn succes van harte. Maar volgend jaar bak ik ze mooi weer zelf.

Mijn eerste woordjes in 2010

Het is nu bijna kwart voor één. De buren achter me hebben ongetwijfeld honderden euro's uitgegeven aan vuurwerk en zijn nog volop aan het knallen. Paula moet morgenochtend de wijk in en ligt nu plat. De fles Moët & Chandon is nog half vol; ik drink de andere helft morgen wel op.
We hebben de avond doorgebracht met het spelen van canasta. Eindelijk won ik weer eens en dat is een mooie afsluiting van het jaar.
M'n dochter Eva belde net om ons het beste te wensen voor 2010 en ik ontdekte van mezelf dat ik met een dubbele tong zat te praten. Gek eigenlijk, want ik voel me helemaal niet dronken, mijnheer de agent. Ze vertelde dat ze met zo'n dertig mensen samen hebben gegeten. Ze heeft de jaarwisseling doorgebracht in hetzelfde gebouw waar ik vroeger jarenlang heb gewerkt voor de Sociale Dienst en waar nu een aantal mensen wonen van de anti-kraak beweging. Voor alle duidelijkheid, de Sociale Dienst is zo'n drie jaar geleden verhuisd naar een andere locatie.
Straks nog een blowtje om het af te leren en dan kunnen we met recht stellen dat 2010 goed is begonnen. Morgen of overmorgen ga ik weer verder met mijn sprookje. Ik heb nog geen idee hoe het zich verder zal ontwikkelen. Dat is voor mij ook een verrassing.
Ik ben zelf van 1951. Nooit had ik gedacht aan 2010 als een jaar dat ik ook zou meemaken. Natuurlijk weet ik niet of ik heel 2010 overleef; ook voor mij is dat afwachten. Wat ik vreemd blijf vinden is dat als je ouder wordt je een gevoel krijgt alsof je leeftijdsloos bent. Als je dan net als ik het geluk hebt dat je lichaam nog goed functioneert (wat heb ik toch een fijn lijf) en je nog geen last hebt van ouderdomskwaaltjes, dan mag je jezelf een spekkoper noemen.
Het is inmiddels één uur en men is nog vrolijk aan het knallen.