Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

14 februari 2010

Mijn handen

Mijn handen zijn rimpelig als craquelé. Het zijn de handen van iemand die zijn brood met praten en luisteren verdient. Het zwaarste instrument dat zij beroeren is het toetsenbord.
Het zijn kleine handjes. De pink aan mijn rechterhand is een beetje misvormd. Die heeft tussen de voordeur gezeten, toen ik als kleuter even niet oplette. Het topje moest er in het Zuiderziekenhuis weer aan worden genaaid. De chirurg die dit heeft gedaan had toen blijkbaar zijn dag niet. Maar het had slechter kunnen aflopen en dan had ik nu negen vingers gehad.
Zo’n twintig jaar geleden ben ik op de fiets in een bocht onderuit gegaan en heb toen dezelfde pink gebroken. De fysiotherapeut heeft er, nadat de breuk geheeld was, stevig aan staan te rukken en trekken en daar ben ik hem nog dankbaar voor. Ja, ik heb m’n pinkje nog steeds en daar ben ik blij om.
Over mijn andere vingers kan ik niets vertellen. Ze hebben weliswaar veel meegemaakt, maar dit is ze niet aan te zien.
De hartlijnen en de lange, ononderbroken stevige hoofdlijnen van mijn beide handen zijn met elkaar vervlochten. Betekent dit dat mijn gevoel en verstand in evenwicht zijn met elkaar? Betekent het sowieso al iets?
Ik heb zachte handen. Er zit nauwelijks eelt op. Dat is wel eens anders geweest.
Heel lang geleden werkte ik in de bouw. Ik was kabeltrekker en grondwerker. En korte tijd was ik ook nog opperman. Zie je het voor je? Natuurlijk was ik met mijn tengere postuur daar helemaal niet op gebouwd. Mijn handen waren alleen pen en papier gewend.
Opeens moesten ze grote zakken zand en cement van 25 kg of meer beetpakken. Urenlang hielden ze een kabel of schep omklemd. De eerste dag lag alles open en ik verrekte van de pijn. Maar in de dagen erna trokken de wondjes dicht en kreeg ik een mooie laag eelt op mijn handen.
Al ben ik blij dat mijn handen zacht en stevig zijn, ik mis dat kleine laagje eelt wel. Echte mannen hebben eelt op hun handen of op hun ziel. Ik heb geen van beide.
Bij mijn polsen wordt het weer interessant. Er loopt een klein littekentje over een van de slagaderen in mijn linkerpols. Tijdens een vakantie in Frankrijk zo’n tien jaar geleden verloor ik mijn evenwicht en knalde met die pols tegen een scherpe rotspunt aan. Er zat opeens een gat in mijn pols van wel een halve centimeter diep. De ader er onder was net niet geraakt. Ook dit had anders af kunnen lopen.
En dan heb ik op mijn pols nog een litteken van de wratjes die er op hebben gezeten.
Deze wratjes had ik gekregen van het vingeren. Dat vond je als jonge gast van veertien vreselijk interessant, al had je geen idee wat je aan het doen was. Maar dat waren nu eenmaal de spelletjes die de meisjes en de jongens, waarmee ik opgroeide, speelden.
En Hannie (Of was het Els?) had daar beneden allemaal wratjes en ik weet nog dat ik zei: “Lieve Heer, laat mij alsjeblieft geen wratjes krijgen” want ik geloofde toen nog. Maar Hij moet geweten hebben dat ik toch een afvallige zou worden want mijn gebed werd niet verhoord. En zo kreeg ik allemaal wratjes. Mijn vader behandelde die met een soort vloeistof en sneed de korst er dan af met een scheermesje. Dat deed me toch zeer.
Mijn wratjes verdwenen, maar één klein litteken is altijd gebleven, zodat ik hier inspiratie uit zou kunnen putten als ik mij weer eens afvroeg wat ik nu weer zou schrijven.
Ik zou zo mijn hele lijf langs kunnen gaan. Overal zijn er wel plekjes met hun eigen verhaal. Maar ik vind dat ik vandaag wel voldoende van mezelf heb bloot gegeven.

1 opmerking:

Thezero de Verschrikkelijke Schreeuwman zei

het lukt je tot nu toe erg goed om elke keer weer een nieuw verhaal te schrijven.