Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

12 februari 2010

Opgroeien

Als kind speelde ik graag op straat. Er waren toen nog bijna geen auto’s en spelen op straat was daarom betrekkelijk ongevaarlijk. Soms gingen we op de stoep aan de Slinge zitten om nummerborden op te schrijven van auto’s die voorbij kwamen. Dit geeft wel aan dat het in vergelijking met nu tamelijk rustig was op de weg.
Natuurlijk speelden we verstoppertje of diefje met verlos. Ik herinner me dat ik behoorlijk handig was in het spelen van deze spelletjes. Als ik mij had verstopt konden ze mij meestal niet vinden. En bij diefje met verlos lukte het mij menigmaal om mijn kameraden te bevrijden.
Goaltje schieten, voetballen, in bomen klimmen, papieren pijltjes op elkaar schieten…Het hoorde er allemaal bij.
Als je tv wilde kijken ging je met z’n allen naar een aardige buurvrouw. Je trok je schoenen voor de deur uit en zat dan voor de bank op de grond met een grote groep andere kinderen naar een klein zwart-wit schermpje te staren. Het zuurtje dat je kreeg probeerde je zo lang mogelijk heel in je mond te houden en na afloop zei je netjes “Dank u wel, mevrouw”.
Wat je ook kon doen is je neus tegen de ruit drukken van degenen die een woning hadden op de begane grond. Soms werd je weggejaagd en schold je de harteloze tv-bezitters eens lekker stevig uit. Een andere keer kon je blijven staan, maar binnengelaten werd je nooit.
Veel van mijn jeugd kan ik mij niet herinneren. Het is dan ook zo lang geleden.
Maar als ik er voor ga zitten komen de beelden vanzelf naar boven.
Een moment dat mij is bijgebleven was het ogenblik dat ik ontdekte dat ik net zo hoog was als de tafel. Een ander moment dat ik echt nooit vergeten zal is het moment dat ik een spijker in het stopcontact stak, omdat hij zo mooi in een van de gaatjes paste. Natuurlijk kreeg ik een geweldige opdonder en vlogen de stoppen in de stoppenkast er met een klap uit.
“Ga terug naar je eiland” zei een meisje tegen mij toen ik ruzie met haar had. “Naar welk eiland?” vroeg ik haar in al mijn onschuld. Haar geografische kennis moet niet groot geweest zijn, want zij bleef mij het antwoord schuldig. Ongetwijfeld had mijn donkere uiterlijk haar tot die uitspraak gebracht, maar zij aapte waarschijnlijk gewoon de volwassenen na uit haar omgeving en had geen idee wat ze zei.
Dat had ik ook niet toen ik, nog geen twaalf jaar oud, aan de zestienjarige Ciska vroeg of zij vanavond weer de hoer ging uithangen. Een uitspraak die ik van mijn ouders had opgepikt, maar waarvan ik niet wist wat deze betekende. Dat Ciska met haar felrode nagels naar voren zich vervolgens op mij stortte en ik ternauwernood aan haar woede ontsnapte begreep ik daarom niet. Het was zomaar een vraag en dan deze vreemde reactie…
De straat was de plek waar ik mij het beste thuis voelde. Ik voel me misschien daarom buiten meestal het prettigst, weer of geen weer.
Mijn speelsheid heeft mij nooit verlaten en vaak zeg ik tegen mijn leerlingen dat ik voor hen hoop dat ook zij het kind in hen zullen blijven koesteren. Het is dat kind waar ze hun hoop op moeten vestigen, dat ze lief moeten hebben en beschermen tegen degenen die van hen droogkloterige volwassenen willen maken.
Het is dat kind waarvoor ze leven.

Geen opmerkingen: