Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

10 februari 2010

Een onwaarschijnlijke combinatie.

Jan Peter en Wouter. De Dikke en de Dunne. De kikker en de prinses. Onwaarschijnlijke combinaties, die onze aandacht trekken en soms een brede grijns op ons gezicht toveren.
The beauty and the beast”, zei ze, waarbij ze in het midden liet wie van hun twee de beast en wie de beauty was. Zelf zag ik alleen twee beauty’s, maar zoals bekend is beauty "in the eye of the beholder.” Schoonheid zit in de ogen van de waarnemer.
Ze kwamen nog even bij me langs in de klas terwijl ik mijn spullen aan het opruimen was.
Ik was verrast, omdat ik hen beiden nog nooit samen gezien had in de jaren dat ik les aan hen geef. Het leken wel twee vriendinnen die elkaar al jaren kenden. De ene donker en groot, de ander blond en net zo klein als ik. Allebei afzonderlijk al opvallende verschijningen. En nu, al was het misschien maar voor even, samen.
Natuurlijk kon ik het niet laten om op te merken dat ik hierover wat in mijn weblog zou schrijven. Nou dames, bij deze. En als ik zo vrij mag zijn om me er tegenaan te bemoeien dan…., nee dus. Dat mag ik niet. Ook goed. Ik bemoei me alleen met mijn eigen zaken.

In mijn jonge jaren maakte ik soms ook deel uit van een onwaarschijnlijke combinatie. Zo was mijn Amerikaans vriendin meer dan een half hoofd groter dan ik en kan hetzelfde worden gezegd van sommige andere vriendinnen die ik toen heb gehad. Het zal af en toe wel geleid hebben tot een gefronste wenkbrauw of een glimlach. Maar ik heb het nooit beseft.
Soms kun je aan de buitenkant niet zien dat bepaalde combinaties speciaal zijn. Dat weten alleen degenen die het betreft zelf. Maar wat is speciaal?

Ik kijk uit het raam. Niemand. Een krolse poes wrijft haar genotzieke lijf tegen een lantaarnpaal en verdwijnt dan onverwachts in de bosjes.
Het is tien uur ’s avonds. Hij zal me straks wel roepen.
Kom je nog, roept hij met donderende stem nog geen vijf minuten later.
Ik storm de trap op. Hij ligt met zijn kolossale lijf als een zielig hoopje in bed.
Wil je me vanaf hier voorlezen? Hij legt zijn vinger halverwege de bladzijde.
Ik begin te lezen. Zijn doffe ogen lijken open te breken en beginnen te glanzen. Reeds na tien minuten hoor ik een zacht geronk en als ik kijk zie ik dat zijn ogen dicht zijn. Hij heeft een vredige uitdrukking op zijn gezicht. Even heb ik hem de pijn doen vergeten. Samen zijn we een paar minuten op avontuur geweest.
Ik trek de dekens over hem heen tot aan zijn kin. Hij merkt het niet. Het glas met water staat nog onaangeroerd op het nachtkastje.
Drie maanden, had de dokter gezegd. Hoogstens drie maanden, niet langer. En dat was al ruim een maand geleden.
Ik doe het licht uit en ga naar beneden. Als ik weg ga laat ik alleen een lampje onder een van de keukenkastjes branden.
Meisje”, had mijn moeder gezegd. Je moet je hart volgen, maar ik denk niet dat je er gelukkiger van wordt. Dat was twee jaar geleden.
Nee, ik ben nooit bij hem gaan wonen. Hij had net zijn beste vriend verloren en wist dat ook hij niet lang meer te leven had.
Al heeft nooit van mij gehouden, voor mij bestond er geen lievere man. “Bestaat” moet ik zeggen, want hij is nog niet dood. Ik weet nu al dat ik hem enorm zal missen.
Een onwaarschijnlijke combinatie, zei een vriendin van me toen ik het met haar over hem en mij had. Ja, onwaarschijnlijk, maar zo echt dat het me vreselijk veel pijn doet als ik aan de toekomst denk.