Nu je er toch bent...

Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.

Pagina's

03 mei 2010

Afscheid?

Het is een godvergeten armzalige en genante vertoning, zoals ik daar sta te zwaaien op mijn benen. Iedereen lijkt de grootste lol te hebben en niemand heeft zin om te roepen dat het nu toch wel de hoogste tijd is om naar bed te gaan. Misschien is ook niemand hier meer toe in staat. Zo’n laatste avond wil niemand naar bed of het moet met z’n tweeën zijn.
Met hoeveel we zijn weet ik niet. Met z’n twintigen? Of meer? Als ik probeer te tellen glippen de getallen al door mijn vingers heen voordat ik bij de tien ben en moet ik opnieuw beginnen. Na drie pogingen geef ik het op.
Hoewel er ook mannen aan het vuur zitten, zijn de meeste diehards deze keer toch wel vrouwen. Zij piekeren er blijkbaar niet over om op te breken.
Hebben ze het zo naar hun zin? Zijn ze te dronken of te vermoeid om op te staan? Of gewoon geil en zitten ze te wachten op een hitsige aardtrol die hen het bos in wil slepen?
De maan staat in zijn eerste kwartier laag boven de bosrand. Nog een paar dagen en hij zal weer in majestueuze schoonheid vol boven de bomen hangen.
Na een snoeihete dag is de hitte tussen de bomen niet verdwenen. Het is zo’n zeldzame magische zwoele nacht waarin de wereld nog slechts bestaat uit een zacht brandend kampvuur met wat gelukzalig glimlachende mensen er om heen, terwijl ze een fles wijn of een jointje aan elkaar doorgeven.
Ik kan al lang niet meer op mijn benen staan en doe geen pogingen meer om het vuur brandende te houden. De slanke jonge vrouw met het lange sluike haar heeft zich er over ontfermd. Zij is vannacht de vuurvrouw. Eerder op de avond zat ze naast me en streelde ze mijn haar terwijl ze me diep in de ogen keek.
Hoe heet ze ook al weer? Haar gezicht is mooi gevormd en in het flakkerende licht van de vlammen valt het me opnieuw op hoe prachtig ze er uit ziet.
Zo-even heb ik haar dit niet gezegd. Ik was te overdonderd toen ze spontaan naast me ging zitten en zomaar een gesprek met me begon. Ik zag de blikken van de anderen. Ik voelde hoe er op ons werd gelet. Ze rookte niet en ze dronk niet. Ze liet me zwemmen in haar ogen en stak geen hand uit toen ik er in verdronk.
Voordat ik slapen ga moet ze weten dat ik haar geweldig vind. Dat ik nu pas een verlate erectie heb. En dat ik het liefst nu alleen met haar zou willen zijn, maar dat ik me te moe voel.
Ik ben zo stoned en dronken dat ik denk alleen maar moe te zijn. Alsof ik altijd op mijn benen sta te waggelen als ik moe ben.
Ik krijg hulp als ik overeind probeer te komen. De eerste poging mislukt, maar nu sta ik dan toch eindelijk. Als ik een stap naar voren doe val ik schuin naar achteren. Ik word opgevangen. Mijn God, wat ben ik moe.
Iemand vraagt me of het goed met me gaat. Als ik mummel dat ik oké ben staat ze opeens naast me. Ze is nog mooier dan ik dacht.
“Zal ik je naar je tent brengen?”, vraagt ze. Ik zeg haar dat ik niets liever wil.
Ze slaat haar arm om me heen om te voorkomen dat ik val. Maar ik val niet, het is de wereld die steeds wegglijdt. Ik hoor hoe sommigen aanbieden om mee met ons te gaan, maar ze zegt dat ze zich wel redt. “Waar is je tent”, vraagt ze. “Voorbij de Kuil”, zeg ik haar.
Ik heb de weg al zo vaak in het donker gelopen dat ik er ook nu geen moeite mee heb.
We lopen langs de keet over het zandpad in de richting van de vuilcontainers bij de kruising.
“Nog een stukje verder”, zeg ik haar. Ik voel de zachte warmte van haar huid tegen de mijne.
We steken het kinderveld over. “Kijk”, zeg ik haar en wijs naar boven. Myriaden sterren vullen het firmament. “Bij de prijs inbegrepen”, mompel ik.
We zijn bij mijn tent. “Red je het verder?”, vraagt ze. Ik bedank haar. “Ik vond het een fijne avond en leuk je ontmoet te hebben”, zegt ze. Ze geeft me een zoen en opeens is ze verdwenen. Ik zit op de koude bosgrond in het donker. Met enige moeite lukt het me om de rits van de tent open te trekken. Ik sleep me naar binnen. Het duurt nog tien minuten voordat ik in mijn slaapzak lig. De volgende ochtend als ik wakker word is het al elf uur.
Ik heb geslapen als een blok en voel me zo fris als een hoentje. Op mijn tafeltje naast de tent ligt onder een steen een brief. Ik lees dat ze me een geweldige vent vond en “wie weet, zien wij elkaar misschien in de toekomst” weer. Ze wist dat ik nog een week zou blijven en wenste me een fijne tijd. Dromerig staarde ik voor me uit en drukte het briefje aan mijn lippen. Ik heb haar nooit meer gezien en weet nog steeds niet wat haar naam was.

Geen opmerkingen: