Woede. Woede is wat ik het eerst voelde toen ik vanmorgen op het journaal hoorde hoe Israëlische commando’s een slachting aangericht hadden onder de vredesactivisten die met vijf boten vol hulpgoederen op weg waren naar de Gazastrook. Woede en walging.
Ik ben natuurlijk ook niet helemaal achterlijk en weet ook wel dat er meerdere kanten aan het verhaal zitten. Misschien werden er ook wapens gesmokkeld. Misschien waren er fundamentalisten aan boord en hebben zij als eerste het vuur geopend.
Israël moet nu eenmaal als kleine en kwetsbare staat laten zien dat zij onverbiddelijk zijn en keihard. Alleen: was dit niet anders op te lossen geweest?
Het lijkt er op dat het trauma dat het Joodse volk met zich meedraagt als gevolg van eeuwenlange vervolgingen zo onhandelbaar groot geworden is, dat zij inmiddels zelf verworden zijn tot de beulen van hun vervolgers en van iedereen die zij hiermee op één lijn stellen. Er is geen millimeter ruimte voor nuancering of begrip.
Ooit werkte ik in een kibutz en genoot van de gastvrijheid die Israël mij toen te bieden had.
Wist je dat ik toen helemaal niet door had wat er speelde? Zo begreep ik de Palestijnse jongen niet die ook in de kibutz werkte en vol haat over de Israëli sprak. Waar had hij het over? Overal aardige mensen en hij vertelde dat ze niet deugden. Ik snapte het niet.
Israël is een prachtig land, maar dat was het ook voor de Palestijnen die toen van hun grond werden verdreven.
Overal waar een sterk volk tegenover een zwakker volk staat zal dat sterke volk de regels bepalen en de zwakkere verjagen of onderdrukken als zij dit nodig vinden. Ten tijde van het kolonialisme was dit de regel en dat is daarvoor en ook daarna nooit anders geweest. Iedereen kent de voorbeelden van de Aboriginals, Indianen, Maori ’s en noem maar op. Zij zijn allen door hun bezetters in grote getale uitgeroeid, al is het meer politiek correct om hiervoor andere omschrijvingen voor te gebruiken. Maar ik ben geen politicus en noem de dingen liever bij hun naam.
Maar maken wij ons druk over de Amerikanen die eigenlijk wonen in het land van de Indianen? Of de Australiërs, die het land van de Aboriginals hebben afgepikt en hun cultuur kapot gemaakt? Ook de Nieuw Zeelanders wonen in een land dat al door anderen bewoond was voordat zij kwamen.
The killing goes on and on. Wie komt er nu op voor de indianen in het amazonegebied? Of de Papoea ’s in Nieuw Guinea? Dit zijn natuurlijk slechts enkel voorbeelden, want de lijst is nog veel en veel langer.
Nee, ik kan wel accepteren dat er veel onrecht in de wereld is. Dat mensen in alle tijden voor hun medemens zowel een zegen als een vloek zijn geweest.
Maar toen ik vanmorgen het nieuws zag was ik woest en dat ben ik nog. Wat wordt de volgende misdaad die er straks tegen de Palestijnen en een ieder die zich hun lot aantrekt wordt begaan?
Ooit zat ik als klein manneke van tien te vissen toen een verwarde man naast mij kwam zitten. Hij vertelde dat hij een Zionist was. Waar heeft hij het over? dacht ik toen.
Ik heb hem nog vaak gezien en hij was zo gek als een deur, leek het wel. Voortdurend prevelde hij onduidelijke teksten in zijn baard en het meest waren dit toch wel stukken uit het oude testament. Maar hij maakte ook indruk op me door een enge voorspelling te doen.
Het begint in het Midden-Oosten, het begint in Israël, zei hij. Vandaar uit zal een groot vuur de wereld verteren. Het klonk onheilspellend en ik kon er alleen maar wat lacherig op reageren. Bijna vijftig jaar later vraag ik me af of hij inderdaad alleen maar wartaal zat uit te slaan of dat hij meer wist.
Nu je er toch bent...
Om de een of andere duistere reden zit je nu op mijn weblog. Nu je er toch bent kun je net zo goed een artikeltje lezen en eventueel van commentaar voorzien. En dan fluks weer verder, want het is hier geen parkeerplaats. Groetjes.
Pagina's
31 mei 2010
28 mei 2010
Ha-ha-hie-ha-ha-ha.
Donderdag begon zo mooi. Niet alleen was er hoop, maar bij sommigen waren de verwachtingen zelfs hoog gespannen. Wij zouden de wereld opnieuw laten zien dat we er bij behoorden.
Neuriënd werd ik wakker. Shal-la-lie, sha-la-la…Ik kwam vanzelf in een prima stemming.
Straks lekker vergaderen en vanavond met een zak borrelnootjes achter de buis.
Er bekroop me wel enige twijfel toen ik in de Spits las dat onze Sieneke een hoog aaibaarheidsgehalte had. Ik keek naar de bijgevoegde foto en zag een lief lachend pafferig meisje van 18 dat er uit zag als dertig, gekleed in een te strakke broek waarboven een geborduurd wit tafellakentje, dat door haar gedragen werd als een mouwloos hesje.
Dat is ze dus, dacht ik. Zij gaat de eer van ons landje redden.
Ik las dat onze inzending bestond uit een opvallend simpele melodie. Verder stond er dat Sieneke het vooral zou moeten hebben van de kinderen die hun stem uitbrengen en niet van de vakjury. Want die zouden nu al in het geheim hun punten verdelen over de landen uit de tweede halve finale. De schrijver van het stukje leek er wel kijk op te hebben.
Tijdens de vergadering zat het simpele melodietje nog steeds in mijn hoofd. Het had zich vastgeklampt aan mijn prefrontale cortex en interfereerde een beetje met de andere functies. Zo had ik wat problemen met mijn sociale gedrag ten aanzien van mijn collega’s en moest ik telkens winden laten. En reageerde ik wat impulsief toen een collega mij best aardig noemde, waarop ik haar vol op de mond kuste. Onderwijl zat Sieneke maar in mijn hoofd.
Hoe teleurgesteld was ik vanmorgen toen ik tijdens het journaal hoorde dat Sieneke er niet door was. De ruim zeshonderd steunbetuigingen die ze kreeg als tegenwicht voor de harde kritiek die sommigen al van tevoren meenden te moeten uiten, hadden haar er niet doorheen gesleept. Ik kon het niet geloven. Zeker, bij de anderen zaten wèl lekkere wijven met laag uitgesneden decolletés, maar ook bij hen waren het opvallend simpele melodietjes. Veel teksten in het engels, maar wie wil nou weten waar zo’n liedje over gaat? Waarom niet gewoon trots zijn op je moerstaal?
Ik begreep wel dat de kinderen Sieneke in de steek hadden gelaten. Misschien vonden zij het aaibaarheidsgehalte van Sieneke helemaal niet zo hoog.
En dan de Spits, het gratis leesblad van de Televaag, de krant van zwakker Nederland. Wat hadden zij vanmorgen een ontroerende foto op de voorpagina. Het lieve lachje was verdwenen, Sieneke zag er nu als een goed geconserveerde veertiger uit en verklaarde dat ze alles had gegeven wat ze in huis had. En dat ze gewoon verder zou gaan met het ontwikkelen van haar carrière. Wat een fantastische mentaliteit.
Jammer dat het allemaal zo is gelopen. Gelukkig hebben we de wereldkampioenschappen nog. Nederland heeft een fantastische ploeg. Ik hoop, nee ik verwacht dat ze het prima gaan doen daar in Zuid-Afrika. Mijn verwachtingen zijn zelfs hoog gespannen. Ha-ha-hie-ha-ha-ha.
Neuriënd werd ik wakker. Shal-la-lie, sha-la-la…Ik kwam vanzelf in een prima stemming.
Straks lekker vergaderen en vanavond met een zak borrelnootjes achter de buis.
Er bekroop me wel enige twijfel toen ik in de Spits las dat onze Sieneke een hoog aaibaarheidsgehalte had. Ik keek naar de bijgevoegde foto en zag een lief lachend pafferig meisje van 18 dat er uit zag als dertig, gekleed in een te strakke broek waarboven een geborduurd wit tafellakentje, dat door haar gedragen werd als een mouwloos hesje.
Dat is ze dus, dacht ik. Zij gaat de eer van ons landje redden.
Ik las dat onze inzending bestond uit een opvallend simpele melodie. Verder stond er dat Sieneke het vooral zou moeten hebben van de kinderen die hun stem uitbrengen en niet van de vakjury. Want die zouden nu al in het geheim hun punten verdelen over de landen uit de tweede halve finale. De schrijver van het stukje leek er wel kijk op te hebben.
Tijdens de vergadering zat het simpele melodietje nog steeds in mijn hoofd. Het had zich vastgeklampt aan mijn prefrontale cortex en interfereerde een beetje met de andere functies. Zo had ik wat problemen met mijn sociale gedrag ten aanzien van mijn collega’s en moest ik telkens winden laten. En reageerde ik wat impulsief toen een collega mij best aardig noemde, waarop ik haar vol op de mond kuste. Onderwijl zat Sieneke maar in mijn hoofd.
Hoe teleurgesteld was ik vanmorgen toen ik tijdens het journaal hoorde dat Sieneke er niet door was. De ruim zeshonderd steunbetuigingen die ze kreeg als tegenwicht voor de harde kritiek die sommigen al van tevoren meenden te moeten uiten, hadden haar er niet doorheen gesleept. Ik kon het niet geloven. Zeker, bij de anderen zaten wèl lekkere wijven met laag uitgesneden decolletés, maar ook bij hen waren het opvallend simpele melodietjes. Veel teksten in het engels, maar wie wil nou weten waar zo’n liedje over gaat? Waarom niet gewoon trots zijn op je moerstaal?
Ik begreep wel dat de kinderen Sieneke in de steek hadden gelaten. Misschien vonden zij het aaibaarheidsgehalte van Sieneke helemaal niet zo hoog.
En dan de Spits, het gratis leesblad van de Televaag, de krant van zwakker Nederland. Wat hadden zij vanmorgen een ontroerende foto op de voorpagina. Het lieve lachje was verdwenen, Sieneke zag er nu als een goed geconserveerde veertiger uit en verklaarde dat ze alles had gegeven wat ze in huis had. En dat ze gewoon verder zou gaan met het ontwikkelen van haar carrière. Wat een fantastische mentaliteit.
Jammer dat het allemaal zo is gelopen. Gelukkig hebben we de wereldkampioenschappen nog. Nederland heeft een fantastische ploeg. Ik hoop, nee ik verwacht dat ze het prima gaan doen daar in Zuid-Afrika. Mijn verwachtingen zijn zelfs hoog gespannen. Ha-ha-hie-ha-ha-ha.
27 mei 2010
Vergaderen
Vergaderen is mijn lust en mijn leven. Daarom is het ook zo fijn dat docenten altijd wel een reden hebben om te vergaderen. Of dacht je dat wij het zonder die paar uurtjes kankeren konden en toch gewoon kunnen blijven functioneren met een lach naar elkaar en naar de leerlingen toe?
Ik kijk er elke keer weer naar uit aanwezig te mogen zijn bij dit archaïsch restant uit de zestiger jaren, wat zo gekoesterd wordt door iedereen die minimaal een Mbo-opleiding heeft gevolgd. Voor de jongens en meisjes met ambitie heb ik goed nieuws. Als je straks na je MBO je HBO hebt gedaan mag je nog meer vergaderen. En ben je een doorzetter en loop je straks rond met je bul dan kun je met een beetje goede wil van vergaderen misschien je goedbetaalde beroep maken.
Natuurlijk zijn er organisaties waar het vergaderen tot een minimum is terug gedrongen.
Bij een sollicitatiegesprek is het daarom verstandig om altijd te vragen hoe het zit met de vergadercultuur. Kijken ze je met opgetrokken wenkbrauw vragend aan, zeg dan dat je dol bent op vergaderen en dat je hoopt dat je, mocht je worden aangenomen, minstens twee uur per week met je collega’s om de tafel mag zitten.
Op jaarbasis is dit al snel zo’n tachtig uur. Dan ga ik natuurlijk wel uit van een baan waarbij je maar veertig weken per jaar hoeft te werken, zoals bijvoorbeeld in het onderwijs.
Ik werk al een mensenleven lang in dit krankzinnigeninstituut en ben nog steeds normaal, zei een collega tijdens de vergadering waarna hij begon te huilen als een droevige wolf.Iedereen huilde met hem mee.
En onze leerlingen maar denken dat zij de enigen zijn die het zwaar hebben.
Ik kijk er elke keer weer naar uit aanwezig te mogen zijn bij dit archaïsch restant uit de zestiger jaren, wat zo gekoesterd wordt door iedereen die minimaal een Mbo-opleiding heeft gevolgd. Voor de jongens en meisjes met ambitie heb ik goed nieuws. Als je straks na je MBO je HBO hebt gedaan mag je nog meer vergaderen. En ben je een doorzetter en loop je straks rond met je bul dan kun je met een beetje goede wil van vergaderen misschien je goedbetaalde beroep maken.
Natuurlijk zijn er organisaties waar het vergaderen tot een minimum is terug gedrongen.
Bij een sollicitatiegesprek is het daarom verstandig om altijd te vragen hoe het zit met de vergadercultuur. Kijken ze je met opgetrokken wenkbrauw vragend aan, zeg dan dat je dol bent op vergaderen en dat je hoopt dat je, mocht je worden aangenomen, minstens twee uur per week met je collega’s om de tafel mag zitten.
Op jaarbasis is dit al snel zo’n tachtig uur. Dan ga ik natuurlijk wel uit van een baan waarbij je maar veertig weken per jaar hoeft te werken, zoals bijvoorbeeld in het onderwijs.
Ik werk al een mensenleven lang in dit krankzinnigeninstituut en ben nog steeds normaal, zei een collega tijdens de vergadering waarna hij begon te huilen als een droevige wolf.Iedereen huilde met hem mee.
En onze leerlingen maar denken dat zij de enigen zijn die het zwaar hebben.
25 mei 2010
Gluren.
Via een weblog kun je lekker anoniem in het leven van een ander gluren.
Als gluurvolkje komen wij daarom sinds de komst van het weblog prima aan ons trekken. Het zit immers in onze landsaard. Om Maxima te corrigeren: de typische Nederlander bestaat wel en is iemand die met genoegen bij anderen naar binnen kijkt en er geen moeite mee heeft als dit ook bij hem gebeurt. Hij verlangt er zelfs naar.
Zover ik weet zijn wij de enigen op de wereld die er niet alleen rekening mee houden dat anderen graag naar binnen gluren, maar helpen wij hen zelfs graag door ’s avonds de gordijnen open en het licht aan te doen. Wij verwachten dit natuurlijk ook van anderen, zodat wij op ons beurt bij hen naar binnen kunnen gluren. Als we kijken en de buurman staat dan toevallig in zijn pendek de rug van zijn vrouw te masseren terwijl de hond tegen een van zijn benen oprijdt is dat mooi meegenomen.
Met een weblog kun je echter verder kijken dan de huiskamer. Je ziet er soms ook de verborgen plekjes op zolder en in de kelder mee en wat je daar aantreft misstaat soms niet in een rariteitenkabinet.
Tot nu toe was ik zo monomaan bezig om mezelf taalkundig te bevredigen dat ik heb verzuimd om eens te kijken hoe anderen dit doen. Toen ik dan toch puur uit nieuwsgierigheid gisteren diverse weblogs las van anderen ging er een wereld voor me open.
Zeker, er is veel trash. Maar je komt ook veel talent tegen. De echt mooie weblogs heb ik snel doorgebladerd. Ik ben vooral op zoek gegaan naar persoonlijke verhalen. Die zijn er zeker en soms schrok ik van het exhibitionisme van de makers.
De openheid waarmee sommigen het hebben over liefde en eenzaamheid is bijna gênant te noemen.
Zo eerlijk zou ik nooit kunnen zijn. Mijn kelder en zolder hou ik voor nieuwsgierige blikken gesloten. De spoken die ik daar bewaar hou ik helemaal voor mezelf. Op mijn weblog zul je tevergeefs op zoek gaan naar persoonlijke ontboezemingen. Ik ben en blijf zo gesloten als een oester.
Dus geen woord over mijn escapades en andere streken. Ik ontken toch alles. Laat je fantasie dit zelf maar invullen. En nu ga ik nog even gluren bij de internetburen.
Als gluurvolkje komen wij daarom sinds de komst van het weblog prima aan ons trekken. Het zit immers in onze landsaard. Om Maxima te corrigeren: de typische Nederlander bestaat wel en is iemand die met genoegen bij anderen naar binnen kijkt en er geen moeite mee heeft als dit ook bij hem gebeurt. Hij verlangt er zelfs naar.
Zover ik weet zijn wij de enigen op de wereld die er niet alleen rekening mee houden dat anderen graag naar binnen gluren, maar helpen wij hen zelfs graag door ’s avonds de gordijnen open en het licht aan te doen. Wij verwachten dit natuurlijk ook van anderen, zodat wij op ons beurt bij hen naar binnen kunnen gluren. Als we kijken en de buurman staat dan toevallig in zijn pendek de rug van zijn vrouw te masseren terwijl de hond tegen een van zijn benen oprijdt is dat mooi meegenomen.
Met een weblog kun je echter verder kijken dan de huiskamer. Je ziet er soms ook de verborgen plekjes op zolder en in de kelder mee en wat je daar aantreft misstaat soms niet in een rariteitenkabinet.
Tot nu toe was ik zo monomaan bezig om mezelf taalkundig te bevredigen dat ik heb verzuimd om eens te kijken hoe anderen dit doen. Toen ik dan toch puur uit nieuwsgierigheid gisteren diverse weblogs las van anderen ging er een wereld voor me open.
Zeker, er is veel trash. Maar je komt ook veel talent tegen. De echt mooie weblogs heb ik snel doorgebladerd. Ik ben vooral op zoek gegaan naar persoonlijke verhalen. Die zijn er zeker en soms schrok ik van het exhibitionisme van de makers.
De openheid waarmee sommigen het hebben over liefde en eenzaamheid is bijna gênant te noemen.
Zo eerlijk zou ik nooit kunnen zijn. Mijn kelder en zolder hou ik voor nieuwsgierige blikken gesloten. De spoken die ik daar bewaar hou ik helemaal voor mezelf. Op mijn weblog zul je tevergeefs op zoek gaan naar persoonlijke ontboezemingen. Ik ben en blijf zo gesloten als een oester.
Dus geen woord over mijn escapades en andere streken. Ik ontken toch alles. Laat je fantasie dit zelf maar invullen. En nu ga ik nog even gluren bij de internetburen.
24 mei 2010
Er wordt er één jarig, hoera, hoera.
Opa Breedvelt wordt eind juni 90 jaar en dat hebben we alvast op eerste pinksterdag gevierd met een etentje. Zoiets hadden we in eerdere jaren ook al eens gedaan en als hij 100 wordt doen we het weer. Allemaal een kroket en een zakje patat. En een glaasje fris.
Op zijn echte verjaardag kon niemand. Ook op andere momenten was er altijd wel iemand die iets anders te doen had. De tijd dat iedereen immers zijn agenda maar moest aanpassen aan die van opa en oma is gelukkig voorbij en daar wordt dus geen rekening meer mee gehouden. Er bestaat blijkbaar toch zoiets als vooruitgang.
Het is vermoedelijk toevallig dat mijn eigen stiefmoeder haar verjaardag groots kon vieren op de dag dat ze werkelijk jarig was. Misschien heeft het ook geholpen dat de planning al maanden eerder was geregeld. In verzorgingstehuizen zien ze dat graag ruim van tevoren, maar opa woont gelukkig nog op zichzelf en dat geeft iedereen wat meer speelruimte.
Albertjan, de broer van Paula, was wel jarig, maar niemand kwam op het idee om dan maar ter wille van hem een feestlied aan te heffen. Nee, het was echt opa’s verjaardag die we vierden, al was hij dan nog niet echt jarig.
We zijn niet gewoon gezellig hier ergens om de hoek of in de stad uit eten gegaan, maar helemaal in dat godvergeten Friesland, want opa heeft na de dood van oma besloten dat hij in Oudemirdum wil blijven wonen en dat het liefst tot z’n dood toe.
En gelijk heeft hij. Overal zijn de vier muren van een kamer immers hetzelfde en afgezien dat hij wat dichter bij zijn kleinkinderen en kinderen zou zijn, zou er niet veel veranderen.
Een paar keer per jaar huren we dus maar een auto en gaan naar de andere kant van Nederland. Mijn dochters gingen ook mee. Helaas had Jasper wat anders te doen.
Mirte woont al een aantal maanden in De Bilt, maar Paula en ik waren nog nooit bij haar langs geweest. Een mooie gelegenheid om dat goed te maken. Natuurlijk verdwaalden we en kwamen we bijna een uur later bij haar aan dan was afgesproken. Eva was met eigen vervoer naar Mirte gegaan, maar zou met ons meerijden.
Mirte woont op het landgoed Sandwijck. Wat je noemt in een kast van een woning, waarin zij een grote kamer huurt. En ze zit op minder van een kwartier van de faculteit waar ze haar master doet in ecologie. Ik citeer:
Oorspronkelijk (1704) was landgoed Sandwijck een uithof van het voormalige klooster Oostbroek. In 1834 heeft de toenmalig eigenaar, de familie Van Boetzelaer, het park door tuinarchitect J.H.J. van Lunteren in de Engelse landschapsstijl laten aanleggen. In 1984 werd de de Werkgroep Sandwijck opgericht. Een enthousiaste groep vrijwilligers nam het herstel voortvarend ter hand. Samen met Het Utrechts Landschap, dat het terrein in 1989 aankocht, heeft dit geresulteerd in een parklandschap dat doet denken aan de tijden van weleer: slingerende waterpartijen, glooiingen in het terrein, boomgroepen, een grote variatie aan boomsoorten en fraaie zichtassen.
Landgoed Sandwijck staat bekend om de grote verscheidenheid aan bijzondere bomen die het herbergt zoals jeneverbes, ginkgo, moseik, sequoia, rode beuk en Chinese hemelboom.
Mirte gaf ons de 'Grand Tour' en Paula en ik waren diep onder de indruk. Ze woont daar geweldig en ik was dan ook niet verbaasd dat ze me verklapte dat ze er ook na haar afstuderen nog een tijdje zou willen blijven wonen.
Na een kop koffie bij opa gedronken te hebben reden we met drie auto's naar het restaurant in Balk, waar we hadden gereserveerd.
Het ritme van de boeren dorpen in Friesland is toch wel wat meer ontspannen dan bij ons in de Randstad.
Zo duurde het slechts drie kwartier voordat het voorgerecht op tafel stond. In Rotterdam zou je dan al lang de zaak uit zijn gelopen om met de hamburgers uit een willekeurig fastfoodrestaurant alsnog je honger te stillen en je frustraties weg te eten. Maar hier hadden wij geen keuze, werd het door de meesten niet als storend ervaren en noemden we het gewoon ‘gezellig’. De kaart had redelijk veel variatie en omdat we allemaal verwend zijn durf ik wel te zeggen dat ik beter heb gegeten. Maar slecht was het zeker niet.
Even voor tienen waren we weer thuis. Vandaag hebben we de wagen voor de deur laten staan. Paula heeft al een paar dagen last van kiespijn en dan is het niet leuk om samen met haar in de file te staan op 2e pinksterdag. Ik zie net uit het raam dat het gelukkig weer bewolkt is. Door het zonnebaden in de tuin ben ik ontzettend loom geworden en ik ben blij dat het de komende dagen wat koeler is. Mooi weer is alleen maar leuk als je toch niet hoeft te werken.
Op zijn echte verjaardag kon niemand. Ook op andere momenten was er altijd wel iemand die iets anders te doen had. De tijd dat iedereen immers zijn agenda maar moest aanpassen aan die van opa en oma is gelukkig voorbij en daar wordt dus geen rekening meer mee gehouden. Er bestaat blijkbaar toch zoiets als vooruitgang.
Het is vermoedelijk toevallig dat mijn eigen stiefmoeder haar verjaardag groots kon vieren op de dag dat ze werkelijk jarig was. Misschien heeft het ook geholpen dat de planning al maanden eerder was geregeld. In verzorgingstehuizen zien ze dat graag ruim van tevoren, maar opa woont gelukkig nog op zichzelf en dat geeft iedereen wat meer speelruimte.
Albertjan, de broer van Paula, was wel jarig, maar niemand kwam op het idee om dan maar ter wille van hem een feestlied aan te heffen. Nee, het was echt opa’s verjaardag die we vierden, al was hij dan nog niet echt jarig.
We zijn niet gewoon gezellig hier ergens om de hoek of in de stad uit eten gegaan, maar helemaal in dat godvergeten Friesland, want opa heeft na de dood van oma besloten dat hij in Oudemirdum wil blijven wonen en dat het liefst tot z’n dood toe.
En gelijk heeft hij. Overal zijn de vier muren van een kamer immers hetzelfde en afgezien dat hij wat dichter bij zijn kleinkinderen en kinderen zou zijn, zou er niet veel veranderen.
Een paar keer per jaar huren we dus maar een auto en gaan naar de andere kant van Nederland. Mijn dochters gingen ook mee. Helaas had Jasper wat anders te doen.
Mirte woont al een aantal maanden in De Bilt, maar Paula en ik waren nog nooit bij haar langs geweest. Een mooie gelegenheid om dat goed te maken. Natuurlijk verdwaalden we en kwamen we bijna een uur later bij haar aan dan was afgesproken. Eva was met eigen vervoer naar Mirte gegaan, maar zou met ons meerijden.
Mirte woont op het landgoed Sandwijck. Wat je noemt in een kast van een woning, waarin zij een grote kamer huurt. En ze zit op minder van een kwartier van de faculteit waar ze haar master doet in ecologie. Ik citeer:
Oorspronkelijk (1704) was landgoed Sandwijck een uithof van het voormalige klooster Oostbroek. In 1834 heeft de toenmalig eigenaar, de familie Van Boetzelaer, het park door tuinarchitect J.H.J. van Lunteren in de Engelse landschapsstijl laten aanleggen. In 1984 werd de de Werkgroep Sandwijck opgericht. Een enthousiaste groep vrijwilligers nam het herstel voortvarend ter hand. Samen met Het Utrechts Landschap, dat het terrein in 1989 aankocht, heeft dit geresulteerd in een parklandschap dat doet denken aan de tijden van weleer: slingerende waterpartijen, glooiingen in het terrein, boomgroepen, een grote variatie aan boomsoorten en fraaie zichtassen.
Landgoed Sandwijck staat bekend om de grote verscheidenheid aan bijzondere bomen die het herbergt zoals jeneverbes, ginkgo, moseik, sequoia, rode beuk en Chinese hemelboom.
Mirte gaf ons de 'Grand Tour' en Paula en ik waren diep onder de indruk. Ze woont daar geweldig en ik was dan ook niet verbaasd dat ze me verklapte dat ze er ook na haar afstuderen nog een tijdje zou willen blijven wonen.
Na een kop koffie bij opa gedronken te hebben reden we met drie auto's naar het restaurant in Balk, waar we hadden gereserveerd.
Het ritme van de boeren dorpen in Friesland is toch wel wat meer ontspannen dan bij ons in de Randstad.
Zo duurde het slechts drie kwartier voordat het voorgerecht op tafel stond. In Rotterdam zou je dan al lang de zaak uit zijn gelopen om met de hamburgers uit een willekeurig fastfoodrestaurant alsnog je honger te stillen en je frustraties weg te eten. Maar hier hadden wij geen keuze, werd het door de meesten niet als storend ervaren en noemden we het gewoon ‘gezellig’. De kaart had redelijk veel variatie en omdat we allemaal verwend zijn durf ik wel te zeggen dat ik beter heb gegeten. Maar slecht was het zeker niet.
Even voor tienen waren we weer thuis. Vandaag hebben we de wagen voor de deur laten staan. Paula heeft al een paar dagen last van kiespijn en dan is het niet leuk om samen met haar in de file te staan op 2e pinksterdag. Ik zie net uit het raam dat het gelukkig weer bewolkt is. Door het zonnebaden in de tuin ben ik ontzettend loom geworden en ik ben blij dat het de komende dagen wat koeler is. Mooi weer is alleen maar leuk als je toch niet hoeft te werken.
22 mei 2010
Spotter
“Die gaat naar Schiphol”, zei de man en wees schuin naar boven. Zijn vrouw ging onverstoorbaar door met het lezen van het damesblad en reageerde niet. Ze wist ook dat hij niet van haar verwachtte dat ze reageerde. Zijn grote zware gestalte vormde een donker silhouet tegen de helderblauwe lucht. Dagelijks stond hij uren bij het raam om haar te vertellen waar de vliegtuigen heen vlogen.
Hij keek over de stad. Het was voorjaar en de zon scheen. Het zag er nu toch veel vrolijker uit dan vorige week toen het zo regende.
“Die daar gaat naar Rotterdam Airport”. Een Boeing 737-800 vloog laag over. Hij kon de raampjes tellen.
“Koffie, schat?” klonk het achter hem. Hij draaide zich om. Daar zat ze. Al ruim veertig jaar deelde ze haar leven met dat van hem. Een klein schraal vrouwtje. Haar kapsel was als een enorme grijze suikerspin en haar hoofd leek hierdoor wel twee keer zo groot.
Hoe kon het toch dat ze zo energiek was? Als ze samen aan het wandelen waren had hij moeite om haar bij te houden. “Ze overleeft me zeker tien jaar”, dacht hij bitter.
“Doe maar”, reageerde hij kort. Hij deed de balkondeur open. Er stond een straffe wind. Dat viel tegen. “Vat je geen kou?”, vroeg ze bezorgd.
Hij deed de deur weer dicht en ging in één van de twee witte leren fauteuils zitten. Ze keek hem vragend aan. “Het is te koud”, zei hij. Altijd moest hij uitleggen waarom hij iets deed of juist niet. Ze bemoeide zich met de meest onbenullige dingen.
Als je haar dit zou zeggen zou ze het ontkennen. Ze bemoeide zich nooit ergens mee, zou ze zeggen. Hij had altijd zelf de behoefte om zich te verklaren. “Ik ga even naar de WC” zei hij of “Ik schenk mezelf een glaasje melk in” of “Ik ga een boek lezen” of “ik doe de tv aan”. De hele dag door was hij bezig om commentaar te leveren op zijn eigen gedrag.
“Warme melk of koffiemelk?” vroeg ze. Soms wilde hij gewoon koffiemelk, maar zij hield daar niet van. Als ze uit eten gingen dronk ze haar koffie altijd zwart.
“Doe maar koffiemelk”, zei hij. “Over vijf minuten begint het nieuws. Ik zet de tv aan.”
In het nieuws werd verteld dat er een grote vulkaanuitbarsting in IJsland was geweest. De aswolk gaf veel overlast voor het vliegverkeer. In heel Nederland werden sinds een half uur de vliegtuigen aan de grond gehouden.
“Dat is niet best”, zei hij. En herhaalde “Dat is niet best”.
In de dagen die volgden waren er geen vliegtuigen aan de hemel te bespeuren. Met een oude verrekijker zocht hij het hemelruim af. “Ik zie niets”, zei hij.
Ze keek niet op van haar boorduurtje. Als ze aan het borduren was hoorde ze niets of niemand meer, zo geconcentreerd was ze bezig. “Denk je dat ze nog lang aan de grond blijven?” vroeg hij. Hij zag hoe ze zo verzonken was in haar bezigheden dat ze hem niet hoorde.
Al drie dagen waren er geen vliegtuigen overgevlogen. Al drie dagen. Hij werd er vreemd onrustig van. Bij het raam staan en alleen maar over de stad kijken ging ook snel vervelen. Hij miste de witte strepen tegen het blauw. Het zachte gezoem hoog in de lucht. Het geronk van de laagvliegende vliegtuigen die naar Rotterdam Airport vlogen.
Zij had het makkelijk. Zij had tenminste nog iets om handen. Maar wat moest hij nou nu er geen vliegtuigen waren? Hij zuchtte diep. Tegen zijn gewoonte in liep hij naar de keuken. Hij draaide zich bij de deur om naar haar en riep met luide stem: “Ik ga koffie zetten. Moet je ook?” Ze reageerde niet.
Hij keek over de stad. Het was voorjaar en de zon scheen. Het zag er nu toch veel vrolijker uit dan vorige week toen het zo regende.
“Die daar gaat naar Rotterdam Airport”. Een Boeing 737-800 vloog laag over. Hij kon de raampjes tellen.
“Koffie, schat?” klonk het achter hem. Hij draaide zich om. Daar zat ze. Al ruim veertig jaar deelde ze haar leven met dat van hem. Een klein schraal vrouwtje. Haar kapsel was als een enorme grijze suikerspin en haar hoofd leek hierdoor wel twee keer zo groot.
Hoe kon het toch dat ze zo energiek was? Als ze samen aan het wandelen waren had hij moeite om haar bij te houden. “Ze overleeft me zeker tien jaar”, dacht hij bitter.
“Doe maar”, reageerde hij kort. Hij deed de balkondeur open. Er stond een straffe wind. Dat viel tegen. “Vat je geen kou?”, vroeg ze bezorgd.
Hij deed de deur weer dicht en ging in één van de twee witte leren fauteuils zitten. Ze keek hem vragend aan. “Het is te koud”, zei hij. Altijd moest hij uitleggen waarom hij iets deed of juist niet. Ze bemoeide zich met de meest onbenullige dingen.
Als je haar dit zou zeggen zou ze het ontkennen. Ze bemoeide zich nooit ergens mee, zou ze zeggen. Hij had altijd zelf de behoefte om zich te verklaren. “Ik ga even naar de WC” zei hij of “Ik schenk mezelf een glaasje melk in” of “Ik ga een boek lezen” of “ik doe de tv aan”. De hele dag door was hij bezig om commentaar te leveren op zijn eigen gedrag.
“Warme melk of koffiemelk?” vroeg ze. Soms wilde hij gewoon koffiemelk, maar zij hield daar niet van. Als ze uit eten gingen dronk ze haar koffie altijd zwart.
“Doe maar koffiemelk”, zei hij. “Over vijf minuten begint het nieuws. Ik zet de tv aan.”
In het nieuws werd verteld dat er een grote vulkaanuitbarsting in IJsland was geweest. De aswolk gaf veel overlast voor het vliegverkeer. In heel Nederland werden sinds een half uur de vliegtuigen aan de grond gehouden.
“Dat is niet best”, zei hij. En herhaalde “Dat is niet best”.
In de dagen die volgden waren er geen vliegtuigen aan de hemel te bespeuren. Met een oude verrekijker zocht hij het hemelruim af. “Ik zie niets”, zei hij.
Ze keek niet op van haar boorduurtje. Als ze aan het borduren was hoorde ze niets of niemand meer, zo geconcentreerd was ze bezig. “Denk je dat ze nog lang aan de grond blijven?” vroeg hij. Hij zag hoe ze zo verzonken was in haar bezigheden dat ze hem niet hoorde.
Al drie dagen waren er geen vliegtuigen overgevlogen. Al drie dagen. Hij werd er vreemd onrustig van. Bij het raam staan en alleen maar over de stad kijken ging ook snel vervelen. Hij miste de witte strepen tegen het blauw. Het zachte gezoem hoog in de lucht. Het geronk van de laagvliegende vliegtuigen die naar Rotterdam Airport vlogen.
Zij had het makkelijk. Zij had tenminste nog iets om handen. Maar wat moest hij nou nu er geen vliegtuigen waren? Hij zuchtte diep. Tegen zijn gewoonte in liep hij naar de keuken. Hij draaide zich bij de deur om naar haar en riep met luide stem: “Ik ga koffie zetten. Moet je ook?” Ze reageerde niet.
19 mei 2010
Misverstand.
Als ze me heel even aankijkt met de die onschuldige blauwe ogen en daarna snel haar blik afwendt ben ik verkocht. Kitties, puppies en jonge vrouwen die kwetsbaar lijken zijn mijn achilleshiel.
Je sjouwt de hele dag door de stad, je zintuigen ingetrokken om de overdaad aan prikkels buiten te houden en opeens besef je dat je in de rij voor de kassa staat.
Ik zou gedachteloos hebben afgerekend en voor ik buiten stond vergeten zijn wat ik had gekocht maar door haar ben ik opeens klaarwakker.
Wat doe ik hier met deze zonnebril in mijn handen? Wil ik deze echt kopen? Ja, ik heb een zonnebril nodig. Het zonlicht doet soms pijn aan mijn ogen zo fel als het schijnt. Deze hier is heel donker en maakt dat ik er uitzie als een pooier. Dat bevalt me wel.
De brede rug van de grote vrouw voor me is onbewegelijk. Het lijkt wel een bootwerker. Zou ze een snor hebben? Grote vrouwen met een snor. Ik kan er vreselijk opgewonden van raken. Ze raadt mijn gedachten en draait zich om. Het is een man. Hij heeft geen snor.
“Twintig euro”, zegt de kassajuf en ik geef haar een splinternieuw blauw briefje. Deze is nog niet gebruikt. De maagdelijkheid straalt er van af.
Ze doet de bril in een groot etui en als ik me omdraai en weg wil lopen zie ik hoe ze weer even vluchtig naar me kijkt. Ken ik haar? Ben ik iemand die haar aan iemand doet denken?
Ze is minder jong dan ik dacht en een beetje sleets. Maar ik mag niet mopperen als zo’n kippetje belangstelling voor me toont. Ook niet als ik me dit inbeeld. Want in beide gevallen wordt mijn ijdelheid gestreeld.
Ik ga op weg naar de uitgang en blijf in gedachten verzonken bij de vitrines met bonbons en chocola staan. Vier euro voor twee ons. Ik heb al een tijd geen chocola meer gegeten. De laatste keer was toen ik wat zoetigheid nodig had omdat de bubblegum die ik net gerookt had een beetje te heftig was. Ja, de marathon zat er op. Maar moest ik mijn lijf nu gelijk weer volproppen met choco? Ik besluit om door te lopen. Bij de uitgang zie ik haar opeens voor me lopen. Blond stijl haar, tengere schoudertjes en mooie rechte benen. Ze is klein. Net zo klein als ik.
Als ze door de poortjes loopt gaat het alarm af. Ik loop vlak achter haar en het lijkt daarom dat dit door mij komt. Aarzelend blijf ik staan en zie haar doorlopen alsof er niets gebeurd is. Een vriendelijke man in blauwgrijs uniform is inmiddels aan komen lopen en vraagt mij of ik terug door het poortje wil gaan. Ik voldoe aan zijn verzoek. Opnieuw gaat het alarm af. Al snel blijkt dat het komt door de zonnebril. Ik toon de man het bonnetje dat ik in mijn portemonnee bewaar. Bij de kassa wordt het labeltje dat voor het alarm verantwoordelijk is opnieuw gedemagnetiseerd. Nu kan ik zonder problemen naar buiten. Van het vrouwtje met de onschuldig blauwe ogen is geen spoor meer te bekennen.
Je sjouwt de hele dag door de stad, je zintuigen ingetrokken om de overdaad aan prikkels buiten te houden en opeens besef je dat je in de rij voor de kassa staat.
Ik zou gedachteloos hebben afgerekend en voor ik buiten stond vergeten zijn wat ik had gekocht maar door haar ben ik opeens klaarwakker.
Wat doe ik hier met deze zonnebril in mijn handen? Wil ik deze echt kopen? Ja, ik heb een zonnebril nodig. Het zonlicht doet soms pijn aan mijn ogen zo fel als het schijnt. Deze hier is heel donker en maakt dat ik er uitzie als een pooier. Dat bevalt me wel.
De brede rug van de grote vrouw voor me is onbewegelijk. Het lijkt wel een bootwerker. Zou ze een snor hebben? Grote vrouwen met een snor. Ik kan er vreselijk opgewonden van raken. Ze raadt mijn gedachten en draait zich om. Het is een man. Hij heeft geen snor.
“Twintig euro”, zegt de kassajuf en ik geef haar een splinternieuw blauw briefje. Deze is nog niet gebruikt. De maagdelijkheid straalt er van af.
Ze doet de bril in een groot etui en als ik me omdraai en weg wil lopen zie ik hoe ze weer even vluchtig naar me kijkt. Ken ik haar? Ben ik iemand die haar aan iemand doet denken?
Ze is minder jong dan ik dacht en een beetje sleets. Maar ik mag niet mopperen als zo’n kippetje belangstelling voor me toont. Ook niet als ik me dit inbeeld. Want in beide gevallen wordt mijn ijdelheid gestreeld.
Ik ga op weg naar de uitgang en blijf in gedachten verzonken bij de vitrines met bonbons en chocola staan. Vier euro voor twee ons. Ik heb al een tijd geen chocola meer gegeten. De laatste keer was toen ik wat zoetigheid nodig had omdat de bubblegum die ik net gerookt had een beetje te heftig was. Ja, de marathon zat er op. Maar moest ik mijn lijf nu gelijk weer volproppen met choco? Ik besluit om door te lopen. Bij de uitgang zie ik haar opeens voor me lopen. Blond stijl haar, tengere schoudertjes en mooie rechte benen. Ze is klein. Net zo klein als ik.
Als ze door de poortjes loopt gaat het alarm af. Ik loop vlak achter haar en het lijkt daarom dat dit door mij komt. Aarzelend blijf ik staan en zie haar doorlopen alsof er niets gebeurd is. Een vriendelijke man in blauwgrijs uniform is inmiddels aan komen lopen en vraagt mij of ik terug door het poortje wil gaan. Ik voldoe aan zijn verzoek. Opnieuw gaat het alarm af. Al snel blijkt dat het komt door de zonnebril. Ik toon de man het bonnetje dat ik in mijn portemonnee bewaar. Bij de kassa wordt het labeltje dat voor het alarm verantwoordelijk is opnieuw gedemagnetiseerd. Nu kan ik zonder problemen naar buiten. Van het vrouwtje met de onschuldig blauwe ogen is geen spoor meer te bekennen.
18 mei 2010
Even weer lekker kankeren.
Hoewel de Euro steeds minder waard wordt en de mensen massaal goud inslaan omdat ze een grote financiële crisis verwachten, ben ik toch maar wat blij dat er over ruim een week wat extra van dat waardeloze geld op mijn rekening wordt gestort. Als je zoveel vakantie hebt als ik, dan heb je ook veel vakantiegeld nodig om leuke dingen mee te kunnen doen.
Iemand die om wat voor reden niet werkt krijgt meestal maar een keutelbeetje vakantiegeld, want van je vrije tijd mag je niet teveel genieten. Je zou eens ontdekken hoe leuk het kan zijn om niet door een baas als een soort slaaf behandeld te worden. Hoe fijn het is om geen werkdruk te kennen. Of merken dat je als mens ook heel veel waard bent als je niet voor je centen werkt. Nou ja, voor jouw centen…Voor de aandeelhouders, die altijd weer blij zijn als er mensen ontslagen worden, want dat betekent minder loonkosten en dus meer dividend op de aandelen. Of een vette koersstijging.
Voor de banken, want als je veel werkt wil je een duur huis, een mooie auto, een nieuwe keuken, mooie dingetjes. En dan ga je misschien wel veel geld lenen. Want sparen doe je niet. Je geeft het geld dat je nog verdienen moet liefst nu al uit. Want dan voel je je even belangrijk en gelukkig. Maar dan moet je hele omgeving je wel bevestigen dat je een mooie auto hebt en een prachtige woning en dat je wel een heel bijzondere vakantie hebt gehad in Thailand, terwijl de kogels om je oren vlogen.
Ja, natuurlijk willen wij niet dat de werklozen achterover gaan leunen en ontdekken dat de wereld ook wel zonder hen draait. Ze zouden het eens prima kunnen vinden.
Nog niet zo lang geleden waren er utopisten die voorspelden dat door de ontwikkeling in de techniek iedereen straks nog maar vier uur per dag zou hoeven te werken.
Iedereen zou werk hebben en tijd voor zelfontplooiing. Heb je jezelf wel eens afgevraagd waarom de voorspelling van deze utopisten niet is uitgekomen? Denk je nu echt dat het normaal is dat de een zich uit zijn naad werkt en de dagen aftelt tot zijn pensioen en de ander zich schaamt omdat hij geen werk kan vinden en als een stuk onbenul wordt behandeld door de gemeenschap? Geloof mij, de samenleving is heus niet ingericht met in gedachte de belangen van iedereen. Voorop staan altijd de belangen van een kleine selecte groep, die met veel overtuiging de anderen voor hun karretjes weten te spannen. Omdat ze nooit geleerd hebben om zelf te denken.
Ik zou juist zeggen geef de mensen die niet werken heel veel vakantiegeld, want dat kunnen zij dan weer in de economie pompen. Maar ja, dat zou de hardwerkende belastingbetaler dan weer moeten opbrengen. En die heeft er toch al zo de schurft aan dat-ie al die werkelozen moet onderhouden. Al zal hij dat niet meer zo vaak hardop zeggen als hij vermoedt dat zijn eigen baan op de tocht staat, want dàn verwacht hij wel solidariteit van de werkende massa.
Zijn de mensen die al dat goud kopen of hiervoor plannen hebben dan ten onrechte somber in hun verwachtingen? Hebben ze het bij het verkeerde eind en zitten ze straks met al hun goud tevergeefs te wachten op het moment dat alles instort? Of zijn het allemaal speculanten die verwachten dat ze straks hun goud met winst kunnen verkopen en dan een lange neus kunnen trekken naar degenen die er geen afstand van kunnen doen en zien hoe hun bezit steeds minder waard wordt?
Ik denk dat deze pessimisten gelijk hebben. Natuurlijk krijgen we een crisis. Wat zeg ik, het gaat de komende jaren crisissen regenen. Dat hoort nu eenmaal bij zo’n ingrijpende overgangstijd waarin we nu zitten. Crisis in de financiële wereld, de gezondheidszorg, het onderwijs, de bouw, het milieu, het klimaat en ga zo nog maar even door.
Maar is dat erg? Op de ingeslagen weg kunnen we toch niet verder. Het gist en borrelt niet alleen onder de Eyjafjallajökull. Ondanks beweringen van het tegendeel is de desintegratie van de samenleving al lang in volle gang. Maar als je dit niet wilt zien, dan is er altijd genoeg zand om je kop in te stoppen. Kom op, iedereen kent toch wel de vele voorbeelden die ons dagelijks worden voorgeschoteld over mensen die het ene zeggen en het andere doen.
Ik mag dan zelf ook niet zuiver op de graad zijn; ik ga een ander tenminste niet vertellen hoe hij zijn leven moet leiden. Moraalridders zijn bij mij altijd aan het verkeerde adres.
Ik moet als docent misschien wel het goede voorbeeld geven. Nu, bij deze. Neem verantwoordelijkheid voor je gedrag, leef onbezorgd zolang dat nog kan, verwacht het slechtste, dan kan het alleen maar meevallen of, nog beter, heb helemaal geen verwachtingen. Weet wanneer je cynisch moet zijn en wanneer ironisch en zorg dat je deze twee voor jezelf altijd uit elkaar weet te houden. Geloof niet teveel wat anderen zeggen.
Alle mensen zijn alleen en hebben anderen nodig om te weten dat ze dat zijn, zodat ze met elkaar er toch nog iets moois van kunnen maken.
Gemakkelijke oplossingen voor moeilijke problemen bestaan meestal niet en de paus is een vieze oude man. Als dit niet voldoende voorbeeld is ga dan eens de boeken lezen van Henry Miller. Je wordt er misschien niet wijzer van, maar je houdt er wel een gezellig nat kruis aan over.
Iemand die om wat voor reden niet werkt krijgt meestal maar een keutelbeetje vakantiegeld, want van je vrije tijd mag je niet teveel genieten. Je zou eens ontdekken hoe leuk het kan zijn om niet door een baas als een soort slaaf behandeld te worden. Hoe fijn het is om geen werkdruk te kennen. Of merken dat je als mens ook heel veel waard bent als je niet voor je centen werkt. Nou ja, voor jouw centen…Voor de aandeelhouders, die altijd weer blij zijn als er mensen ontslagen worden, want dat betekent minder loonkosten en dus meer dividend op de aandelen. Of een vette koersstijging.
Voor de banken, want als je veel werkt wil je een duur huis, een mooie auto, een nieuwe keuken, mooie dingetjes. En dan ga je misschien wel veel geld lenen. Want sparen doe je niet. Je geeft het geld dat je nog verdienen moet liefst nu al uit. Want dan voel je je even belangrijk en gelukkig. Maar dan moet je hele omgeving je wel bevestigen dat je een mooie auto hebt en een prachtige woning en dat je wel een heel bijzondere vakantie hebt gehad in Thailand, terwijl de kogels om je oren vlogen.
Ja, natuurlijk willen wij niet dat de werklozen achterover gaan leunen en ontdekken dat de wereld ook wel zonder hen draait. Ze zouden het eens prima kunnen vinden.
Nog niet zo lang geleden waren er utopisten die voorspelden dat door de ontwikkeling in de techniek iedereen straks nog maar vier uur per dag zou hoeven te werken.
Iedereen zou werk hebben en tijd voor zelfontplooiing. Heb je jezelf wel eens afgevraagd waarom de voorspelling van deze utopisten niet is uitgekomen? Denk je nu echt dat het normaal is dat de een zich uit zijn naad werkt en de dagen aftelt tot zijn pensioen en de ander zich schaamt omdat hij geen werk kan vinden en als een stuk onbenul wordt behandeld door de gemeenschap? Geloof mij, de samenleving is heus niet ingericht met in gedachte de belangen van iedereen. Voorop staan altijd de belangen van een kleine selecte groep, die met veel overtuiging de anderen voor hun karretjes weten te spannen. Omdat ze nooit geleerd hebben om zelf te denken.
Ik zou juist zeggen geef de mensen die niet werken heel veel vakantiegeld, want dat kunnen zij dan weer in de economie pompen. Maar ja, dat zou de hardwerkende belastingbetaler dan weer moeten opbrengen. En die heeft er toch al zo de schurft aan dat-ie al die werkelozen moet onderhouden. Al zal hij dat niet meer zo vaak hardop zeggen als hij vermoedt dat zijn eigen baan op de tocht staat, want dàn verwacht hij wel solidariteit van de werkende massa.
Zijn de mensen die al dat goud kopen of hiervoor plannen hebben dan ten onrechte somber in hun verwachtingen? Hebben ze het bij het verkeerde eind en zitten ze straks met al hun goud tevergeefs te wachten op het moment dat alles instort? Of zijn het allemaal speculanten die verwachten dat ze straks hun goud met winst kunnen verkopen en dan een lange neus kunnen trekken naar degenen die er geen afstand van kunnen doen en zien hoe hun bezit steeds minder waard wordt?
Ik denk dat deze pessimisten gelijk hebben. Natuurlijk krijgen we een crisis. Wat zeg ik, het gaat de komende jaren crisissen regenen. Dat hoort nu eenmaal bij zo’n ingrijpende overgangstijd waarin we nu zitten. Crisis in de financiële wereld, de gezondheidszorg, het onderwijs, de bouw, het milieu, het klimaat en ga zo nog maar even door.
Maar is dat erg? Op de ingeslagen weg kunnen we toch niet verder. Het gist en borrelt niet alleen onder de Eyjafjallajökull. Ondanks beweringen van het tegendeel is de desintegratie van de samenleving al lang in volle gang. Maar als je dit niet wilt zien, dan is er altijd genoeg zand om je kop in te stoppen. Kom op, iedereen kent toch wel de vele voorbeelden die ons dagelijks worden voorgeschoteld over mensen die het ene zeggen en het andere doen.
Ik mag dan zelf ook niet zuiver op de graad zijn; ik ga een ander tenminste niet vertellen hoe hij zijn leven moet leiden. Moraalridders zijn bij mij altijd aan het verkeerde adres.
Ik moet als docent misschien wel het goede voorbeeld geven. Nu, bij deze. Neem verantwoordelijkheid voor je gedrag, leef onbezorgd zolang dat nog kan, verwacht het slechtste, dan kan het alleen maar meevallen of, nog beter, heb helemaal geen verwachtingen. Weet wanneer je cynisch moet zijn en wanneer ironisch en zorg dat je deze twee voor jezelf altijd uit elkaar weet te houden. Geloof niet teveel wat anderen zeggen.
Alle mensen zijn alleen en hebben anderen nodig om te weten dat ze dat zijn, zodat ze met elkaar er toch nog iets moois van kunnen maken.
Gemakkelijke oplossingen voor moeilijke problemen bestaan meestal niet en de paus is een vieze oude man. Als dit niet voldoende voorbeeld is ga dan eens de boeken lezen van Henry Miller. Je wordt er misschien niet wijzer van, maar je houdt er wel een gezellig nat kruis aan over.
16 mei 2010
Lief dagboek.
De marathon van leiden zit er weer op. Aan alle leuke dingen komt helaas een eind. Terug naar het normale leven.
Mijn beste tijd in Rotterdam lag op ongeveer 4½ uur. Als ik niet na zo’n 25 kilometer de man met de hamer was tegen gekomen had ik vandaag een mooi persoonlijk record kunnen neerzetten.
Op de halve marathon liep ik 2.05.34 uur Maar even buiten Leiden begon het grote verzuren. Ik natuurlijk balen. Na de 30 kilometer koos ik er voor om voor het eerst te gaan lopen. Inmiddels had ik ook een blaar gekregen. De behandeling daarvan nam ik zelf ter hand, maar omdat de pijn bleef heb ik er ook nog even naar laten kijken op een eerste hulppost.
Alles bij elkaar leverde dit een tijdverlies op van zo’n 10 minuten.
Hele stukken heb ik vervolgens afwisselend gerend en gelopen. Uiteindelijk kwam na 4.41.15 uur over de finish. Omdat ik onderweg besloot om mezelf niet kapot te lopen, finishte ik weliswaar met de nodige pijn, maar het was niet zo erg als in Rotterdam een paar jaar geleden, waar ik na afloop niet meer kon staan, niet kon zitten en niet kon liggen (dat laatste heb ik overigens niet geprobeerd). Paula stond met kinderen en aanhang bij de eindstreep. Ze waren allemaal beretrots dat deze senior het hem toch maar weer heeft geflikt, de lieverds.
De organisatie was fantastisch en als ik volgend jaar weer de marathon zou lopen, dan weer in Leiden. In Rotterdam kostte de inschrijving € 65,- In Leiden, waar het prijzengeld maar een fractie bedraagt van dat in Rotterdam, slechts € 25,-
Er waren plekken waar je je tas kon afgeven, je kon je er omkleden en douchen en op je startnummer stond je naam. Dus onderweg riepen de mensen “Hup John, je kunt het. Nog maar 10 kilometer” of van die sympathieke opmerkingen. Toen ik de eerste keer bij mijn naam genoemd werd dacht ik in mijn onnozelheid zelfs even dat het een bekende was. En dan reageer je alsof je aangenaam verrast bent, terwijl je jezelf afvraagt wie het is.
Hoewel je massaal start, lopen de meesten de halve marathon. Slechts een paar honderd mensen gaan voor het echte werk.
Je loopt twee keer hetzelfde parcours en dat betekent dat je ook twee keer door het centrum gaat. Overal langs het parcours stonden dweilorkesten en er was zelfs een heus symfonieorkest, dat klassieke muziek speelde.
Het weer was erg goed, al had ik in de open stukken wel last van de stevige koude westenwind die er waaide. Maar we hebben het droog gehouden en met zo’n 13 graden was het ideaal loopweer.
Ik draai eigenlijk te weinig kilometers per week om goed op een marathon voorbereid te zijn. Geadviseerd wordt om minimaal 65 tot 70 kilometer per week te rennen. En dat zo’n vier maanden. Ik kom meestal tot de helft. Ook hou ik mij niet aan een bepaald trainingsschema. Misschien zou ik mij een volgende keer wat professioneler moeten voorbereiden. Ik zal daar nog eens over nadenken. Ik las dat marathonlopers de asociaalste mensen zijn. Zij hebben in hun voorbereiding op de marathon voor niks en niemand tijd. Of ik dat wil?
Na mezelf te hebben verzorgd zijn we op een terrasje neergestreken en later hebben we in de binnenstad pannenkoeken gegeten.
Nu lief dagboek, het was mij het dagje wel. Vind je ook niet dat ik straks voor het afsluiten van de dag een vette pretsigaret heb verdiend?
Mijn beste tijd in Rotterdam lag op ongeveer 4½ uur. Als ik niet na zo’n 25 kilometer de man met de hamer was tegen gekomen had ik vandaag een mooi persoonlijk record kunnen neerzetten.
Op de halve marathon liep ik 2.05.34 uur Maar even buiten Leiden begon het grote verzuren. Ik natuurlijk balen. Na de 30 kilometer koos ik er voor om voor het eerst te gaan lopen. Inmiddels had ik ook een blaar gekregen. De behandeling daarvan nam ik zelf ter hand, maar omdat de pijn bleef heb ik er ook nog even naar laten kijken op een eerste hulppost.
Alles bij elkaar leverde dit een tijdverlies op van zo’n 10 minuten.
Hele stukken heb ik vervolgens afwisselend gerend en gelopen. Uiteindelijk kwam na 4.41.15 uur over de finish. Omdat ik onderweg besloot om mezelf niet kapot te lopen, finishte ik weliswaar met de nodige pijn, maar het was niet zo erg als in Rotterdam een paar jaar geleden, waar ik na afloop niet meer kon staan, niet kon zitten en niet kon liggen (dat laatste heb ik overigens niet geprobeerd). Paula stond met kinderen en aanhang bij de eindstreep. Ze waren allemaal beretrots dat deze senior het hem toch maar weer heeft geflikt, de lieverds.
De organisatie was fantastisch en als ik volgend jaar weer de marathon zou lopen, dan weer in Leiden. In Rotterdam kostte de inschrijving € 65,- In Leiden, waar het prijzengeld maar een fractie bedraagt van dat in Rotterdam, slechts € 25,-
Er waren plekken waar je je tas kon afgeven, je kon je er omkleden en douchen en op je startnummer stond je naam. Dus onderweg riepen de mensen “Hup John, je kunt het. Nog maar 10 kilometer” of van die sympathieke opmerkingen. Toen ik de eerste keer bij mijn naam genoemd werd dacht ik in mijn onnozelheid zelfs even dat het een bekende was. En dan reageer je alsof je aangenaam verrast bent, terwijl je jezelf afvraagt wie het is.
Hoewel je massaal start, lopen de meesten de halve marathon. Slechts een paar honderd mensen gaan voor het echte werk.
Je loopt twee keer hetzelfde parcours en dat betekent dat je ook twee keer door het centrum gaat. Overal langs het parcours stonden dweilorkesten en er was zelfs een heus symfonieorkest, dat klassieke muziek speelde.
Het weer was erg goed, al had ik in de open stukken wel last van de stevige koude westenwind die er waaide. Maar we hebben het droog gehouden en met zo’n 13 graden was het ideaal loopweer.
Ik draai eigenlijk te weinig kilometers per week om goed op een marathon voorbereid te zijn. Geadviseerd wordt om minimaal 65 tot 70 kilometer per week te rennen. En dat zo’n vier maanden. Ik kom meestal tot de helft. Ook hou ik mij niet aan een bepaald trainingsschema. Misschien zou ik mij een volgende keer wat professioneler moeten voorbereiden. Ik zal daar nog eens over nadenken. Ik las dat marathonlopers de asociaalste mensen zijn. Zij hebben in hun voorbereiding op de marathon voor niks en niemand tijd. Of ik dat wil?
Na mezelf te hebben verzorgd zijn we op een terrasje neergestreken en later hebben we in de binnenstad pannenkoeken gegeten.
Nu lief dagboek, het was mij het dagje wel. Vind je ook niet dat ik straks voor het afsluiten van de dag een vette pretsigaret heb verdiend?
15 mei 2010
Nog één nachtje…
Over ruim twaalf uur ren ik door de polders van Leiden. Een raar idee. Hoe komt een mens er bij? En dat alleen omdat ik te laat was voor de online voorinschrijving bij de marathon van Rotterdam.
Zo’n marathon brengt altijd de nodige stress met zich mee. Mijn tas heb ik gepakt. De trein vertrekt om 08.16 uur van Schiedam Centrum. Wat het parcours is ben ik al weer vergeten, maar omdat ik het twee keer lopen moet twijfel ik er niet aan dat ik het morgennacht dromen kan.
Mijn laatste macaroni komt mijn neus uit en duw ik nu even terug. Zo, zitten blijven.
Een matig windje, droog en zo’n graad of twaalf. Idealer kun je het bijna niet hebben.
Morgen gaat de wekker om 06.30 uur. En dat nota bene op zondag.
En na afloop zeg ik natuurlijk “dat eens maar nooit meer”, totdat het weer begint te kriebelen.
Tijd om naar bed te gaan, het is bijna tien uur.
Zo’n marathon brengt altijd de nodige stress met zich mee. Mijn tas heb ik gepakt. De trein vertrekt om 08.16 uur van Schiedam Centrum. Wat het parcours is ben ik al weer vergeten, maar omdat ik het twee keer lopen moet twijfel ik er niet aan dat ik het morgennacht dromen kan.
Mijn laatste macaroni komt mijn neus uit en duw ik nu even terug. Zo, zitten blijven.
Een matig windje, droog en zo’n graad of twaalf. Idealer kun je het bijna niet hebben.
Morgen gaat de wekker om 06.30 uur. En dat nota bene op zondag.
En na afloop zeg ik natuurlijk “dat eens maar nooit meer”, totdat het weer begint te kriebelen.
Tijd om naar bed te gaan, het is bijna tien uur.
14 mei 2010
Nagekomen bericht
Uit verder onderzoek blijkt de foto gemaakt te zijn in 1919. Het jaar dat mijn moeder is geboren. Zij had een oudere broer en haar moeder (dus mijn grootmoeder) zou gedeeltelijk Chinees zijn. Ik weet dus (bijna) zeker dat dit mijn oma is met mijn moeder op schoot, mijn opa en enkele tantes en een oom.
Stille Kracht
Opeens werd de naam van mijn oom genoemd. Leendert van Geenen. En tot mijn verbazing zag ik opeens oom Leen op het journaal. Hij droeg het uniform dat hij altijd draagt bij de vele herdenkingen die hij jaarlijks als oud-strijder bezoekt. Oom Leen is de jongste broer van mijn vader en zover ik weet de laatst levende van al mijn ooms en tantes van vaders zijde. Die van moeders zijde heb ik eigenlijk nooit gekend. Samen met mijn vader heeft hij nog voor de KNIL in Nederlandsch Indië, het tegenwoordige Indonesië, gevochten tegen de onafhankelijkheidsstrijders. Hij schijnt eens na een aanslag opgenomen geweest te zijn in het ziekenhuis, toen mijn vader op zijn paardje helemaal van de andere kant van het eiland bij hem langs kwam om hem tot steun te zijn.
Niet dat hij daar toestemming voor had, maar mijn vader was behoorlijk eigenwijs.
Deze keer was oom Leen aanwezig bij de herdenking van het bombardement op Rotterdam, dat vandaag 70 jaar geleden plaats vond. Hij had een foto van Gree bij zich. Gree was zijn zus en dus mijn tante, die door een bomscherf in haar lies getroffen werd en daaraan is overleden. Ik weet dat mijn oma hier altijd veel verdriet van heeft gehad.
“Dit is mijn zus Gree”, zei oom Leen en toonde de foto aan Nederland. “Die is bij het bombardement om het leven gekomen. Zij hoort er vandaag ook bij.”
Die oom Leen. Hij is al in de tachtig en nog steeds actief. Zo heeft hij een boek geschreven, maar kan daar geen uitgever voor vinden en hij overweegt om het daarom maar in eigen beheer uit te geven. In december stuurt hij altijd nieuwjaarswensen met steevast een gedicht van eigen hand er bij. En hij presenteert ’s woensdags om vijf uur samen met anderen Rasa Senang (de naam staat voor het begrip ''zicht prettig voelen, op het gemak voelen''), een radioprogramma van Radio Ridderkerk, dat aandacht wil voor de Indische Nederlanders. Waarlijk een kwiek baasje.
Oom Leen is eigenlijk nog de enige die ik ken die een lijntje heeft naar het verleden. Zelf ben ik daar nooit zo in geïnteresseerd geweest, maar ik weet van mijn kinderen dat ze wel eens bij hem langs zijn geweest om daar expliciet vragen over te stellen. Ze hadden toen zelfs vage plannen om naar Indonesië toe te gaan.
Vreemd dat deze interesse een generatie lijkt over te slaan, want zover ik weet heeft ook mijn broer Charles totaal geen belangstelling voor dat deel van ons verleden waar een deel van onze wortels liggen.
En terwijl ik dit typ gebeurt er opeens iets heel vreemds. Ik ga naar google en typ de achternaam van mijn moeder en haar geboorteplaats in. Tot mijn verbijstering zie ik even later een familieportret van de familie Engelenburg. Wie zijn deze mensen die mij uit het verleden aanstaren? Ooms en tantes? Of grootmoeder, grootvader en, naast ooms en tantes, mijn moeder als kind?
Ik mag dan wel geen belangstelling tonen voor het verleden, maar het lijkt er op dat het verleden wel belangstelling toont voor mij. In Nederlandsch Indië noemden ze dit vroeger “Stille Kracht”.
Niet dat hij daar toestemming voor had, maar mijn vader was behoorlijk eigenwijs.
Deze keer was oom Leen aanwezig bij de herdenking van het bombardement op Rotterdam, dat vandaag 70 jaar geleden plaats vond. Hij had een foto van Gree bij zich. Gree was zijn zus en dus mijn tante, die door een bomscherf in haar lies getroffen werd en daaraan is overleden. Ik weet dat mijn oma hier altijd veel verdriet van heeft gehad.
“Dit is mijn zus Gree”, zei oom Leen en toonde de foto aan Nederland. “Die is bij het bombardement om het leven gekomen. Zij hoort er vandaag ook bij.”
Die oom Leen. Hij is al in de tachtig en nog steeds actief. Zo heeft hij een boek geschreven, maar kan daar geen uitgever voor vinden en hij overweegt om het daarom maar in eigen beheer uit te geven. In december stuurt hij altijd nieuwjaarswensen met steevast een gedicht van eigen hand er bij. En hij presenteert ’s woensdags om vijf uur samen met anderen Rasa Senang (de naam staat voor het begrip ''zicht prettig voelen, op het gemak voelen''), een radioprogramma van Radio Ridderkerk, dat aandacht wil voor de Indische Nederlanders. Waarlijk een kwiek baasje.
Oom Leen is eigenlijk nog de enige die ik ken die een lijntje heeft naar het verleden. Zelf ben ik daar nooit zo in geïnteresseerd geweest, maar ik weet van mijn kinderen dat ze wel eens bij hem langs zijn geweest om daar expliciet vragen over te stellen. Ze hadden toen zelfs vage plannen om naar Indonesië toe te gaan.
Vreemd dat deze interesse een generatie lijkt over te slaan, want zover ik weet heeft ook mijn broer Charles totaal geen belangstelling voor dat deel van ons verleden waar een deel van onze wortels liggen.
En terwijl ik dit typ gebeurt er opeens iets heel vreemds. Ik ga naar google en typ de achternaam van mijn moeder en haar geboorteplaats in. Tot mijn verbijstering zie ik even later een familieportret van de familie Engelenburg. Wie zijn deze mensen die mij uit het verleden aanstaren? Ooms en tantes? Of grootmoeder, grootvader en, naast ooms en tantes, mijn moeder als kind?
Ik mag dan wel geen belangstelling tonen voor het verleden, maar het lijkt er op dat het verleden wel belangstelling toont voor mij. In Nederlandsch Indië noemden ze dit vroeger “Stille Kracht”.
13 mei 2010
Na vandaag…
Vandaag mijn laatste 15 kilometertjes gerend; zondag loop ik de marathon in Leiden.
De weersverwachtingen zijn gunstig. Misschien een buitje, maar ik heb erger meegemaakt.
Ik voel me toppie en ga voor 4½ uur zonder pijn. Niet zo’n geweldige tijd, maar ik heb hem nooit sneller gelopen. Mijn gemiddelde snelheid ligt om en nabij de 10 kilometer per uur en ik ben daar niet ontevreden over.
Paula gaat mee om me aan te moedigen en de kinderen hebben beloofd dat ze met hun aanhang ook naar Leiden zullen komen. Erg lief van ze.
Op mijn menu staan de komende dagen voldoende rust en veel pasta eten.
Snoepen doe ik al een paar weken niet meer, alleen kon ik het tot afgelopen weekend toch niet laten om zo af en toe de dag af te sluiten met een blowtje. Maar deze week leef ik als een asceet. Nu ja, min of meer.
Zo-even heb ik mijn twee weekjes Buitenkunst in Drenthe geboekt. Deze keer ga ik de laatste twee weken. Ik kijk er vol verlangen naar uit.
Eerst ga ik nog ruim 300 kilometer in mijn uppie met volle bepakking wandelen van St Bees aan de Ierse Zee naar Robin Hood Bay aan de Noordzee. Ik neem daar twee weken de tijd voor. Met een tent hoef ik me onderweg geen zorgen te maken over onderdak.
Omdat ik maximaal 15 kilo mee wil sjouwen weet ik nog niet of ik onderweg mijn eigen eten zal maken. Pannetjes en kookspullen wegen al snel zo’n twee kilo als het niet meer is.
Het is meestal mogelijk om aan het eind van de dag een pub in te duiken en daar kan ik mezelf dan volproppen met voldoende calorieën, die ik dan vervolgens met nog meer calorieën wegspoel.
Mijn boot naar Newcastle vertrekt op 19 juli en ik vaar weer terug op 4 augustus. Dan heb ik nog ruim een dag om te pakken voor Drenthe.
De combinatie wandelen in mijn eentje en hierna twee weken allerlei theaterworkshops doen lijkt me ideaal. Paula moet in al die dagen werken, maar voor haar is het ook een beetje vakantie als ik weg ben. En dat gun ik haar van harte.
De weersverwachtingen zijn gunstig. Misschien een buitje, maar ik heb erger meegemaakt.
Ik voel me toppie en ga voor 4½ uur zonder pijn. Niet zo’n geweldige tijd, maar ik heb hem nooit sneller gelopen. Mijn gemiddelde snelheid ligt om en nabij de 10 kilometer per uur en ik ben daar niet ontevreden over.
Paula gaat mee om me aan te moedigen en de kinderen hebben beloofd dat ze met hun aanhang ook naar Leiden zullen komen. Erg lief van ze.
Op mijn menu staan de komende dagen voldoende rust en veel pasta eten.
Snoepen doe ik al een paar weken niet meer, alleen kon ik het tot afgelopen weekend toch niet laten om zo af en toe de dag af te sluiten met een blowtje. Maar deze week leef ik als een asceet. Nu ja, min of meer.
Zo-even heb ik mijn twee weekjes Buitenkunst in Drenthe geboekt. Deze keer ga ik de laatste twee weken. Ik kijk er vol verlangen naar uit.
Eerst ga ik nog ruim 300 kilometer in mijn uppie met volle bepakking wandelen van St Bees aan de Ierse Zee naar Robin Hood Bay aan de Noordzee. Ik neem daar twee weken de tijd voor. Met een tent hoef ik me onderweg geen zorgen te maken over onderdak.
Omdat ik maximaal 15 kilo mee wil sjouwen weet ik nog niet of ik onderweg mijn eigen eten zal maken. Pannetjes en kookspullen wegen al snel zo’n twee kilo als het niet meer is.
Het is meestal mogelijk om aan het eind van de dag een pub in te duiken en daar kan ik mezelf dan volproppen met voldoende calorieën, die ik dan vervolgens met nog meer calorieën wegspoel.
Mijn boot naar Newcastle vertrekt op 19 juli en ik vaar weer terug op 4 augustus. Dan heb ik nog ruim een dag om te pakken voor Drenthe.
De combinatie wandelen in mijn eentje en hierna twee weken allerlei theaterworkshops doen lijkt me ideaal. Paula moet in al die dagen werken, maar voor haar is het ook een beetje vakantie als ik weg ben. En dat gun ik haar van harte.
12 mei 2010
Verpakkingsprobleem? Dat doen we zo.
Zelf ben ik het prototype van de luie consument. Soms geef ik stomweg teveel geld uit voor een product omdat ik niet de moeite heb genomen om dit te vergelijken met soortgelijke producten bij de concurrent. Dan weer hou ik geld over omdat ik niet heb vernomen dat als ik een bepaald product niet aanschaf, ik (nog) minder populair word dan ik al ben, pukkeltjes krijg of uitgelachen word door de buren, die dit product natuurlijk wel hebben.
Maar steeds vaker bekruipt mij een onbehaaglijk gevoel als ik zie hoe men met dopjes, extra plastic, kleinere eenheden (denk aan het in cellofaan verpakte koekje bij de koffie in veel restaurants) vrolijke plaatjes en andere shitverpakkingen het product pimpt om de consument te lokken om deze, desnoods tegen zijn zin, gelukkig te maken. Alsof er geen afvalprobleem is en iedereen zijn mond moet houden als de portemonnee spreekt.
Dat het hoog tijd wordt om de wereldwijde verspilling aan grondstoffen, talent, menskracht en wat dies meer zij een halt toe te roepen is zeker. Gelukkig zijn er altijd dappere mensen die niet alleen voor hun idealen staan maar er helemaal voor gaan. De 'oplossing' die in het volgende filmpje getoond wordt maakt maar weer eens duidelijk dat er nog veel gebeuren moet voordat supermarkten, of dit nu AH is of een andere grootgrutter, bereid zijn om hun verantwoordelijkheid hiervoor te nemen.
Dapper meisje en oh zo domme, geïrriteerde grootgruttervertegenwoordiger (mooi woord voor scrable), die zich duidelijk geen raad weet met de affaire.
Ik zal eens een maandje bij een ander boodschappen halen en eens extra letten op de verpakking. Hoewel er symbolisch aandacht is gevraagd voor het probleem zou het niet verkeerd zijn als er vervolgacties komen gericht op het behalen van resultaat. Het mooie van de stakingen van de schoonmakers in Amsterdam, Utrecht en (sinds vandaag) Den Haag is, dat we nu eens goed kunnen zien wat een vieze beesten mensen eigenlijk zijn. Al die troep komt straks in het milieu. Wie kent er dieren die er ook zo'n troep van maken?
Maar steeds vaker bekruipt mij een onbehaaglijk gevoel als ik zie hoe men met dopjes, extra plastic, kleinere eenheden (denk aan het in cellofaan verpakte koekje bij de koffie in veel restaurants) vrolijke plaatjes en andere shitverpakkingen het product pimpt om de consument te lokken om deze, desnoods tegen zijn zin, gelukkig te maken. Alsof er geen afvalprobleem is en iedereen zijn mond moet houden als de portemonnee spreekt.
Dat het hoog tijd wordt om de wereldwijde verspilling aan grondstoffen, talent, menskracht en wat dies meer zij een halt toe te roepen is zeker. Gelukkig zijn er altijd dappere mensen die niet alleen voor hun idealen staan maar er helemaal voor gaan. De 'oplossing' die in het volgende filmpje getoond wordt maakt maar weer eens duidelijk dat er nog veel gebeuren moet voordat supermarkten, of dit nu AH is of een andere grootgrutter, bereid zijn om hun verantwoordelijkheid hiervoor te nemen.
Dapper meisje en oh zo domme, geïrriteerde grootgruttervertegenwoordiger (mooi woord voor scrable), die zich duidelijk geen raad weet met de affaire.
Ik zal eens een maandje bij een ander boodschappen halen en eens extra letten op de verpakking. Hoewel er symbolisch aandacht is gevraagd voor het probleem zou het niet verkeerd zijn als er vervolgacties komen gericht op het behalen van resultaat. Het mooie van de stakingen van de schoonmakers in Amsterdam, Utrecht en (sinds vandaag) Den Haag is, dat we nu eens goed kunnen zien wat een vieze beesten mensen eigenlijk zijn. Al die troep komt straks in het milieu. Wie kent er dieren die er ook zo'n troep van maken?
De vloekende Paus.
Weergaloos, laag bij de gronds en hypnotiserend. Met deze woorden kan het best de nieuwe roman van Prick (ps. van John v Geenen) omschreven worden.
“De vloekende Paus” beschrijft een dag uit het leven van ‘de Paus’.
Deze staat aan het hoofd van een gewetenloze wereldomvattende organisatie, die al honderden jaren streeft naar de wereldheerschappij.
Nee, het gaat niet over de RKK en ‘de Paus’ in het verhaal is dan ook een ander dan die oude man in het Vaticaan.
De organisatie heeft geen naam en geen vaste locatie. In de landen waar zij opereert is zij waar mogelijk verweven met de wapenindustrie, het bankwezen, de kerk, de energiesector en de voedselindustrie.
Leden van de organisatie zitten op topposities in deze sectoren.
Om de leden aan de organisatie te binden wordt hen buitengewone privileges verstrekt, die men via de legale kanalen niet verkrijgen kan. In principe is hierbij alles mogelijk.
‘De Paus’ is een bijnaam voor de cyborg die aan het hoofd van de organisatie staat.
Deze is via een infraroodverbinding aangesloten op het mainframe van een supercomputer.
Op deze wijze heeft hij in principe rechtstreeks toegang tot iedereen die lid van de organisatie is.
Onderdeel van de supercomputer is de ‘hersenbank’. Deze bestaat uit een vloeistof waarin zeven hersens drijven. Het zijn de hersens van voormalige leden die zichzelf hiervoor vrijwillig hebben aangemeld.
De hersens staan direct met elkaar in verbinding en via een gemeenschappelijke interface met de supercomputer.
In het volgende fragment heeft 'de Paus' net vernomen dat één van de pedofielennetwerken die door de organisatie gerund wordt is ontdekt en dat nu meerdere van de organisatieleden verdacht worden van seksueel misbruik.
Stilzwijgend en met angst in hun ogen keken zijn secondanten toe hoe hun Meester getergd heen en weer liep. Ze zagen hoe de spieren in zijn nek en schouders zich spanden en zijn opgezwollen aderen klopten. Eén van de ogen was fel rood gekleurd.
Hoe kunnen die godverdomse klootzakken zo stom zijn? Heb ik ze soms toestemming gegeven om hun pik altijd uit hun broek te laten hangen? De kinderen van hun eigen broeders en zusters verkrachten…Logisch dat je dan gelazer krijgt. Altijd eerst nagaan wie de ouders zijn, is ze verteld. Geen onnodige risico’s nemen. Alle sporen uitwissen. Mond houden.
Die oude viezerik in het Vaticaan gaat dit ook niet oplossen. Ik zal die mof eens stevig onder handen nemen. Hij moet z’n mannetjes in de hand houden. Zo brengen ze de hele organisatie in gevaar. Nog een geluk dat het binnen de kerk is gebeurd. Die christenen pikken bijna alles en hebben een slecht geheugen.
Ik moet die geloofssector sowieso eens reorganiseren. Dat celibaat is niet meer van deze tijd.
Die papen moeten zelf het goede voorbeeld geven als ze graag grote gezinnen willen zien.
Laat ze een vrouw nemen en zich suf neuken. Dan verdwijnt vanzelf wel de behoefte aan die kleine anusjes.
“De vloekende Paus” beschrijft een dag uit het leven van ‘de Paus’.
Deze staat aan het hoofd van een gewetenloze wereldomvattende organisatie, die al honderden jaren streeft naar de wereldheerschappij.
Nee, het gaat niet over de RKK en ‘de Paus’ in het verhaal is dan ook een ander dan die oude man in het Vaticaan.
De organisatie heeft geen naam en geen vaste locatie. In de landen waar zij opereert is zij waar mogelijk verweven met de wapenindustrie, het bankwezen, de kerk, de energiesector en de voedselindustrie.
Leden van de organisatie zitten op topposities in deze sectoren.
Om de leden aan de organisatie te binden wordt hen buitengewone privileges verstrekt, die men via de legale kanalen niet verkrijgen kan. In principe is hierbij alles mogelijk.
‘De Paus’ is een bijnaam voor de cyborg die aan het hoofd van de organisatie staat.
Deze is via een infraroodverbinding aangesloten op het mainframe van een supercomputer.
Op deze wijze heeft hij in principe rechtstreeks toegang tot iedereen die lid van de organisatie is.
Onderdeel van de supercomputer is de ‘hersenbank’. Deze bestaat uit een vloeistof waarin zeven hersens drijven. Het zijn de hersens van voormalige leden die zichzelf hiervoor vrijwillig hebben aangemeld.
De hersens staan direct met elkaar in verbinding en via een gemeenschappelijke interface met de supercomputer.
In het volgende fragment heeft 'de Paus' net vernomen dat één van de pedofielennetwerken die door de organisatie gerund wordt is ontdekt en dat nu meerdere van de organisatieleden verdacht worden van seksueel misbruik.
Stilzwijgend en met angst in hun ogen keken zijn secondanten toe hoe hun Meester getergd heen en weer liep. Ze zagen hoe de spieren in zijn nek en schouders zich spanden en zijn opgezwollen aderen klopten. Eén van de ogen was fel rood gekleurd.
Hoe kunnen die godverdomse klootzakken zo stom zijn? Heb ik ze soms toestemming gegeven om hun pik altijd uit hun broek te laten hangen? De kinderen van hun eigen broeders en zusters verkrachten…Logisch dat je dan gelazer krijgt. Altijd eerst nagaan wie de ouders zijn, is ze verteld. Geen onnodige risico’s nemen. Alle sporen uitwissen. Mond houden.
Die oude viezerik in het Vaticaan gaat dit ook niet oplossen. Ik zal die mof eens stevig onder handen nemen. Hij moet z’n mannetjes in de hand houden. Zo brengen ze de hele organisatie in gevaar. Nog een geluk dat het binnen de kerk is gebeurd. Die christenen pikken bijna alles en hebben een slecht geheugen.
Ik moet die geloofssector sowieso eens reorganiseren. Dat celibaat is niet meer van deze tijd.
Die papen moeten zelf het goede voorbeeld geven als ze graag grote gezinnen willen zien.
Laat ze een vrouw nemen en zich suf neuken. Dan verdwijnt vanzelf wel de behoefte aan die kleine anusjes.
09 mei 2010
Een onverwachte ontmoeting.
Het was aan het eind van de ochtend en Paula en ik waren op het Centraal Station in Rotterdam. We hadden nog een paar minuten voordat onze trein naar Den Bosch vertrok en besloten daarom nog even een kopje koffie te halen bij de Kiosk.
Toen we binnen stapten was er slechts één klant. Tot mijn genoegen en verbazing herkende ik Lilian. Dat was nog eens toevallig.
Ze bestelde net een kopje cappuccino toen ik mijn hand op haar schouders legde en luid en duidelijk zei: Zo dames, mag ik jullie eens aan elkaar voorstellen? Lilian draaide zich om, zag mij en Paula, kuste me, zei nog iets onduidelijks tegen me en schudde toen verbouwereerd de uitgestoken hand van Paula, die zich keurig met haar voornaam voorstelde.
Na ruim vijfentwintig jaar zagen de dames elkaar eindelijk weer eens. Het weerzien was onverwachts, maar leek allerhartelijkst.
Overigens moet ik er wel eerlijk bij vertellen dat Paula niet door had dat Lilian tegenover haar stond, want ze dacht dat het een collega van me was aan wie ik haar voorstelde. Lilian had het echter wel gelijk door en was volkomen van de kaart. Het meisje achter de toog stond met de koffie in haar handen te wachten tot Lilian kwam afrekenen. Op hetzelfde moment kwam haar trein het station binnen rijden.
Lilian raakte er helemaal van in de war. Hier stond ze ineens onverwachts tegenover Paula, ze wilde de cappuccino afrekenen maar kwam blijkbaar kleingeld tekort en ze moest zich haasten want de trein die ze hebben moest stond op het punt van vertrekken.
Paula bood ruimhartig aan om de cappuccino over te nemen, even twijfelde Lilian nog en nam toen toch maar een sprintje om haar trein te halen. Ik riep haar nog na dat ik haar wel zou bellen.
Helaas was het allemaal binnen één minuut voorbij en Lilian verdween voor vermoedelijk opnieuw vijfentwintig jaar bij Paula uit beeld.
Wat vond je van Lilian? vroeg ik Paula. Was dat Lilian? zei ze verbaasd. Ik dacht dat het een collega van je was. Even was ze stil, toen zei ze: Ik vond haar wel oud geworden.
Later werd duidelijk dat ze elkaar vijfentwintig jaar niet hadden gezien. We gingen in onze trein zitten. Ik moest nog steeds een beetje lachen om Lilian, die zich met haar houding geen raad had geweten. En dat Paula niet door had dat het Lilian was vond ik helemaal een giller.
Wat er ooit gebeurd is tussen die twee weet ik niet. Niets vermoedelijk. Want meer is er niet nodig om mensen van elkaar te laten vervreemden.
Het onderwerp kwam verder niet meer ter sprake. We pakten allebei ons boek. Voorlopig waren we nog wel even onderweg.
Toen we binnen stapten was er slechts één klant. Tot mijn genoegen en verbazing herkende ik Lilian. Dat was nog eens toevallig.
Ze bestelde net een kopje cappuccino toen ik mijn hand op haar schouders legde en luid en duidelijk zei: Zo dames, mag ik jullie eens aan elkaar voorstellen? Lilian draaide zich om, zag mij en Paula, kuste me, zei nog iets onduidelijks tegen me en schudde toen verbouwereerd de uitgestoken hand van Paula, die zich keurig met haar voornaam voorstelde.
Na ruim vijfentwintig jaar zagen de dames elkaar eindelijk weer eens. Het weerzien was onverwachts, maar leek allerhartelijkst.
Overigens moet ik er wel eerlijk bij vertellen dat Paula niet door had dat Lilian tegenover haar stond, want ze dacht dat het een collega van me was aan wie ik haar voorstelde. Lilian had het echter wel gelijk door en was volkomen van de kaart. Het meisje achter de toog stond met de koffie in haar handen te wachten tot Lilian kwam afrekenen. Op hetzelfde moment kwam haar trein het station binnen rijden.
Lilian raakte er helemaal van in de war. Hier stond ze ineens onverwachts tegenover Paula, ze wilde de cappuccino afrekenen maar kwam blijkbaar kleingeld tekort en ze moest zich haasten want de trein die ze hebben moest stond op het punt van vertrekken.
Paula bood ruimhartig aan om de cappuccino over te nemen, even twijfelde Lilian nog en nam toen toch maar een sprintje om haar trein te halen. Ik riep haar nog na dat ik haar wel zou bellen.
Helaas was het allemaal binnen één minuut voorbij en Lilian verdween voor vermoedelijk opnieuw vijfentwintig jaar bij Paula uit beeld.
Wat vond je van Lilian? vroeg ik Paula. Was dat Lilian? zei ze verbaasd. Ik dacht dat het een collega van je was. Even was ze stil, toen zei ze: Ik vond haar wel oud geworden.
Later werd duidelijk dat ze elkaar vijfentwintig jaar niet hadden gezien. We gingen in onze trein zitten. Ik moest nog steeds een beetje lachen om Lilian, die zich met haar houding geen raad had geweten. En dat Paula niet door had dat het Lilian was vond ik helemaal een giller.
Wat er ooit gebeurd is tussen die twee weet ik niet. Niets vermoedelijk. Want meer is er niet nodig om mensen van elkaar te laten vervreemden.
Het onderwerp kwam verder niet meer ter sprake. We pakten allebei ons boek. Voorlopig waren we nog wel even onderweg.
08 mei 2010
Het zwitserlevengevoel (2)
Mijn allerliefste schat,
als je deze brief leest ben ik bij Joyce ingetrokken. Ik hoef je niet uit te leggen wie dit is, want ik weet dat jij al geruime tijd mijn e-mails leest. Knap van je om te doen alsof je niet wist dat Joyce en ik een relatie hebben. Maar vind je het ook niet knap van mij om jou in de waan te laten dat ik niet wist dat jij hiervan op de hoogte was?
Waarschijnlijk heb je ook gelezen dat ik vandaag naar haar toe zou gaan in plaats van naar mijn werk. Wat jij niet wist en wat ik je ook niet kon vertellen was dat Joyce mij heeft gevraagd om alleen verder te gaan met haar. Ze kon er niet meer tegen mij met jou te moeten delen.
De laatste weken heb ik telkens wat spullen van mij bij haar gebracht. Ik voelde me hier niet goed bij, maar ik was bang dat jij stennis zou gaan maken en daar had ik geen zin in.
Wat er nu nog in de woning is van mij mag je houden. Wat je er mee doet zijn jouw zaken.
Je zult wel op je werk zijn als je dit leest.
Vergeet je Roxanne vanmiddag niet op te halen bij Tanja? Haar heb ik gevraagd om even op Roxanne te passen totdat jij terug bent van je werk.
Ik denk dat jij beter voor Roxanne kan zorgen dan ik en het lijkt mij het beste dat jij na de scheiding haar voogd wordt.
Toen ik gisteravond nog wat laatste spulletjes bij elkaar zocht vond ik de enveloppe met het staatslot dat je Roxanne blijkbaar aan mij had willen laten geven met moederdag.
Je had er een leuk gedichtje bij geschreven. Zoals je ziet heb ik het lot er alsnog uitgehaald en deze brief aan jou er in gestopt. Dit leek me wel leuk als verrassing. Ik hoop dat ik wat gewonnen heb, want dat zou helemaal mooi zijn.
Ik wacht de dingen af die komen gaan en hoop dat je gelukkig wordt zonder mij. We hebben samen een leuke tijd gehad. Het ga je verder goed. Kusje,
Hannie
als je deze brief leest ben ik bij Joyce ingetrokken. Ik hoef je niet uit te leggen wie dit is, want ik weet dat jij al geruime tijd mijn e-mails leest. Knap van je om te doen alsof je niet wist dat Joyce en ik een relatie hebben. Maar vind je het ook niet knap van mij om jou in de waan te laten dat ik niet wist dat jij hiervan op de hoogte was?
Waarschijnlijk heb je ook gelezen dat ik vandaag naar haar toe zou gaan in plaats van naar mijn werk. Wat jij niet wist en wat ik je ook niet kon vertellen was dat Joyce mij heeft gevraagd om alleen verder te gaan met haar. Ze kon er niet meer tegen mij met jou te moeten delen.
De laatste weken heb ik telkens wat spullen van mij bij haar gebracht. Ik voelde me hier niet goed bij, maar ik was bang dat jij stennis zou gaan maken en daar had ik geen zin in.
Wat er nu nog in de woning is van mij mag je houden. Wat je er mee doet zijn jouw zaken.
Je zult wel op je werk zijn als je dit leest.
Vergeet je Roxanne vanmiddag niet op te halen bij Tanja? Haar heb ik gevraagd om even op Roxanne te passen totdat jij terug bent van je werk.
Ik denk dat jij beter voor Roxanne kan zorgen dan ik en het lijkt mij het beste dat jij na de scheiding haar voogd wordt.
Toen ik gisteravond nog wat laatste spulletjes bij elkaar zocht vond ik de enveloppe met het staatslot dat je Roxanne blijkbaar aan mij had willen laten geven met moederdag.
Je had er een leuk gedichtje bij geschreven. Zoals je ziet heb ik het lot er alsnog uitgehaald en deze brief aan jou er in gestopt. Dit leek me wel leuk als verrassing. Ik hoop dat ik wat gewonnen heb, want dat zou helemaal mooi zijn.
Ik wacht de dingen af die komen gaan en hoop dat je gelukkig wordt zonder mij. We hebben samen een leuke tijd gehad. Het ga je verder goed. Kusje,
Hannie
07 mei 2010
Het zwitserlevengevoel (1)
Liefste,
vanavond kom ik niet thuis om te eten. Ik kom ook niet thuis om te slapen. Je begrijpt het zeker al: ik kom helemaal nooit meer thuis.
Ik stel me voor dat als je dit leest je eerst zult schrikken, maar dat je daarna opgelucht zult zijn. Deze brief valt natuurlijk rauw op je dak. Vanmorgen nog hebben we elkaar een fijne dag toegewenst en hierna zijn we beiden naar ons werk gegaan. Zo leek het tenminste.
Want je bracht Roxanne eerst naar de peuterspeelzaal.
Ik had gisteravond echter je e-mail gelezen en ik wist dat je vandaag vrij had genomen om naar haar toe te gaan. Ja, naar haar. Jullie ‘vriendschap’ bestaat nu bijna een jaar en ik vind het erg knap van ons beiden dat dit nooit ter sprake is gekomen.
Jij hebt me nooit iets laten merken over jullie beiden en ik heb jou nooit laten merken dat ik er vanaf het begin vanaf heb geweten.
Zo vreemd vind ik het allemaal niet. Wij schelen meer dan vijfendertig jaar en het is logisch dat ik als oude man niet volledig in al jouw behoeften kan voorzien. Die tijd heb ik gehad.
In de tijd dat jullie elkaar leerden kennen had je problemen met je computer en je hebt mij gevraagd deze op te lossen. Dat heb ik toen ook gedaan.
Toen ik puur uit nieuwsgierigheid je mailbestand doornam ontdekte ik al snel dat je een ‘vriendin’ had. Ik moet wel zeggen dat ze er erg aantrekkelijk uitziet. Ja, de foto’s die ze je heeft gestuurd heb ik ook gezien. Ik wil je wel complimenteren met je smaak.
Even heb ik nog gedacht aan een mogelijk ménage à trois, maar bij nader inzien leek mij deze gedachte gebaseerd op een verkeerde inschatting van mijn eigen viriliteit.
Het kost mij al veel moeite om de behoeften van één jonge vrouw te bevredigen, laat staan die van twee.
Ik geef toe dat het onfatsoenlijk van mij was om je mail te lezen. Maar zelf ben ik wel blij dat ik het heb gedaan.
Dat ik nu besloten heb om bij je weg te gaan en niet eerder komt omdat ik er tegenop zag om alleen verder te gaan. Ik begrijp dat Joyce jou gevraagd had om bij me weg te gaan, maar dat je hier geen beslissing in durfde te nemen. Dit besluit heb ik nu voor je genomen.
Omdat ik geen zin heb om jou te onderhouden heb ik ontslag genomen. Ik zit nu vijf jaar van mijn pensioen en ik vind wel een manier om deze periode te overbruggen.
Ik vrees dat je daarom zult moeten blijven werken.
Het huis zal wel verkocht moeten worden. De overwaarde zal niet groot zijn, maar misschien zou je dit opzij willen zetten voor Roxanne.
We hebben een leuke tijd samen gehad al verwacht ik niet dat we nog vrienden zullen blijven. Ik kan daar wel mee leven. Geef Roxanne een knuffel van me. Ik zie je wel bij de rechtbank.
Roel
Ik lees de brief nog eens na en leg hem dan op de keukentafel. Mijn koffers staan in de gang en bevatten wat kleren en toiletartikelen. Meer neem ik niet mee. Straks bel ik een taxi, die me naar het vliegveld zal brengen.
Ik heb zo’n twintigduizend euro gespaard. Eerst ga ik een maandje het land uit. Als ik terug kom kan de scheiding geregeld worden
Hoe vreemd kan het lopen. Vier dagen na moederdag vond ik het staatslot in mijn tas, dat ik Roxanne aan Hannie had willen laten geven. De trekking was net geweest en tot mijn verbazing zag ik op internet dat er vijf miljoen euro op was gevallen.
Ik wist niet wat me overkwam. Gelukkig was Hannie die avond niet thuis, anders had ze vast aan me gezien dat er wat aan de hand was. Dezelfde week nog zei ik mijn baan op. Niemand, maar dan ook niemand vertelde ik dat ik onverwachts miljonair was geworden. Ik zette het helemaal uit mijn hoofd. De brief die op de keukentafel ligt geeft mij mijn vrijheid weer terug. Hannie moet maar op haar eigen wijze gelukkig zien te worden.
vanavond kom ik niet thuis om te eten. Ik kom ook niet thuis om te slapen. Je begrijpt het zeker al: ik kom helemaal nooit meer thuis.
Ik stel me voor dat als je dit leest je eerst zult schrikken, maar dat je daarna opgelucht zult zijn. Deze brief valt natuurlijk rauw op je dak. Vanmorgen nog hebben we elkaar een fijne dag toegewenst en hierna zijn we beiden naar ons werk gegaan. Zo leek het tenminste.
Want je bracht Roxanne eerst naar de peuterspeelzaal.
Ik had gisteravond echter je e-mail gelezen en ik wist dat je vandaag vrij had genomen om naar haar toe te gaan. Ja, naar haar. Jullie ‘vriendschap’ bestaat nu bijna een jaar en ik vind het erg knap van ons beiden dat dit nooit ter sprake is gekomen.
Jij hebt me nooit iets laten merken over jullie beiden en ik heb jou nooit laten merken dat ik er vanaf het begin vanaf heb geweten.
Zo vreemd vind ik het allemaal niet. Wij schelen meer dan vijfendertig jaar en het is logisch dat ik als oude man niet volledig in al jouw behoeften kan voorzien. Die tijd heb ik gehad.
In de tijd dat jullie elkaar leerden kennen had je problemen met je computer en je hebt mij gevraagd deze op te lossen. Dat heb ik toen ook gedaan.
Toen ik puur uit nieuwsgierigheid je mailbestand doornam ontdekte ik al snel dat je een ‘vriendin’ had. Ik moet wel zeggen dat ze er erg aantrekkelijk uitziet. Ja, de foto’s die ze je heeft gestuurd heb ik ook gezien. Ik wil je wel complimenteren met je smaak.
Even heb ik nog gedacht aan een mogelijk ménage à trois, maar bij nader inzien leek mij deze gedachte gebaseerd op een verkeerde inschatting van mijn eigen viriliteit.
Het kost mij al veel moeite om de behoeften van één jonge vrouw te bevredigen, laat staan die van twee.
Ik geef toe dat het onfatsoenlijk van mij was om je mail te lezen. Maar zelf ben ik wel blij dat ik het heb gedaan.
Dat ik nu besloten heb om bij je weg te gaan en niet eerder komt omdat ik er tegenop zag om alleen verder te gaan. Ik begrijp dat Joyce jou gevraagd had om bij me weg te gaan, maar dat je hier geen beslissing in durfde te nemen. Dit besluit heb ik nu voor je genomen.
Omdat ik geen zin heb om jou te onderhouden heb ik ontslag genomen. Ik zit nu vijf jaar van mijn pensioen en ik vind wel een manier om deze periode te overbruggen.
Ik vrees dat je daarom zult moeten blijven werken.
Het huis zal wel verkocht moeten worden. De overwaarde zal niet groot zijn, maar misschien zou je dit opzij willen zetten voor Roxanne.
We hebben een leuke tijd samen gehad al verwacht ik niet dat we nog vrienden zullen blijven. Ik kan daar wel mee leven. Geef Roxanne een knuffel van me. Ik zie je wel bij de rechtbank.
Roel
Ik lees de brief nog eens na en leg hem dan op de keukentafel. Mijn koffers staan in de gang en bevatten wat kleren en toiletartikelen. Meer neem ik niet mee. Straks bel ik een taxi, die me naar het vliegveld zal brengen.
Ik heb zo’n twintigduizend euro gespaard. Eerst ga ik een maandje het land uit. Als ik terug kom kan de scheiding geregeld worden
Hoe vreemd kan het lopen. Vier dagen na moederdag vond ik het staatslot in mijn tas, dat ik Roxanne aan Hannie had willen laten geven. De trekking was net geweest en tot mijn verbazing zag ik op internet dat er vijf miljoen euro op was gevallen.
Ik wist niet wat me overkwam. Gelukkig was Hannie die avond niet thuis, anders had ze vast aan me gezien dat er wat aan de hand was. Dezelfde week nog zei ik mijn baan op. Niemand, maar dan ook niemand vertelde ik dat ik onverwachts miljonair was geworden. Ik zette het helemaal uit mijn hoofd. De brief die op de keukentafel ligt geeft mij mijn vrijheid weer terug. Hannie moet maar op haar eigen wijze gelukkig zien te worden.
04 mei 2010
Lichaam en geest.
Laat ik voor alle duidelijkheid even vooropstellen dat ik geen bal verstand heb van scheikunde. Maar met wikipedia kun je aardig de schijn ophouden dat je er op z’n minst een beetje wat van weet.
Populair wetenschappelijke artikeltjes over het menselijk gedrag dat zijn pendant heeft in biochemische processen mag ik graag lezen. Of ik ze begrijp is een tweede.
Zo las ik dat een spray van oxytocine, dat zowel een hormoon als een neurotransmitter is en dat ook wel het knuffelhormoon wordt genoemd, mannen tot gevoeliger partners maakt.
Ik kreeg natuurlijk gelijk beelden van knokkende hooligans die in plaats van met peperspray met een spray van oxytocine worden besproeid, waarna zij elkaar huilend van ontroering in de armen vallen.
Ook las ik dat ADH of vasopressine een grote rol speelt bij monogamie. De productie van dit hormoon, dat net als oxytocine ook een neurotransmitter is, is bij zoogdieren die monogaam zijn veel groter dan bij zoogdieren die promiscue zijn.
Misschien is er straks wel een slimbo die een ADH-meter op de markt brengt, waarmee je de kans op promiscuïteit bij mensen kunt meten.
Er bestaat weliswaar geen één op één relatie tussen onze biochemische huishouding en ons gedrag, maar dat biochemische processen ons gedrag beïnvloeden en andersom is inmiddels wel aangetoond.
Een mooi voorbeeld waarbij slechts de aanwezigheid van een ander kan leiden tot een behoorlijke verhoging van het stresshormoon cortisol wordt gedemonstreerd in een experiment, waarbij de proefpersoon vijf minuten alleen achter wordt gelaten met een mooie vrouw. Ik herken dit wel uit eigen ervaring. Vooral het gevoel dat zij onbereikbaar voor je is roept de grootste spanning op. In het bijzonder ter hoogte van je kruis.
Wat zit de natuur toch mooi in elkaar. Psychoanalisten gebruiken al jaren redelijk grofstoffelijke medicijnen om invloed uit te oefenen op de stemmingen en gedragingen van hun patiënten. Psychotherapeuten en psychologen proberen soms dezelfde effecten te bereiken met hun therapieën. Het is echter logisch dat wij een groot aantal middelen tot onze beschikking hebben om stemmingen en gedragingen te beïnvloeden. Dat wij dit slechts in beperkte mate mee krijgen in onze opvoeding kun je toch wel als een groot gemis beschouwen.
Ook hier heeft de scheiding tussen producent en consument, zoals deze zo eigen is aan onze cultuur, deze laatste overgeleverd aan instituties die hun producten aan ons moeten slijten. En iedereen vervolgens maar mopperen dat de gezondheidszorg zo duur is geworden.
Ook deze keer en ik er in geslaagd om zonder hulp van mijn huisarts te genezen. De lichte ontsteking die ik boven in mijn neus voelde is nagenoeg verdwenen en ik heb goede hoop dat ik er over een paar dagen helemaal geen last meer van heb. De gore ijzersmaak, die het gevolg is van een toename van ijzer in de cellen en die er op wijst dat het afweersysteem zijn werk doet, is niet zo sterk meer als hij was. Man, wat ben ik verkouden geweest.
Het eten van kippensoep heeft me vast geholpen. Kippensoep? Ja, ik citeer:
Van kippensoep knap je op bij verkoudheid en griep
Geen betere remedie dan een kop hete kippensoep bij winterkwalen, wordt al eeuwen beweerd. 'Serieuze' dokters die de stelling al bijna even lang afdoen als larie, kregen ongelijk.
Kippensoep of -bouillon verlicht wel degelijk de symptomen van verkoudheid en griep, en dat op twee manieren. Enerzijds maakt de soep beter komaf met neusverstopping dan
om het even welke andere warme drank. Dat komt omdat een bepaald eiwit in kippenvlees het aminozuur cysteïne bevat. En dat vertoont chemisch heel veel gelijkenissen met het geneesmiddel acetylcysteïne, een zogenaamde 'slijmverdunner' die taai slijm in de luchtwegen dunner of vloeibaarder maakt, zodat je het beter kan ophoesten.
Daarnaast onderdrukt kippensoep de werking van ontstoken witte bloedcellen die je aan het hoesten brengen. Soep uit blik werkt prima, concludeerde een groep Amerikaanse wetenschappers onlangs na jarenlange studies en experimenten, maar zelfgemaakte kippenbouillon doet het nog beter.
Helaas heb ik geen soep gevonden die vegetariërs van hun verkoudheid af kan helpen. Al kan een lekker kopje misosoep met enkele druppeltjes tamari er in natuurlijk nooit kwaad.
Populair wetenschappelijke artikeltjes over het menselijk gedrag dat zijn pendant heeft in biochemische processen mag ik graag lezen. Of ik ze begrijp is een tweede.
Zo las ik dat een spray van oxytocine, dat zowel een hormoon als een neurotransmitter is en dat ook wel het knuffelhormoon wordt genoemd, mannen tot gevoeliger partners maakt.
Ik kreeg natuurlijk gelijk beelden van knokkende hooligans die in plaats van met peperspray met een spray van oxytocine worden besproeid, waarna zij elkaar huilend van ontroering in de armen vallen.
Ook las ik dat ADH of vasopressine een grote rol speelt bij monogamie. De productie van dit hormoon, dat net als oxytocine ook een neurotransmitter is, is bij zoogdieren die monogaam zijn veel groter dan bij zoogdieren die promiscue zijn.
Misschien is er straks wel een slimbo die een ADH-meter op de markt brengt, waarmee je de kans op promiscuïteit bij mensen kunt meten.
Er bestaat weliswaar geen één op één relatie tussen onze biochemische huishouding en ons gedrag, maar dat biochemische processen ons gedrag beïnvloeden en andersom is inmiddels wel aangetoond.
Een mooi voorbeeld waarbij slechts de aanwezigheid van een ander kan leiden tot een behoorlijke verhoging van het stresshormoon cortisol wordt gedemonstreerd in een experiment, waarbij de proefpersoon vijf minuten alleen achter wordt gelaten met een mooie vrouw. Ik herken dit wel uit eigen ervaring. Vooral het gevoel dat zij onbereikbaar voor je is roept de grootste spanning op. In het bijzonder ter hoogte van je kruis.
Wat zit de natuur toch mooi in elkaar. Psychoanalisten gebruiken al jaren redelijk grofstoffelijke medicijnen om invloed uit te oefenen op de stemmingen en gedragingen van hun patiënten. Psychotherapeuten en psychologen proberen soms dezelfde effecten te bereiken met hun therapieën. Het is echter logisch dat wij een groot aantal middelen tot onze beschikking hebben om stemmingen en gedragingen te beïnvloeden. Dat wij dit slechts in beperkte mate mee krijgen in onze opvoeding kun je toch wel als een groot gemis beschouwen.
Ook hier heeft de scheiding tussen producent en consument, zoals deze zo eigen is aan onze cultuur, deze laatste overgeleverd aan instituties die hun producten aan ons moeten slijten. En iedereen vervolgens maar mopperen dat de gezondheidszorg zo duur is geworden.
Ook deze keer en ik er in geslaagd om zonder hulp van mijn huisarts te genezen. De lichte ontsteking die ik boven in mijn neus voelde is nagenoeg verdwenen en ik heb goede hoop dat ik er over een paar dagen helemaal geen last meer van heb. De gore ijzersmaak, die het gevolg is van een toename van ijzer in de cellen en die er op wijst dat het afweersysteem zijn werk doet, is niet zo sterk meer als hij was. Man, wat ben ik verkouden geweest.
Het eten van kippensoep heeft me vast geholpen. Kippensoep? Ja, ik citeer:
Van kippensoep knap je op bij verkoudheid en griep
Geen betere remedie dan een kop hete kippensoep bij winterkwalen, wordt al eeuwen beweerd. 'Serieuze' dokters die de stelling al bijna even lang afdoen als larie, kregen ongelijk.
Kippensoep of -bouillon verlicht wel degelijk de symptomen van verkoudheid en griep, en dat op twee manieren. Enerzijds maakt de soep beter komaf met neusverstopping dan
om het even welke andere warme drank. Dat komt omdat een bepaald eiwit in kippenvlees het aminozuur cysteïne bevat. En dat vertoont chemisch heel veel gelijkenissen met het geneesmiddel acetylcysteïne, een zogenaamde 'slijmverdunner' die taai slijm in de luchtwegen dunner of vloeibaarder maakt, zodat je het beter kan ophoesten.
Daarnaast onderdrukt kippensoep de werking van ontstoken witte bloedcellen die je aan het hoesten brengen. Soep uit blik werkt prima, concludeerde een groep Amerikaanse wetenschappers onlangs na jarenlange studies en experimenten, maar zelfgemaakte kippenbouillon doet het nog beter.
Helaas heb ik geen soep gevonden die vegetariërs van hun verkoudheid af kan helpen. Al kan een lekker kopje misosoep met enkele druppeltjes tamari er in natuurlijk nooit kwaad.
03 mei 2010
Afscheid?
Het is een godvergeten armzalige en genante vertoning, zoals ik daar sta te zwaaien op mijn benen. Iedereen lijkt de grootste lol te hebben en niemand heeft zin om te roepen dat het nu toch wel de hoogste tijd is om naar bed te gaan. Misschien is ook niemand hier meer toe in staat. Zo’n laatste avond wil niemand naar bed of het moet met z’n tweeën zijn.
Met hoeveel we zijn weet ik niet. Met z’n twintigen? Of meer? Als ik probeer te tellen glippen de getallen al door mijn vingers heen voordat ik bij de tien ben en moet ik opnieuw beginnen. Na drie pogingen geef ik het op.
Hoewel er ook mannen aan het vuur zitten, zijn de meeste diehards deze keer toch wel vrouwen. Zij piekeren er blijkbaar niet over om op te breken.
Hebben ze het zo naar hun zin? Zijn ze te dronken of te vermoeid om op te staan? Of gewoon geil en zitten ze te wachten op een hitsige aardtrol die hen het bos in wil slepen?
De maan staat in zijn eerste kwartier laag boven de bosrand. Nog een paar dagen en hij zal weer in majestueuze schoonheid vol boven de bomen hangen.
Na een snoeihete dag is de hitte tussen de bomen niet verdwenen. Het is zo’n zeldzame magische zwoele nacht waarin de wereld nog slechts bestaat uit een zacht brandend kampvuur met wat gelukzalig glimlachende mensen er om heen, terwijl ze een fles wijn of een jointje aan elkaar doorgeven.
Ik kan al lang niet meer op mijn benen staan en doe geen pogingen meer om het vuur brandende te houden. De slanke jonge vrouw met het lange sluike haar heeft zich er over ontfermd. Zij is vannacht de vuurvrouw. Eerder op de avond zat ze naast me en streelde ze mijn haar terwijl ze me diep in de ogen keek.
Hoe heet ze ook al weer? Haar gezicht is mooi gevormd en in het flakkerende licht van de vlammen valt het me opnieuw op hoe prachtig ze er uit ziet.
Zo-even heb ik haar dit niet gezegd. Ik was te overdonderd toen ze spontaan naast me ging zitten en zomaar een gesprek met me begon. Ik zag de blikken van de anderen. Ik voelde hoe er op ons werd gelet. Ze rookte niet en ze dronk niet. Ze liet me zwemmen in haar ogen en stak geen hand uit toen ik er in verdronk.
Voordat ik slapen ga moet ze weten dat ik haar geweldig vind. Dat ik nu pas een verlate erectie heb. En dat ik het liefst nu alleen met haar zou willen zijn, maar dat ik me te moe voel.
Ik ben zo stoned en dronken dat ik denk alleen maar moe te zijn. Alsof ik altijd op mijn benen sta te waggelen als ik moe ben.
Ik krijg hulp als ik overeind probeer te komen. De eerste poging mislukt, maar nu sta ik dan toch eindelijk. Als ik een stap naar voren doe val ik schuin naar achteren. Ik word opgevangen. Mijn God, wat ben ik moe.
Iemand vraagt me of het goed met me gaat. Als ik mummel dat ik oké ben staat ze opeens naast me. Ze is nog mooier dan ik dacht.
“Zal ik je naar je tent brengen?”, vraagt ze. Ik zeg haar dat ik niets liever wil.
Ze slaat haar arm om me heen om te voorkomen dat ik val. Maar ik val niet, het is de wereld die steeds wegglijdt. Ik hoor hoe sommigen aanbieden om mee met ons te gaan, maar ze zegt dat ze zich wel redt. “Waar is je tent”, vraagt ze. “Voorbij de Kuil”, zeg ik haar.
Ik heb de weg al zo vaak in het donker gelopen dat ik er ook nu geen moeite mee heb.
We lopen langs de keet over het zandpad in de richting van de vuilcontainers bij de kruising.
“Nog een stukje verder”, zeg ik haar. Ik voel de zachte warmte van haar huid tegen de mijne.
We steken het kinderveld over. “Kijk”, zeg ik haar en wijs naar boven. Myriaden sterren vullen het firmament. “Bij de prijs inbegrepen”, mompel ik.
We zijn bij mijn tent. “Red je het verder?”, vraagt ze. Ik bedank haar. “Ik vond het een fijne avond en leuk je ontmoet te hebben”, zegt ze. Ze geeft me een zoen en opeens is ze verdwenen. Ik zit op de koude bosgrond in het donker. Met enige moeite lukt het me om de rits van de tent open te trekken. Ik sleep me naar binnen. Het duurt nog tien minuten voordat ik in mijn slaapzak lig. De volgende ochtend als ik wakker word is het al elf uur.
Ik heb geslapen als een blok en voel me zo fris als een hoentje. Op mijn tafeltje naast de tent ligt onder een steen een brief. Ik lees dat ze me een geweldige vent vond en “wie weet, zien wij elkaar misschien in de toekomst” weer. Ze wist dat ik nog een week zou blijven en wenste me een fijne tijd. Dromerig staarde ik voor me uit en drukte het briefje aan mijn lippen. Ik heb haar nooit meer gezien en weet nog steeds niet wat haar naam was.
Met hoeveel we zijn weet ik niet. Met z’n twintigen? Of meer? Als ik probeer te tellen glippen de getallen al door mijn vingers heen voordat ik bij de tien ben en moet ik opnieuw beginnen. Na drie pogingen geef ik het op.
Hoewel er ook mannen aan het vuur zitten, zijn de meeste diehards deze keer toch wel vrouwen. Zij piekeren er blijkbaar niet over om op te breken.
Hebben ze het zo naar hun zin? Zijn ze te dronken of te vermoeid om op te staan? Of gewoon geil en zitten ze te wachten op een hitsige aardtrol die hen het bos in wil slepen?
De maan staat in zijn eerste kwartier laag boven de bosrand. Nog een paar dagen en hij zal weer in majestueuze schoonheid vol boven de bomen hangen.
Na een snoeihete dag is de hitte tussen de bomen niet verdwenen. Het is zo’n zeldzame magische zwoele nacht waarin de wereld nog slechts bestaat uit een zacht brandend kampvuur met wat gelukzalig glimlachende mensen er om heen, terwijl ze een fles wijn of een jointje aan elkaar doorgeven.
Ik kan al lang niet meer op mijn benen staan en doe geen pogingen meer om het vuur brandende te houden. De slanke jonge vrouw met het lange sluike haar heeft zich er over ontfermd. Zij is vannacht de vuurvrouw. Eerder op de avond zat ze naast me en streelde ze mijn haar terwijl ze me diep in de ogen keek.
Hoe heet ze ook al weer? Haar gezicht is mooi gevormd en in het flakkerende licht van de vlammen valt het me opnieuw op hoe prachtig ze er uit ziet.
Zo-even heb ik haar dit niet gezegd. Ik was te overdonderd toen ze spontaan naast me ging zitten en zomaar een gesprek met me begon. Ik zag de blikken van de anderen. Ik voelde hoe er op ons werd gelet. Ze rookte niet en ze dronk niet. Ze liet me zwemmen in haar ogen en stak geen hand uit toen ik er in verdronk.
Voordat ik slapen ga moet ze weten dat ik haar geweldig vind. Dat ik nu pas een verlate erectie heb. En dat ik het liefst nu alleen met haar zou willen zijn, maar dat ik me te moe voel.
Ik ben zo stoned en dronken dat ik denk alleen maar moe te zijn. Alsof ik altijd op mijn benen sta te waggelen als ik moe ben.
Ik krijg hulp als ik overeind probeer te komen. De eerste poging mislukt, maar nu sta ik dan toch eindelijk. Als ik een stap naar voren doe val ik schuin naar achteren. Ik word opgevangen. Mijn God, wat ben ik moe.
Iemand vraagt me of het goed met me gaat. Als ik mummel dat ik oké ben staat ze opeens naast me. Ze is nog mooier dan ik dacht.
“Zal ik je naar je tent brengen?”, vraagt ze. Ik zeg haar dat ik niets liever wil.
Ze slaat haar arm om me heen om te voorkomen dat ik val. Maar ik val niet, het is de wereld die steeds wegglijdt. Ik hoor hoe sommigen aanbieden om mee met ons te gaan, maar ze zegt dat ze zich wel redt. “Waar is je tent”, vraagt ze. “Voorbij de Kuil”, zeg ik haar.
Ik heb de weg al zo vaak in het donker gelopen dat ik er ook nu geen moeite mee heb.
We lopen langs de keet over het zandpad in de richting van de vuilcontainers bij de kruising.
“Nog een stukje verder”, zeg ik haar. Ik voel de zachte warmte van haar huid tegen de mijne.
We steken het kinderveld over. “Kijk”, zeg ik haar en wijs naar boven. Myriaden sterren vullen het firmament. “Bij de prijs inbegrepen”, mompel ik.
We zijn bij mijn tent. “Red je het verder?”, vraagt ze. Ik bedank haar. “Ik vond het een fijne avond en leuk je ontmoet te hebben”, zegt ze. Ze geeft me een zoen en opeens is ze verdwenen. Ik zit op de koude bosgrond in het donker. Met enige moeite lukt het me om de rits van de tent open te trekken. Ik sleep me naar binnen. Het duurt nog tien minuten voordat ik in mijn slaapzak lig. De volgende ochtend als ik wakker word is het al elf uur.
Ik heb geslapen als een blok en voel me zo fris als een hoentje. Op mijn tafeltje naast de tent ligt onder een steen een brief. Ik lees dat ze me een geweldige vent vond en “wie weet, zien wij elkaar misschien in de toekomst” weer. Ze wist dat ik nog een week zou blijven en wenste me een fijne tijd. Dromerig staarde ik voor me uit en drukte het briefje aan mijn lippen. Ik heb haar nooit meer gezien en weet nog steeds niet wat haar naam was.
01 mei 2010
Opruimen.
Iedereen kent het gevaar van de voorjaarsschoonmaak. Nu heb ik het niet over het poetsen en boenen van de meubels, want wij zijn thuis geen lid van die club. En ook geen lid van de ramenlappersvereniging. Nee, ik heb het over het opruimen van de troep die je soms een mensenleven met je mee sjouwt en waar je maar geen afstand van kunt doen. Je maakt een sprong terug in je leven en opeens zit je met brieven en foto’s uit de tijd dat je nog geloofde dat de wereld echt op je zat te wachten. Je vergeet dat je van plan was om er deze keer rigoureus de bezem door te halen. Er worden weer stapeltjes gemaakt die je later wel eens door zult nemen, want je hebt gelijk gezien dat dit geen klusje van uren maar van maanden is.
Hier een stapeltje met boekjes en kaarten uit de tijd dat je nog actief naar fossielen zocht.
Ik zie mezelf weer in de modder wroeten in Gerolstein. Het zal ergens begin 1980 geweest zijn. Maart of april. Het sneeuwde af en toe. We waren met z’n drieën, Arjan, Marco en ik.
Marco ben ik al weer jaren uit het oog verloren. En Arjan heeft er met een golden shot een eind aan gemaakt. Hij was zijn verslaving en het leven beu.
Maar op dat moment waren we nog bij elkaar en wilden we maar één ding: een trilobiet vinden. We vonden er slechts fragmenten van. Maar heel veel brachiopodes en stukjes van zeelelies. De kou deerde ons niet. Want we hadden goeie Nepal meegesmokkeld in walnoten en staken de ene joint na de andere aan.
Hé, boeken over de Tarot. Gôh, ik wist niet eens dat ik deze boeken had. Dat komt goed uit, die leg ik bij de kaarten.
Boeken over elektronica, alles over meet- en regeltechniek en de werking van transistoren, diodes en triodes. Interessante maar onbegrijpelijke stroomschema’s. Die heb ik nog uit de tijd dat ik op de Hogere Zeevaartschool zat. Moet ik die nu echt bewaren? Nee, ik gooi ze weg. Deze troep is zwaar verouderd. Ik kan me nu niet meer voorstellen dat ik destijds bij mijn examen er een zeven voor had. Weg met die troep.
En wat hebben we hier? Een stapel scripties uit de tijd van de Sociale Academie. Gemaakt door mijn klasgenoten. Waarom heb ik deze bewaard? Vast met de bedoeling om ze ooit te lezen. Ik scheur de voorkanten met de namen er af en gooi de rest in de zak met oud papier.
De dames zullen nu eind veertig, begin vijftig zijn. Niet je doelgroep meer, zou Paula zeggen.
Ik kijk naar de stapeltjes die zich vormen en neem een besluit. Vier keer fiets ik naar de papiercontainer en elke keer zijn mijn fietstassen vol.
Nee, ik heb niet heel mijn verleden weggegooid. Er is nog voldoende zooi overgebleven.
Gelukkig heb ik gisteren op de vrijmarkt slechts twee boeken gekocht. De dikke van Deelder en De Walgvogel van Wolkers. En verder helemaal niets. Volgend jaar heb ik misschien minder troep op te ruimen.
Hier een stapeltje met boekjes en kaarten uit de tijd dat je nog actief naar fossielen zocht.
Ik zie mezelf weer in de modder wroeten in Gerolstein. Het zal ergens begin 1980 geweest zijn. Maart of april. Het sneeuwde af en toe. We waren met z’n drieën, Arjan, Marco en ik.
Marco ben ik al weer jaren uit het oog verloren. En Arjan heeft er met een golden shot een eind aan gemaakt. Hij was zijn verslaving en het leven beu.
Maar op dat moment waren we nog bij elkaar en wilden we maar één ding: een trilobiet vinden. We vonden er slechts fragmenten van. Maar heel veel brachiopodes en stukjes van zeelelies. De kou deerde ons niet. Want we hadden goeie Nepal meegesmokkeld in walnoten en staken de ene joint na de andere aan.
Hé, boeken over de Tarot. Gôh, ik wist niet eens dat ik deze boeken had. Dat komt goed uit, die leg ik bij de kaarten.
Boeken over elektronica, alles over meet- en regeltechniek en de werking van transistoren, diodes en triodes. Interessante maar onbegrijpelijke stroomschema’s. Die heb ik nog uit de tijd dat ik op de Hogere Zeevaartschool zat. Moet ik die nu echt bewaren? Nee, ik gooi ze weg. Deze troep is zwaar verouderd. Ik kan me nu niet meer voorstellen dat ik destijds bij mijn examen er een zeven voor had. Weg met die troep.
En wat hebben we hier? Een stapel scripties uit de tijd van de Sociale Academie. Gemaakt door mijn klasgenoten. Waarom heb ik deze bewaard? Vast met de bedoeling om ze ooit te lezen. Ik scheur de voorkanten met de namen er af en gooi de rest in de zak met oud papier.
De dames zullen nu eind veertig, begin vijftig zijn. Niet je doelgroep meer, zou Paula zeggen.
Ik kijk naar de stapeltjes die zich vormen en neem een besluit. Vier keer fiets ik naar de papiercontainer en elke keer zijn mijn fietstassen vol.
Nee, ik heb niet heel mijn verleden weggegooid. Er is nog voldoende zooi overgebleven.
Gelukkig heb ik gisteren op de vrijmarkt slechts twee boeken gekocht. De dikke van Deelder en De Walgvogel van Wolkers. En verder helemaal niets. Volgend jaar heb ik misschien minder troep op te ruimen.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
