Mijn moeder zat er vandaag ontspannen bij. Ze had net een dutje gedaan en genoot er zichtbaar van dat ik langs kwam met mijn paasboeketje. De laatste keer dat ik haar zag was twee maanden geleden op haar verjaardag. Toen had mijn zusje Ada een groot verjaardagsfeest voor haar georganiseerd. De hele familie was er met kinderen en aanhang. En een paar vriendinnen waar ze nog steeds contact mee heeft. En natuurlijk mijn oom Leen, de jongste broer van mijn vader en de laatst levende van mijn ooms.
Minstens drie keer per jaar ga ik langs: met Pasen, de Kerst en met haar verjaardag. Ja zo’n aardige zoon hebben ze niet allemaal. Ik moet toegeven dat mijn eigen kinderen vaker bij mij langskomen, maar als ze ouder worden, wordt dat vanzelf wel minder.
Vanuit haar kamer heb je goed zicht op de Van Brienenoordbrug en de watertoren in Kralingen. Het onweerde en hagelde en met het schelle licht van de zon zorgde dit voor mooie tafereeltjes.
Zelf had ze er niet zo veel oog meer voor. Als je zo oud bent zoals zij en je woont nu al vele jaren in een verzorgingstehuis met uitzicht op de Nieuwe Maas dan kan zelfs dat soms gaan vervelen.
Zou ook ik mijn interesses kwijt raken bij het ouder worden? Zullen mijn zintuigen zich langzaam maar onvermijdelijk terugtrekken, zodat er uiteindelijk geen verschil meer is tussen mij en het meubilair waarmee ik mijn kamer heb ingericht?
Als ik zo om mij heen kijk is dit niet persé afhankelijk van het ouder worden. Velen van ons hebben zich zo aangepast aan de wereld om hen heen dat zij er volledig in verdwijnen.
Gedachteloos vullen zij hun dagen in, opgenomen in een oneindige eentonigheid van verveling en leegte. Bij het opmeten van hun energieveld slaat de wijzer niet uit, maar blijft treurig hangen op de nul. Je kunt ze slaan, je kunt tegen ze schreeuwen of ze door elkaar schudden, maar niets ter wereld is in staat om ze te bevrijden van de lethargie die bezit van ze heeft genomen. Of ben ik nu te optimistisch? Is het nog erger en bestaan ze eigenlijk gewoon niet meer? Zijn het slechts schimmen die ik elke dag weer overal tegen kom en ligt hun lichaam ergens weg te rotten?
De enkele keer dat ik tv kijk worden mijn ergste vermoedens bevestigd: wij zijn niet het paradijs uitgetrapt maar van de kermis geschopt. En velen van ons blijven terug verlangen naar de voormenselijke tijd, waarin de mens nog mens moest worden en Adam en Eva opgesloten zaten op een groot kermisterrein, waar ze zich de hele dag van de ene naar de andere attractie repten en hier nooit genoeg van kregen.
Dit oerverlangen naar ongedwongen lol trappen en lachen om iemand die struikelt is volgens mij zo’n beetje de sterkste drijfveer die mensen lijkt te binden. Of ben ik nu weer te optimistisch? Worden ze alleen verbonden door verveling en reageren ze alleen als stomme automaten op de prikkels die ze nog kunnen begrijpen?
Mijn mensvisie is niet al te optimistisch en over mezelf denk ik echt niet veel beter. Bijna iedereen om mij heen lijkt te slapen en al slaap ik net zo diep, ik weet dit van mezelf en ik hou mezelf voor dat ik tenminste een poging doe om wakker te worden.
Paradoxaal genoeg hou ik van de mensen. Niet van de mensen in het algemeen, maar de mensen die niet anoniem voor me zijn. Pas achter het toetsenbord komt er een gevoel van ongeremde boosheid in mij op. De gedachte dat zo velen van ons dit korte leventje gebruiken om er zo’n zootje van te maken windt me op, al kom ik er niet van klaar.
Blijkbaar heb ik nog steeds het idee dat als ik maar hard genoeg op de deur bons er open wordt gedaan. “Vergooi je tijd niet, het is allemaal zo voorbij, maak er wat van…” wil ik roepen. Maar ik weet dat de deur gesloten zal blijven. En zo heeft iedereen zijn frustraties.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten