“Hij heeft hem met een mes gestoken, dat tyfus jong”, gilt ze en ze haalt naar me uit. Haar halfslachtige poging om mij een klap te geven mislukt. Ik sta achter mijn moeder verscholen in de gang en kijk haar met grote verbaasde ogen aan. “Heb jij hem met een mes gestoken?”, vraagt mijn moeder mij. Ik ontken. Zover ik weet heb ik hem niet gestoken. Ik kan mij er niets van herinneren. Het slachtoffer is een dikke jongen met grote huilogen. We kregen bij het spelen ruzie met elkaar en voor ik het wist zat hij boven op me met de bedoeling om mij een stevig pak slaag te geven. Het liep echter anders. Opeens sprong hij van me af en brulde: “Hij heeft me gestoken, hij heeft me gestoken…” Huilend rende hij weg en liet mij en mijn vriendjes geschrokken achter. Ik voelde het zakmes dat in mijn zak zat in mijn hand. Het lemmet was dicht. Ik liet het aan mijn vriendjes zien. “Ik heb hem niet gestoken”, zei ik. Toen ik even later de bolle met zijn moeder onze kant zag uitkomen rende ik snel naar huis. Mijn moeder deed open en ik kon nog net naar binnen glippen en mijn zakmes weg stoppen voordat de bolle met zijn moeder aanbelden. De jongen toont op verzoek van zijn moeder zijn wond. Er zit een minuscuul krasje op zijn buik. Het stelt niets voor. “Waar is je zakmes?”, vraagt mijn moeder. Ik haal mijn schouders op. “Weet ik niet”, is mijn antwoord. Door de vrouw te beloven dat ik de rest van de dag niet meer naar buiten mag weet mijn moeder haar te sussen. Ik word naar mijn kamer gestuurd. Liggend op bed staar ik met mijn handen in mijn nek gevouwen naar het plafond. “Heb ik hem nu wel of heb ik hem nu niet gestoken?” vraag ik mij af. Zo’n halve eeuw later weet ik het antwoord nog niet. Maar het zou best hebben gekund.
Hij is zeker anderhalve kop groter dan ik. Arie heet-ie. Arie Nikken. We zijn wat aan het lanterfanten, Arie en zijn broer Peter, mijn broer Charles en ik. Peter is een goede vriend van me en zit bij mij in de klas. Na schooltijd speel ik altijd het liefst buiten. En dan bij voorkeur ergens waar mijn ouders mij niet kunnen zien. Bij de begraafplaats bijvoorbeeld, of achter de dijk bij het spoor. Er is daar een sloot met palingen en sommigen daarvan zijn zo dik als mijn pols. Als de trein langs dendert op zo’n vijf meter van ons vandaan proberen we door zo hard mogelijk te brullen boven het lawaai uit te komen. Of we stoppen onze vingers in onze oren.
Arie scheelt zeker drie jaar met mij. Hij trekt normaal nooit met ons op. Voor hem zijn we maar kleine knulletjes. Maar vandaag is het anders. Hij heeft zich deze keer bij ons aangesloten en we lopen met z’n vieren door de polder, waar de grond bouwrijp wordt gemaakt voor de huizen die er straks gebouwd zullen worden. Arie zit Charles te zieken. Een beetje duwen en trekken. Peter ziet aan mij dat ik boos begin te worden en probeert Arie op te laten houden. Maar dit pakt averechts uit.
Misschien juist daardoor voelt hij zich aangespoord om ons te laten zien dat hij de sterkste is. “Hou op met pesten”, roep ik driftig als hij Charles een ouwe pannenkoek noemt en verder gaat met hem te plagen. Charles is erg ontdaan en voelt zich hulpeloos tegenover de lange Arie. Deze wendt zich nu tot mij. “Wat wou je nou, mannetje?” zegt Arie lachend en wil ook mij een duw geven. Ik doe automatisch een stap opzij en hierdoor verliest Arie zijn evenwicht. Opeens ligt hij op de grond aan mijn voeten. In minder dan een tel heb ik een grote zware kei in mijn handen en hou die boven zijn hoofd. Dreigend buig ik mij voorover en brul: “Ik gooi je hersens in, ik gooi je hersens in…” Arie ziet lijkbleek. De rollen zijn nu omgedraaid. “Niet doen, Johnny. Niet doen…” smeekt hij. Peter en Charles weten mij tot bedaren te brengen. Ik sta te trillen van boosheid. Arie staat voorzichtig op en verliest mij daarbij geen moment uit het oog. Ik laat de kei op de grond vallen. Plagend geeft Arie mij een zachte stomp. “Geintje, jôh. Moet je tegen kunnen.” We lopen nog een poosje door. Arie is gestopt met plagen. Voor hem is de lol er van af. Zijn humor wordt blijkbaar niet gewaardeerd. Als het begint te schemeren gaan we naar huis. Weer een dag voorbij waarin niets was gebeurd.
1 opmerking:
mijn held!
Een reactie posten